Als er één kenmerk is van een echt revolutionair moment dan is het dat conventionele categorieën er in het geheel niet in slagen te beschrijven wat er om ons heen gebeurt, en dan is het een behoorlijk goed teken dat we in revolutionaire tijden leven.

(Door David Graeber, oorspronkelijk verschenen bij infoshop.org, vertaling AJvdK/Krapuul) foto Jacques Billaudel cc/flickr)

Het treft mij dat de diepe verwarring, zelfs ongeloof, zoals geuit door het Franse commentariaat – beter nog, het wereldcommentariaat – bij het zien van iedere opeenvolgende acte van het drama van de Gilets Jaunes, dat nu zijn opstandige climax snel nadert, het resultaat is van het vrijwel totale onvermogen te begrijpen dat de macht, de arbeidersklasse en de bewegingen gericht tegen de macht de afgelopen vijftig jaar zijn veranderd, en vooral sinds 2008. Intellectuelen hebben het maar buitengewoon moeilijk deze veranderingen te bevatten.

Laat ik beginnen met twee voorstellen aan te bieden wat betreft de bron van een deel van de verwarring:

1. In een gefinancialiseerde economie zijn alleen zij die het dichtst staan bij de middelen van geldschepping (of in wezen, investeerders en de beroepsmanagerklassen) in de gelegenheid de taal van het universalisme te gebruiken. Dientengevolge is iedere politieke eis, gebaseerd op bepaalde noden en belangen, te behandelen als uiting van identiteitspolitiek, en in het geval van de maatschappelijke basis van de GJ kan dit niet anders dan als protofascistisch voorgesteld worden.

2. Sinds 2011 is er over de gehele wereld een verandering opgetreden in de opvatting over wat deelnemen aan een massale democratische beweging inhoudt – ten minste bij degenen die er waarschijnlijk aan deelnemen. Oudere “verticale” of voorhoede-organisatiemodellen zijn vervangen door een ethos van horizontaliteit waarin (democratische, egalitaire) praktijk en ideologie twee aspecten van hetzelfde zijn. Als men niet in staat is dit te begrijpen krijgt men ten onrechte de indruk dat bewegingen als GJ anti-ideologisch of zelfs nihilistisch zijn.
Laat ik wat achtergrond bieden voor deze beweringen.

Sinds de VS de gouden standaard heeft geloosd in 1971 hebben we een diepgaande verandering in de aard van het kapitalisme gezien. De meeste winsten van corporaties komen niet langer van het produceren of verkopen van iets, maar van het manipuleren van krediet, schuld en “gereguleerde huren”. Nu de bureaucratieën van regering en financiële instellingen zo verweven zijn is het in toenemende mate moeilijk ze van elkaar te onderscheiden, rijkdom en macht – in het bijzonder de macht om geld te scheppen (krediet) – worden praktisch een zelfde ding. (Hiervoor vroegen wij aandacht toen we bij Occupy Wall Street praatten over de “1%” – zij die in staat zijn hun rijkdom in politieke invloed om te zetten en omgekeerd). Desondanks weigeren politici en mediacommentatoren de nieuwe realiteiten te erkennen. Bijvoorbeeld, in het openbaar discours dient men nog steeds te spreken van belastingbeleid alsof het in de eerste plaats een manier is om de regering haar handelingen te doen financieren, terwijl het in feite in toenemende mate een manier is om 1) zeker te stellen dat de middelen tot geldschepping nooit gedemocratiseerd kunnen worden (alleen officieel goedgekeurd krediet is aanvaardbaar als belastingbetaling) en 2) de economische macht van een sociale sector naar een andere te herverdelen.

Sinds 2008 hebben regeringen nieuw geld het systeem ingepompt en dat, op grond van het beruchte Cantillon-effect, neigde in overstelpende mate terecht te komen bij hen die al financiële bezittingen hebben en hun technocratische bondgenoten in de beroepsmanagersklassen. In Frnakrijk zijn dit nu juist de Macronisten. Leden van deze klassen hebben het gevoel dat zij de belichaming zijn van alle mogelijk universalisme, hun opvattingen van het universele is stevig geworteld in de markt, of in toenemende mate die afschuwelijke fusie van bureaucratie en markt die de heersende ideologie is van wat men noemt het “politieke midden”.

Werkende mensen wordt in deze nieuwe centristische werkelijkheid in toenemende mate ieder mogelijk universalisme ontzegd, aangezien zij het zich letterlijk niet kunnen veroorloven. De mogelijkheid om te handelen uit zorg om de planeet, bijvoorbeeld, in plaats van het enkele voortbestaan, is nu een onmiddellijk gevolg van vormen van geldschepping en de bedrijfskundige beheersing van huur. Iedereen die gedwongen is alleen te denken aan hun eigen onmiddellijke materiële noden of die van hun gezin wordt als bepaalde identiteit gezien. En als sommige identiteiten neerbuigend gekoesterd worden is het zeker niet die van de “witte werkende klasse”, die kan alleen een vorm van racisme zijn. We hebben hetzelfde gezien in de VS, waar quasi-progressieve commentatoren konden beweren dat als mijnwerkers uit de Appalachen voor Bernie Sanders stemden, een joodse socialist, dit niettemin een uiting van racisme was, zoals ook met de vreemde bewering dat de Gilets Jaunes fascisten moeten zijn, ook als ze het niet beseffen.

