(Deel zeven in de serie bewegingsgeschiedenis en de 'Duitse Herfst'. In 1980 werd er in Rotterdam door enkele activisten onder de benaming ‘Zwartschrijverskollektief’ een brochure uitgegeven met onder meer de vertaling van een artikel van Karl Heinz Roth, dat een jaar voordien in Duitsland gepubliceerd was, ‘De historische betekenis van de RAF’. De volgende tekst is een fragment uit de inleiding van het zgn. Zwartschrijverskollektief. (jl)

(Zie hier de inleiding op de serie, over de aanleiding dat op 19 oktober 1977 de vermoorde Duitse ondernemerschef Hanns martin Schleyer werd aangetroffen in de kofferbak van een auto aan de Frans-Duitse grens. En hier een inleiding van vertaler Johny Lenaerts bij zijn deel van de serie. De hele serie is aan te treffen onder deze tag.

7. De historische betekenis van de RAF

door Zwartschrijverskollektief

In het vertaalde artikel ‘De historische betekenis van de RAF’ laat Karl Heinz zien, hoe de guerillabeweging op dezelfde voedingsbodem is gegroeid als de brede sociale (jeugd-)revolte van de zestiger jaren. Het was de revolte van de weigering van de fabrieksarbeid door sabotage, ziekteverzuim en werken alleen als je weer geld nodig had; van de opstand tegen iedere vorm van disciplinering op school, in de tehuizen, in de gevangenissen; van het gebruik maken van de voorzieningen van de welvaartsstaat; het was de tijd van de hasjrebelen, de muziekfreaks, de zwervers… En het was de revolte tegen de volkerenmoord in Vietnam, tegen elke vorm van imperialisme, waardoor Che en Ho Chi Minh tot symboolfiguren van héél een generatie kon worden. Kortom, de revolte van de zestiger jaren had als inzet een radicale breuk op alle fronten met de prestatiemaatschappij. En op het moment dat de intellectuele vleugel van de revolte ofwel naar oude dogma’s teruggrijpt dan wel de moderniserende mars door de instituties begint, zien andere groepen die én aan het nieuwe én aan het radicale karakter van het verzet vast willen blijven houden, zich gedwongen om óók vormen van illegale strijd te ontwikkelen.

Vanuit deze continuïteit met het radicaal nieuwe verzet van de zestiger jaren stelt de guerillabeweging óns voor de vraag: Wat hebben wij met de revolte van de zestiger jaren gedaan? Wat hebben wij gedaan met, zoals Peter Paul Zahl na acht jaar gevangenis waarvan zes in isolatiehechtenis (hij moet er 15 uitzitten) het nog steeds weet te formuleren in zijn polemiek met Mahler, ‘al het stromende, ongeordende, hedonistische, lichtvoetige, geile, subversieve, ongrijpbare, onreglementeerbare, elastische, floepende en moeilijk definiëerbare van de anti-autoritairen’?

Alvorens op deze vraag in te gaan, moeten we eerst kwijt, dat het voor onszelf een onthutsende ervaring is geweest bij het lezen van met name oudere RAF-teksten – nu pas, ja, voor de eerste keer – te moeten vaststellen, dat we bij de RAF-activisten zó veel inzicht en zúlke analytische kracht eigenlijk niet verwacht hadden. Met andere woorden, ook wij hebben ons door de publieke opinie (waarbij links inbegrepen) laten besodemieteren, ook wij hebben ons de ‘karikatuur van de amok makende terrorist’ min of meer eigen gemaakt, zodat we het nooit de moeite waard gevonden hebben hun teksten ook maar ter hand te nemen!

Een dergelijke ervaring maakt wel héél scherp duidelijk, dat niet de Raf maar wij geïsoleerd waren ten opzichte van de diepere stromingen van het verzet van de zestiger jaren, dat wij het waren die ons in geborneerd theoretische concepties opgesloten hadden dan wel bezig waren gegaan de instituties binnen te dringen om daar het verzet van onderen te helpen disciplineren, op een uiteraard gedemocratiseerde wijze.

Als contrast hiermee willen we een paar stukken citeren uit Roths ‘Verklaring over mijn persoon’ die hij tijdens het proces afgelegd heeft (zie Internationale Korrespondentie 47/48, 1977), om zo de ervaringsachtergrond van zijn analyses aan te duiden:

“(In Hamburg was er al in 1967) een ‘crisiscentrum’ (van concernmanagers, een psychologieprofessor, topfunctionarissen van de vakbond, politiecommandanten) opgezet. Via dit centrum werd het antwoord geformuleerd op het gistingsproces onder werkende jongeren, ongehuwde moeders, dienstplichtigen, ongeschoolde arbeiders in de scheepswerven en de havens, scholieren en natuurlijk studenten: met middelen van politietactiek. Er werd zo opgetreden dat alle repressiekrachten op twee beslissende punten werden geconcentreerd: ten eerste alles eraan te doen om het opkomende bondgenootschap tussen de studenten in het centrum van de stad en de proletarische jeugdcultuur in de voorsteden te ondergraven (uitbreiding van de jeugdpolitie, vormen van politieke subversiviteit van de kant van de politie die zelfs leidden tot een door het ministerie van Binnenlandse Zaken gecontroleerde ‘studenten’-fractie van de massabeweging); en ten tweede elke manifestatie van de Buiten-Parlementaire Oppositie van welke aard dan ook uiteen te slaan alsook alle sprekers nog voor hun optreden in ‘preventieve hechtenis’ te nemen.

