Lezing gehouden op 14 januari 1994 door Karl Heinz Roth op een samenkomst in Hamburg uit solidariteit met de eis voor de vrijlating van RAF-gevangene Irmgard Möller. Dit is het derde deel in de serie naar aanleiding van de 40e verjaardag van de 'Duitse Herfst'.

 

Zie hier de inleiding op de serie, over de aanleiding dat op 19 oktober 1977 de vermoorde Duitse ondernemerschef Hanns martin Schleyer werd aangetroffen in de kofferbak van een auto aan de Frans-Duitse grens. En hier een inleiding van vertaler Johny Lenaerts bij zijn deel van de serie. De hele serie is aan te treffen onder deze tag. Foto van karl Heinz Roth afkomstig van syndicalismus (niet van de conferentie).

Karl Heinz Roth (°1942) is arts en historicus. Hij publiceerde over de sociale geschiedenis van het Derde Rijk, meer bepaald over de nazipolitiek op het vlak van de gezondheidszorg, en over de geschiedenis van de Duitse arbeidersbeweging, o.m. ‘Die “andere” Arbeiterbewegung’, Trikont Verlag, München, tweede druk, 1976. Op 9 mei 1975 was hij betrokken bij een schietincident bij een politiecontrole in Keulen. Daarbij kwamen Werner Sauber, lid van de Beweging van de 2de Juni, en een politieagent om het leven. Een tweede politieagent liep schotwonden op. Roth werd levensgevaarlijk gewond en werd aangeklaagd voor moord. Na een woelig proces werd hij in 1977 vrijgesproken. (jl)

-----------------

Splinters uit 22 jaar geschiedenis

Ik zou niet, zoals Margit voorstelt, op een wetenschappelijke toon willen spreken, ik zou echter ook niet enkel maar enkele voorvallen uit mijn eigen levensloop willen vertellen. Ik wil proberen beide een beetje met elkaar te verbinden, dit wil dus zeggen enkele splinters, splinters uit 22 jaren, uit de tijd sedert 1970/71, te verbinden met enkele episoden die misschien iets verduidelijken wat men met analytische formules niet zo gemakkelijk kan uitdrukken.

Toen ik gisteravond – meer tijd had ik niet – nagedacht heb waarover vandaag aan fragmenten, aan afzonderlijke voorvallen misschien iets te vertellen valt, heb ik in enkele oude papieren gewroet, en heb ik een verslag gevonden van een commissie die toendertijd door de meest uiteenlopende groeperingen bijeengeroepen was om het door jullie allen waarschijnlijk bekende tijdschrift ‘Konkret’ op de juiste, revolutionaire koers te brengen, die weliswaar om verschillende redenen steeds iets twijfelachtigs had. Deze ‘controlecommissie’ had een zitting. Daar nam ook ik aan deel. Niet als controleur maar als auteur. En daar ging het om de kwestie van het geweld, om de vraag: hoe kan het tijdschrift ‘Konkret’ de gewelddiscussie in het hele spectrum van de buitenparlementaire massabewegingen van 1968, begin 1969, zoals dat zo mooi uitgedrukt werd, tot eenheid brengen. En daar sprak een kameraad, die behoorlijk streng werd en duidelijk formuleerde: ‘We moeten het geweld zo ver opdrijven dat we de kans krijgen  nog in onze eigen generatie het socialisme door te voeren en te beleven. En we moeten om dat te doen en om succes te hebben, bereid zijn onze vijanden duidelijk te maken dat ze met alles zullen moeten rekening houden als ze ons het socialisme willen beletten.’ Dat is een voormalige kameraad die, als men hem daar momenteel aan herinnert, waarschijnlijk verbaasd zal zijn en zal spreken van een vervalsing. Maar toendertijd was dat de teneur van een discussie waarin geprobeerd werd de ervaringen van erg uiteenlopende groeperingen - die erg verwant waren met wat we uit München vernomen hebben – samen te vatten en er vaart achter te zetten. Dat was de uitgangspositie.