Dit zijn zeer antidemocratische instincten.

Om de aantrekkingskracht van de beweging – het plotseling opduiken en de uitslaande brand van echt democratische en zelfs opstandige politiek – te begrijpen zijn er naar mijn mening twee grotendeel onopgemerkte factoren die in overweging genomen moeten worden.

De eerste is dat het gefinancialiseerd kapitalisme een nieuwe indeling van klassekrachten met zich meebrengt, waar bij bovenal de technocraten (steeds meer van hen in potemkindorp-achtige “bullshit jobs” tewerkgesteld, als deel van het neoliberale herverdelingsstelsel) tegenover een werkende klasse staat die nu beter beschouwd kan worden als de “zorgende klassen” – zij die voeden, verzorgen, handhaven, ondersteunen, meer dan ouderwetse “producenten”. Een paradoxaal gevolg van digitalisering is dat het weliswaar de industriële productie veel efficiënter heeft gemaakt maar dat het gezondheidszorg, onderwijs en opvoeding en ander verzorgend werk minder efficiënt heeft gemaakt. Dit heeft in combinatie met de toewijzing van middelen naar de administratieve klassen onder het neoliberalisme (en de bijbehorende bezuinigingen op de verzorgingsstaat) betekend dat bijna overal docenten, verpleegkundigen, verzorgenden, ambulancepersoneel en andere leden van de zorgende klassen vooraan staan bij de militante werkenden. Botsingen tussen ambulancewerkers en politie vorige week kunnen als levendig symbool van de nieuwe krachtenverdeling gezien worden.

Het publiek discours is opnieuw niet aangepast aan de nieuwe realiteiten, maar op den duur zullen we ons geheel nieuwe vragen moeten stellen. Niet welke vormen van werk geautomatiseerd kunnen worden bijvoorbeeld, maar welke we zouden willen automatiseren en welke niet. Hoe lang zijn we bereid een systeem te onderhouden waarin hoe meer iemands werk direct andere mensen helpt of ten goede komt des te minder wordt diegene ervoor betaald?

In de tweede plaats lijken de gebeurtenissen van 2011, te beginnen met de Arabische Lente via de pleinbezettingen tot Occupy, een fundamentele breuk in het politiek gezond verstand aan te geven. Een manier om je te doen weten dat er een ogenblik van mondiale revolutie heeft plaatsgevonden is dat ideeën die nog zeer kort tevoren als waanzin werden beschouwd plotseling de vooronderstellingen van het politieke leven zijn geworden. De leiderloze horizontale direct-democratische structuur van Occupy bijvoorbeeld, werd bijna overal als idioot, onrealistische n onpraktisch geschetst, en zodra de beweging de kop was ingedrukt werd dit als reden voor haar “falen” uitgelegd. Het leek zeker exotisch, niet alleen puttend uit de traditie van het anarchisme maar ook van het radicale feminisme en zelfs sommige vormen van inheemse spiritualiteit. Maar het is nu duidelijk dat het overal de vaste wijze van democratisch organiseren is geworden, van Bosnië tot Chili, van Hong Kong tot Koerdistan.

Als er een massademocratische beweging opduikt kan men verwachten dat zij deze vorm aanneemt. In Frankrijk zou Nuit Debout de eerste toepassing van dergelijke horizontalistische politiek geweest kunnen zijn, maar het feit dat een beweging oorspronkelijk gevormd door werkers van het platteland en kleine steden en van zelfstandigen spontaan een vorm van dit model aanneemt, toont aan dat we te maken hebben met een nieuwe gangbare opvatting over de aard van de democratie.

Ongeveer de enige klasse van mensen die niet in staat lijken deze nieuwe realiteit te bevatten zijn intellectuelen. Net zoals bij Nuit Debout veel zelfbenoemde “leiders” van de beweging niet in staat of bereid leken het idee te aanvaarden dat horizontale organisatievormen echt een organisatievorm zijn (zij konden eenvoudigweg niet het verschil begrijpen tussen een verwerpen van structuren van bovenaf en totale chaos) stellen nu intellectuelen van links en rechts dat de Gilets Jaunes “anti-ideologisch” zijn, niet in staat te begrijpen dat voor horizontale sociale bewegingen de eenheid van theorie en praktijk (die in vroegere sociale bewegingen vooral veel meer in theorie dan in de praktijk bestond) werkelijk in de praktijk bestaat. Deze nieuwe bewegingen hebben geen intellectuele voorhoede nodig, want ze hebben er al een: het verwerpen van intellectuele voorhoeden en het omhelzen van menigvuldigheid en horizontale democratie zelf.

Er is een zeker een rol voor intellectuelen in deze nieuwe bewegingen, maar die moet wat minder praten en veel meer luisteren inhouden.

Geen van deze nieuwe realiteiten, hetzij het verband tussen geld en macht, hetzij de nieuwe opvattingen van democratie, zullen waarschijnlijk spoedig verdwijnen, wat ook in de nieuwe Acte van het drama zal gebeuren. De grond onder onze voeten is verschoven en we doen er goed aan te overdenken waar onze loyaliteit eigenlijk ligt: bij het bleke universalisme van de financiële macht of bij hen wier dagelijks zorgzaam handelen de maatschappij mogelijk maakt.

David Graeber bij Infoshop News. Vertaling AJvdK