Mijn eerste ervaringen als arts deed ik op in het buitenland. In september 1970 had de Jordaanse militaire dictatuur een offensief ingezet tegen de Palestijnse minderheid in dat land… We kwamen in Amman vlak na het bloedbad. De sporen van de afslachting… zijn niet meer uit mijn herinnering te wissen… Voor een deel in elk geval kwamen de granaatsplinters ook uit West-Duitsland…

Toen ik in oktober 1973 assistent werd op de chirurgische afdeling van het Hamburgse Havenziekenhuis, begon een nieuwe periode in mijn leven. Ik stond versteld van de omvang van het alledaagse geweld, waartegen de lagen van de arbeidersklasse – de daklozen, de prostituees, werkloze jongeren, buitenlandse arbeiders, proletarische huisvrouwen en zelfs vakarbeiders en technici – zich teweer moeten stellen. Bepaalde bemanningen van politieovervalwagens van de politiepost hadden de gewoonte werkende jongeren die opgepikt waren en dronken arbeiders in elkaar te slaan; ze weigerden hen de boeien af te doen en weken bij het onderzoek en de behandeling geen moment van hun zijde. En juist deze beambten waren nooit bereikbaar als het erom ging een van huis weggelopen meisje bescherming te bieden tegen aanranders en toekomstige soeteneurs. Des te geruislozer ging de vreemdelingenpolitie te werk. Ik was bijvoorbeeld met stomheid geslagen toen deze heren op een gegeven moment in burger voor de deur stonden van de ziekenafdeling, waar ik het toezicht over had, om een illegale buitenlandse arbeider, die na wekenlange verpleging weer enigszins hersteld was maar dringend nog enkele maanden lang regelmatig voor controle terug had moeten komen, op het moment dat hij uit het ziekenhuis ontslagen werd te arresteren en over de grens te zetten. Natuurlijk lukte hun dat geen tweede keer…

Week-in week-uit werden zwaargewonde arbeiders uit de haven, de werven en uit omliggende fabrieken aangevoerd in ziekenwagens van de brandweer die terecht ‘knekelwagens’ genoemd werden. Geconfronteerd met zo veel verminkingen viel het niet mee niet naar de oorzaken te zoeken. Die lagen voor de hand: het tempo, de werktijden, de premies: de veiligheidsvoorschriften werden ontdoken maar altijd op zo’n manier dat het in geval van twijfel mogelijk was de verongelukten zelf de schuld te geven. Verschillende passages in de zogenaamde doktersrapporten bleken typische strikvragen die het iemand in geval van invaliditeit moeilijk moesten maken aanspraak te maken op de uitkering… Bij dat alles deden politieke overtuigingen er niet meer zo veel toe, ze kwamen in elk geval op de tweede plaats. Het kwam er nu op aan direct positie te kiezen, om de kant te kiezen van diegenen die uitgebuit en vernederd werden dan wel de cynische zaakwaarnemer van kapitalistische macht in witte jas te worden. Ik kwam niet erg onder de indruk van het schreeuwerig optreden van sommige linkse artsen, omdat die bij het opstellen van hun rapporten als nauwgezette inquisiteurs moesten weten, of en hoeveel alcohol er gedronken was, en maar weinig zorgvuldig tewerk gingen bij de eerste behandeling van bijvoorbeeld verwondingen aan de handen. Ook had ik vaak de indruk dat bij de opbouw van een linkse vakbondsfractie en de daaruit resulterende wrijvingen en conflicten veel energie verloren ging die in de dagelijkse werksituatie beter gebruikt kon worden.”

Zo veel ter aanduiding van de achtergrond van waaruit Karl Heinz Roth zijn analyse van de guerilla ontwikkelt en zijn vragen aan de rest van de linkse beweging stelt (voor wie daar meer van wil weten, kan te rade gaan bij het boek waaraan Roth meegewerkt heeft: ‘Die andere Arbeiterbewegung’, München- Trikont, 1976, 2e druk).

Wat hebben wij met de revolte van de zestiger jaren gedaan?