Deze uitgangspositie is momenteel, meen ik, niet meer gemakkelijk over te brengen. De woede over de koloniale oorlogen. Er was niet enkel de oorlog van het VS-imperialisme in Indochina. Er was de contrarevolutie in Afrika, er had een putsch in Indonesië plaatsgevonden. Deze woede werd verbonden met de discussie over de geschiedenis van onze ouders, onze oudergeneratie in het Duitse fascisme. En het is zo dat de beelden – de kameraden van de laatste bijdrage hebben veel over beelden gesproken -, dat de beelden die we toen gezien hebben, beelden waren die we met elkaar vergeleken hebben. We hebben de beelden uit Vietnam vergeleken met de beelden uit de concentratiekampen. We hebben het verschil, meen ik, wel degelijk gezien, maar we hebben ook gezien wat deze beelden met elkaar verbond. En we hadden allemaal in die tijd repressie ervaren. De ervaring dat zeer fantasievolle acties, grappige manifestaties, geweldloze provocaties, door een werkelijk radeloze politie en staat bekampt werden. Dat was de uitgangspositie, waarmee we ons toendertijd in een zeer breed debat bevonden. En deze situatie was internationaal. Ze was zo in de VS – Black Panther Party, Black Panther Liberation Army. Ze was in Frankrijk zo – la Gauche prolétarienne. Ze was in Italië zo. Toen ontstonden daar de Brigate Rosse en andere ondergrondse groeperingen. Er waren de Latijns-Amerikaanse evaringen. Maar er waren bijvoorbeeld ook de ervaringen  uit het ondergronds verzet in het Nabije Oosten of de ervaringen van de communistische en linkse groeperingen in de Palestijnse bevrijdingsbeweging enz. enz.

Met deze ervaringen hadden we concreet te maken. Tegenwoordig wordt steeds weer gezegd: ‘deze abstracte solidariteit met Vietnam’. Dat was iets zeer concreets. Want de GI’s zaten hier. En hun eenheden werden trouwens voortdurend naar Indochina, naar Indonesië, naar Afrika gestuurd. En er waren soldaten die daaraan wilden ontsnappen. En de Black Panther Party heeft dat georganiseerd. En die is naar ons toegestapt en heeft gezegd: ‘Jullie moeten per maand 300 Amerikanen naar Denemarken versluizen. Dus 300, dat lukt jullie wel, niet?’ Dan hebben we 300 deserteurs gehad die uit de BRD moesten verdwijnen. Dat was dus een erg vanzelfsprekende situatie, waarin ook intellectuele woordvoerders in een zeer brede zin voor revolutionair geweld gepleit hebben en waarin het mogelijk was, in een eerste fase, na de eerste analyses van de repressiestructuren, ongekende successen te boeken.

Dat was de uitgangspositie, waaruit gewapende groeperingen ontstonden. In mei/juni 1970, na de bevrijding van Baader, de RAF. Daarover werd hier deze avond veel gesproken. Ik wil dat niet herhalen. Maar er deden zich parallel daaraan in andere steden ook gans andere ontwikkelingen voor, bijvoorbeeld de ontwikkeling van de Beweging van de 2de Juni. We hebben een gedeeltelijk verslag uit München gehoord. Er waren ook andere steden en vooral natuurlijk West-Berlijn zelf, waar ‘rondzwervende hasjrebellen’, Tupamaro’s, internationalisten zich aaneensloten om zichzelf te organiseren, om aan de repressie te ontkomen, om illegale structuren uit te bouwen en een militantisme op massaschaal te ontwikkelen.

