In het kader van de herdenking van de Duitse Herfst en de bewegingsgeschiedenis: deel 6... Michel Graindorge (1940-2015) is een Belgisch advocaat en was betrokken bij de verdediging van RAF-gevangenen. In 1979 werd hij ervan verdacht François Besse, één van de ‘luitenants’ van Jacques Mesrine, geholpen te hebben bij diens ontsnapping uit het Brussels justitiepaleis. Hij zou vier maanden in voorhechtenis verblijven. Na een ophefmakend proces werd hij vrijgesproken, een vrijspraak die ook in beroep bevestigd werd. Hij schreef hierover het boek ‘De krachtmeting (EPO, 1981). (jl)

(Zie hier de inleiding op de serie, over de aanleiding dat op 19 oktober 1977 de vermoorde Duitse ondernemerschef Hanns martin Schleyer werd aangetroffen in de kofferbak van een auto aan de Frans-Duitse grens. En hier een inleiding van vertaler Johny Lenaerts bij zijn deel van de serie. De hele serie is aan te treffen onder deze tag. Foto afkomstig van de website ptb.be)

6. Enkele kritieken (door Michel Graindorge)

1 juni 1980 – Geen heil buiten de Kerk. Geen heil buiten de Partij. Geen heil buiten de Anonieme Alcoholisten. Geen heil buiten de Rote Armee Fraktion. Dezelfde oude mechanismen van onderdrukking en intolerantie worden met een verbazingwekkende snelheid gereconstrueerd. Het is daarom dat ik – vooral sinds mijn arrestatie van 1 september – tegenover zovele openlijke of verholen inquisities het belang van de rol van het alleenstaande individubenadrukt heb. Het individu, want elk mens is uniek. Het tijdelijke geweld kan pas een reactie zijn nà het mislukken van de verschillende en uiteenlopende vormen van geweldloosheid, vanaf het ogenblik dat de toekomst de belofte van liefde in zich wil dragen en noodzakelijkerwijs bekommert is om de Ander die bevrijd wil zijn van elke vorm van onderdrukkende Macht. Daarom is een kritische en scherpe analyse van de landen van het Oostblok onontbeerlijk vooraleer men de mond opent over elke stap die revolutionair wil zijn. Onder het alleenstaande individu versta ik de grootst mogelijke autonomie dat je in staat moet stellen de levende krachten in jezelf terug te vinden en diens volheid zonder de minste opium, zonder de minste afhankelijkheid tegenover wie of wat dan ook, te doen gelden. Met andere woorden, iedereen dient te leren volkomen op zichzelf te rekenen, om vervolgens de ander te herontdekken.

2 juni 1980 – In de tekst die ik op 28 mei voor het Hof van Beroep voorgelezen heb, staan er enkele woorden die me bezighouden. In verband met de Rote Armee Fraktion schrijf ik onder meer dat het een onhandige, schokkende, ‘politiek verkeerde’ kreet betekende. Ik kan me het verwijt voorstellen, en ik weet dat me dit gemaakt wordt, vanwege enkelen die ter goede trouw zijn – ik heb het niet over integristen of stalinisten van allerlei slag -, die me zeggen of me zullen zeggen dat ik er verkeerd aan deed dit neer te schrijven. Maar ik denk op het huidige ogenblik dat indien de revolte van de Rote Armee Fraktion terecht was, indien ik haar moreel totaal ondersteun, indien ik er in politiek opzicht gedeeltelijk mee akkoord ga, dit niet belet dat ik enkele kritieken heb: 1) een nederlaag waarvan alles erop wijst dat deze diep zoniet definitief is, 2) een gebrek aan analyse van de Duitse realiteit die in staat zou moeten zijn het onontbeerlijke front van alle Verzetskrachten op te bouwen, 3) een ongeduld om te handelen en een gebrek aan voorbereiding waarin duidelijk neurotische gedragingen niet uitgeschakeld werden, 4) een globaal kritiekloze houding tegenover de landen van het Oostblok, karikatuur van het socialisme, 5) een gebrek aan een duidelijk perspectief om de weg en het doel te kunnen vatten. De Russen voeren in Afghanistan een gelijkaardige oorlog als de Amerikanen in Vietnam. Reeds sedert verschillende jaren dienen we strijd te voeren op twee fronten. We zijn er niets mee als we van het Amerikaanse protectoraat overschakelen naar de goelag.

Het Verzet in het volk kan enkel ontspruiten uit kernen van vastberaden mannen en vrouwen, die autonoom zijn en bevrijd van hun toevalligheden en die eindelijk menselijke waarden verdedigen. Deze verzetsstrijders zullen zich vormen en ontwikkelen overal waar er onderdrukking is, waarbij ze telkens het onmenselijke zullen afwijzen. Bijgevolg zullen er, via kleine groepjes, gediversifieerde en punctuele strijdbewegingen op gang gebracht worden waarin met verloop van tijd, via een langzame bewustwording, er snel en krachtig en met een zekere steun van het volk kan opgetreden worden… Deze volkssteun is onontbeerlijk, zelfs indien ze, in elk geval in een eerste fase, zal beperkt zijn, omdat bijvoorbeeld de arbeiders van de nationale fabriek van Herstal – in naam van de werkgelegenheid – vrolijk wapens fabriceren voor alle vormen van fascisme. Een verzetsstrijder is in eerste instantie een revolterend subject, waarbij de woorden en de daden met elkaar in overeenstemming zijn, die gepassioneerd is door het communisme (zelfs indien dit woord vervalst is) als hij met daden moet reageren op de intieme behoeften van de overgrote meerderheid van het volk en bijgevolg van alle volkeren. De verzetsstrijder verdrijft, eerst uit zichzelf en vervolgens uit zijn omgeving, alle vormen van dood. Hij roept een radicale revolte en een langdurige strijd op, waarbij hij inspiratie vindt in de beste tradities van het land (Tijl Uilenspiegel, Robert Lejour en vele anderen). Anderen zullen zich in hem herkennen en zullen zich bevrijden van het absurde werk, van het verstikkende gezin, van de consumptiemedia, van al het ‘moeten’ dat het ‘zijn’ verhindert. De verzetsstrijder verzamelt, hij isoleert zich nooit.

Uit: ‘Michel Graindorge au présent’, Vie Ouvrière, Brussel, 1981.