We hebben nieuwe vormen van disciplinering ontwikkeld, zij het binnen de marxistisch-leninistische scholingsgroepen, zij het langs de gedemocratiseerde instituties. We hebben ons weer tot bondgenoten gemaakt – kritische bondgenoten natuurlijk – van de traditionele organisaties van de arbeidersklasse (vakbonden, partijen), die ten aanzien van de nieuwe strijdvormen van de massa-arbeiders alleen maar een repressieve functie kunnen hebben (door zich met name aan vormen van bezuinigingspolitiek te onderwerpen). De BWA (Bond van Wetenschappelijke Arbeiders) kon geen solidariteitsverklaring met de havenstaking opbrengen, ‘omdat het alleen maar over materiële eisen ging’, lees: omdat zij zich aan de top van de vakbonden vastgeklonken heeft. We hebben ons in het welzijnswerk gestort om daar via politisering en bewustmaking de strijdvormen van weigering weer aan de mechanismen van de prestatiemaatschappij terug te koppelen. Terwijl de werkende jongeren massaal wegblijven van de activiteiten in het kader van de partiële leerplicht, dringen de progressieve vormingswerkers aan op uitbreiding hiervan. We zijn de scholen binnengegaan en hebben er zo aan mee geholpen dat de scholieren aan de met dit proces van socialisatie inherente disciplineringen onderworpen werden. Eén van de argumenten van links tegen de Berufsverbote bestond erin erop te wijzen, dat juist linkse leraren en docenten door hun overwerk en gemotiveerde inzet de scholen en universiteiten draaiende hielden.

En vanuit dergelijke posities hebben we dan veroordelingen uit zitten spreken over de guerilla, hebben we ons met name sinds de ‘Duitse herfst’ van 1977 ‘van elke vorm van terrorisme gedistantieerd’, om onze eigen verworven posities niet op het spel te hoeven zetten. Uiteraard in naam van de linkse beweging. Maar juist daarom is de vraag zo dringend: aan welke kant staan wij, staat de linkse beweging? Dàt is de vraag die door het zogenaamde terrorismedebat al te lang onder tafel is gebleven.

Een grondige afrekening met de linkse beweging in de BRD heeft Karl Heinz Roth ondernomen in een artikel dat aan de analyse van de RAF voorafgaat, waarin hij achter de door isolatiefolter en brainwashing gebroken Mahler de ‘antiterroristen’ rond het West-Berlijnse blad ‘Langer Marsch’ aan de kaak stelt als de eigenlijke ideologen van het verraad aan de beweging van de zestiger jaren, en daarmee aan zichzelf. (…) De clou van Roths kritiek op de antiterroristen: in hun zich absoluut distantiëren leveren zij een deel van de beweging uit aan de staat, ja, bieden zij zelfs actieve hulp aan om dit deel voor de leeuwen te gooien. Maar daarmee leveren zij een deel van zichzelf – voorzover zij nog deel van de beweging uitmaken – aan de staat, aan de tegenpartij uit (in plaats van onderling in harde maar solidaire discussie te gaan en zo gezamenlijk tegen de staat te blijven vechten). En met deze capitulatie voor de staat zijn ze hoogstens nog tot een ‘reformistische’ positie in staat, volgens het motto: ‘zolang er geweld van onderaf komt, houden we onze progressieve verhalen vóór ons en marcheren met de staat; zijn de radikalinski’s eenmaal uit de weg geruimd, dan gaan we het weer over socialisme hebben’.

Daarmee komt ook al in perspectief, om welke vormen van strijd het Roth gaat als hij zegt dat het erop aan komt, via (zelf)kritiek van de stadsguerilla haar ervaringen productief te maken voor wat ons nu en de komende jaren te doen staat. Waar het op aan zal komen is het ontdekken en activeren van alle mogelijke vormen van weigering met betrekking tot de prestatiemaatschappij. Tegen alle verhalen van de ‘grote matheid’ in maakt hij duidelijk, dat de breuk met de instituties van deze prestatiemaatschappij op alle fronten niet geheeld maar eerder groter aan het worden is, dat de maatschappelijke integratie aan alle kanten openscheurt; en dat het erop aankomt deze scheuren te vergroten, de breuklijnen niét weer te helpen kitten maar dóór te trekken. De ideologie van de matheid van de zeventiger jaren kon alleen maar vanuit het elitaire standpunt van de linkse beweging geformuleerd worden, omdat zij überhaupt niet in staat is de onderhuidse scheuren te begrijpen voor wat ze zijn. In hetzelfde nummer van De Groene (30-1-1980), waarin het bericht over de mildere lijn van de Duitse justitie ten opzichte van de RAF staat, wordt er in een lezersbrief geprotesteerd tegen de berichtgeving over de kraakbeweging, waarin ‘het politiek bewust kraken’ gesteld wordt tegenover een situatie, waarin ‘steeds willekeuriger en ruiger gewerkt wordt, waarbij zelfs gewone distributiewoningen niet worden ontzien. De politieke basis daarbij is op zijn hoogst een vrijblijvend soort anarchisme, vaak niet meer dan een rationalisatie achteraf, een vlag om de lading te dekken’. Dat is nou, zou Roth zeggen, antiterrorisme in het klein, precies dààrom gaat het ons als wij zeggen dat de ervaringen van de guerilla productief gemaakt moeten worden voor komende strijd, niet door deze te willen politiseren – of anders te criminaliseren – als ze niet willen horen…, maar door er actief aan mee te doen en eventueel nog te radicaliseren.

Uit: ‘Opdat de dood ons levend vindt en het leven ons niet dood. Autonome strijd en linkse hoofdarbeid. Twee artikelen van Karl Heinz Roth’, Zwartschrijverskollektief, Amsterdam: Bevrijding, 1980.