In de discussie met de zich ontwikkelende RAF werd zeer snel duidelijk dat door de sociale samenstelling van deze groeperingen de Beweging van de 2de Juni, de Blues, zoals ze genoemd werd, heel andere strategische opties, heel andere perpectieven wilde nastreven in de verhouding met de subversie en in de verbinding met de overgang in de illegaliteit en ook in de gewapende strijd, namelijk: massamilitantisme te ontwikkelen. Eén van de exponenten van de Beweging van de 2de Juni, zelf een kind van dwangarbeiders, formuleerde toendertijd heel duidelijk het bewustzijn dat voor het eerst sedert de nazidictatuur en na twintig jaren van anticommunistische terreur en een normaliseringspraktijk in het dagelijkse leven, die echt ongelooflijk was, zoiets als een militante socialistische arbeidersjeugdbeweging ontstaan was. En dit militantisme stond buiten de geschiedenis van het communistische en het linkssocialistische verzet. Dat was een stroming die duidelijk op de voorgrond trad. Die zeer goed in staat was grappig, subversief te ageren, die in het jaar 1974/75, na de ondergang en na de mislukking van het eerste grote RAF-offensief van 1972, in Berlijn buitengewoon succesrijke activiteiten ontwikkeld heeft, bijvoorbeeld in het voorjaar van 1975 de ontvoering van CDU-chef Peter Lorenz met de vrijlating van gevangenen. Ik meen dat dit überhaupt de meest succesvolle actie was, die populair was. Die populair was en die aangetoond heeft dat de mogelijkheid fantasie, culturele identiteit, het bewustzijn iets anders te willen, iets anders te willen opbouwen, niet vereist dat in de illegaliteit dat alles moet worden opgegeven.

Deze groepering werd dan alleszins reeds in september 1975 in verregaande mate verslagen. Ze heeft zich gereorganiseerd. Er was een reusachtige procescampagne in 1979/80 en in de zomer van 1980 is een gedeelte van de overgebleven groepering dan tot de RAF overgestapt. Dat betekende het einde van deze beweging, die wellicht op de meest authentieke manier geprobeerd heeft de verwachtingen in deze eerste fase in te lossen, verwachtingen waar de kameraden het voordien over hadden.

Dan ontstond een tweede groepering, waar deze avond, voor zover ik dat gemerkt heb, nog helemaal niet, of indirect, over gesproken werd: de Revolutionäre Zelle en de Rote Zora. Dat was een groepering die in de oprichtingsfase in zekere zin tussen de RAF en de Beweging van de 2de Juni in stond. Dat waren kameraden, vrouwen en mannen, die de eerste grote aanval op de RAF bestudeerd hebben, die de strategische, maar ook de organisatorische fouten van de RAF onderzocht hebben en die een volledig nieuw concept ontwikkeld hadden van de – zoals het dan polemisch in de taal van de veiligheidsdiensten heette – legale illegalen. Dit wil zeggen ondergrondse cellen op te bouwen, die zich met de sociale massabewegingen verbinden, die in de sociale massabewegingen ageren en die voor en samen met de sociale massabewegingen subversieve acties voeren. Gewapende oppositie, verbreding, verankering, militantisme op massaschaal, dat was het strategisch concept. En daarachter stond een zich snel uitbreidende groepering die in staat was daadwerkelijk alle militante sociale bewegingen van de zeventiger jaren en eigenlijk ook tot het einde van de tachtiger jaren, zeer sterk te beïnvloeden. De eerste acties waren gericht tegen ITT, en dàt omwille van de deelname van het ITT-concern aan de Chileense contrarevolutie. Sabotageaanslagen, aanslagen op opsporingsbureaus, aanslagen op datacentrales, op registratiekantoren voor buitenlanders: op dit terrein werd deze groepering actief. En ze was erin geslaagd zich in de verschillende protestbewegingen, die ze zelfkritisch als deelbewegingen omschreef, te integreren, vooral in de antikernenergiebeweging op het einde van de zeventiger en het begin van de tachtiger jaren.

(Het verhaal gaat na de foto verder...)

khr

Uit deze groepering ontstond een militante ondergrondse vrouwenorganisatie, de Rote Zora, die bijzonder succesvolle en belangrijke acties ondernomen heeft, bijvoorbeeld tegen vrouwenhandelaars, tegen de commerciële organisatie van het sekstoerisme, tegen gentechnologie, maar ook nog in 1987 tegen een West-Duits bedrijf dat met zijn dochteronderneming in Zuid-Korea wereldmarktfabrieken gebouwd had, om daar een militante staking van textielarbeidsters te ondersteunen.

Dit spectrum was zeer breed en ik meen ook zeer belangrijk. En hier ontstond dus een synthese van ervaringen die we niet zouden mogen vergeten en die we in elke discussie over de geschiedenis van de gewapende strijd zouden moeten voor ogen houden. Tot zo ver dit zeer korte overzicht.

Zoals jullie weten zijn al deze groeperingen niet gespaard gebleven van grote crises, ja, van grote nederlagen. En we moeten natuurlijk vandaag, nu we deze ontwikkelingen kennen, erover nadenken wat deze nederlagen veroorzaakt hebben, waar ondanks alle sterkte en alle ervaringen die zouden moeten bewaard worden, fouten gemaakt werden, die we niet zouden mogen herhalen. De discussies zijn voor een deel bekend. Er bestaan een heleboel argumenten. En ik hoop dat in de nabije toekomst ook andere teksten voor een concluderende beoordeling van de Beweging van de 2de Juni gepubliceerd worden. Er bestaat de discussie in de RZ, die enkele aanwezigen ongetwijfeld kennen, uit de jaren 1991/92, waar onder een haast volledige stopzetting van de activiteiten een zeer harde verwerking van de eigen geschiedenis aangevat werd en waarin een generatie militante vrouwen en mannen die nà 1977 tot deze organisatie toegetreden waren, vragen gesteld hebben naar de geschiedenis vóór 1977. En daarover wordt er een zeer felle discussie gevoerd.

Het is nu eenmaal geen geheim hoe zwaar en voor een deel ook pijnlijk de discussies in de omgeving en in de context van de RAF verlopen. Ik wil daar niet verder op ingaan, maar ik zou tot besluit wel drie punten willen aanhalen waar we het in de loop van de volgende discussies over zouden moeten hebben, en dàt met betrekking tot al deze historische bijzonderheden, waarvan we natuurlijk de geschiedenis van de gewapende strijd niet kunnen los zien.

Het eerste punt is de vraag naar de middelen. De kameraad die toendertijd, in 1969, in die Konkret-controlecommissie met dat grote woord gezwaaid had, had op iets geanticipeerd – intellectuelen lopen nu eenmaal dikwijls ook op de slechte weg vooruit -, wat dan een werkelijk en tot op vandaag onopgelost probleem werd. Er zijn in deze strijd mensen/vijanden gedood geworden. Opzettelijk, voor een deel echter ook onopzettelijk, zogezegd als een ongeval in een bijzondere actiesituatie. Er zijn ook, vooral tot het einde van de jaren 1970, tot 1977, ik meen door alle groeperingen – en het gaat er momenteel niet om een geïsoleerde kritiek op de RAF uit te oefenen – ongenuanceerde subversieve acties gevoerd geworden die mensen getroffen hebben die er niets mee te maken hadden. Het ergste voorval: de vliegtuigkapingen. De RZ heeft daar haar trauma en de RAF heeft haar Mogadischu. Hier moeten vragen, die toendertijd intern natuurlijk ook reeds heftig bediscussieerd maar niet beantwoord werden, opnieuw opgeworpen worden. Waar begint het geweld waar we voor staan en dat we nodig hebben – opdat hier geen misverstand zou ontstaan – om een socialistische maatschappij te bereiken? Waar begint het geweld het doel te discrediteren? En vooral, waar vernietigt ze de revolutionaire subjecten, als deze niet meer de moed kunnen opbrengen zichzelf in de spiegel te bekijken? Dat is een groot probleem. En ik hoop dat we de kracht opbrengen en dat de groeperingen en fracties in de nog bestaande restverbanden van RZ en RAF de kracht opbrengen deze discussie nog eens aan te gaan en erover na te denken hoe dat eigenlijk na Entebbe gelopen is, hoe dat na Mogadischu gelopen is, en welke conclusies we daaruit moeten trekken in het licht van een nieuw perspectief. Dat, meen ik, is het eerste belangrijke punt.

Ten tweede. Het is volkomen duidelijk dat de geschiedenis van de gewapende groepen als geschiedenis van het wezenlijke gedeelte van de massarevolte, van de sociale revolte van de zestiger en zeventiger jaren gemeenschappelijk moet verwerkt worden. Er is in zekere zin een collectief herinneren nodig. Ik was zeer verbaasd te merken, toen ik zoëven geluisterd heb, wat ik allemaal over München te weten ben gekomen, alhoewel ik dacht goed op de hoogte te zijn. Ik meen dat dat voor vele, voor vele of voor alle andere constellaties ook opgaat. We moeten een collectief herinneren organiseren. En we moeten degenen die na ons komen en die ons, omdat we niet meer de ‘mooiste jeugd’ zijn, vragen wat en waarom we toendertijd dit of dat gedaan of niet gedaan hebben, antwoord en verklaring geven. En dat zouden we ook moeten doen omdat velen dat niet overleefd hebben. Er zijn meer doden gevallen dan in de publieke opinie bekend is. Er zijn meer mensen eronderdoor gegaan dan vele van ons willen aannemen. Met deze mensen moeten we ons diep verbonden voelen. En deze verbondenheid vereist een gemeenschappelijke, zelfkritische verwerking.

Ik wil daarom deze avond tot besluit eraan herinneren dat de grote vijandigheden tussen de groepen en onder de groepen en links en rechts en boven en beneden in de context van de subversie en van de gewapende strijd bijgelegd werden, dat we een gemeenschappelijk initiatief ontwikkelen om de laatste gevangenen vrij te krijgen. Want zonder hun vrijlating kunnen we deze discussie niet aangaan. En dat we dan in staat zullen zijn ons te concentreren op wat momenteel op de dagorde staat. Ik meen dat er een gans nieuwe tijd aangebroken is, een gans nieuwe tijd op grond van de sociale aanval van het kapitalisme, op grond van de vernietiging van alle sociale integratiemiddelen ook in dit land, op grond van de ondergang van het reële socialisme en, niet te vergeten, op grond van de ondergang van de zogenaamde nationale bevrijdingsbewegingen die toch ook voor een aanzienlijk gedeelte een grote strategische mislukking geworden zijn. Er begint dus een nieuw tijdperk. En dat nieuwe tijdperk moeten we dus tegemoettreden. Daarom hebben we de vrijlating van Irmgard en van alle anderen nodig.

Wat me vandaag het meest beroerd heeft en waarom ik nu toch al die voorvallen die ik wilde behandelen, weggelaten heb, dat komt door de nieuwe ontmoeting met een kameraad met wie ik in 1976 in een gevangenishospitaal gezeten heb. We zaten allebei in de isolatiecel, maar er was iemand die een contact georganiseerd had. Zelfs in het centrum van de macht, in de isolatiefolter heeft niet alles perfect gefunctioneerd, ook dàt moeten we zeggen om de realiteit recht te doen. Deze kameraad, Bernd Rösner, die vandaag hier was, had me na onze discussie een geheim briefje toegeschoven. Op dit briefje had ik met een geheim briefje geantwoord. Mijn briefje werd ontdekt. Bernd had dit briefje nooit gezien. Ik zal het in de processtukken opzoeken, het eruit halen, want dat vormde één van de redenen waarom men me toendertijd tot levenslang wilde veroordelen. En ik zou met hem de vroegere discussie opnieuw willen opnemen. Dat, meen ik, was voor mij het belangrijkste van deze avond. En ik hoop dat ook jullie de één of de andere belevenis of ervaring gehad hebben die het ons moet mogelijk maken om datgene wat we geleden, wat we bevochten, wat we verloren hebben, een beetje nieuw leven in te blazen. Sociale subjectiviteit, geen individualistisch subjectivisme, sociale subjectiviteit, trots en het weten dat er dingen zijn die we niet zullen laten gebeuren.

Uit: ‘Die Schönste Jugend ist gefangen’, Martina Bick & Thorwald Proll (Hrsg.), Verlag auf Hoher See, Hamburg, 1994.

Naschrift globalinfo:

Irmgard Möller kwam in december 1994 na 23 jaar gevangenisstraf vrij