ecbVrijhandel en haar rol in de financiële crisis De financiële en economische crisis heeft de fundamentele problemen van het vrijhandelsparadigma onthuld: vrijhandel kan tot enorme handelsoverschotten en -tekorten leiden onder landen met ongelijke handelscapaciteiten en ongelijk economisch, sociaal en handelsbeleid. Deze ongelijkheden in handel en de daaropvolgende balanstekorten werden in eerste instantie gezien als een van de oorzaken van de crisis en worden nu beschouwd als een obstakel voor het herstel van landen met een handelstekort, zoals de Verenigde Staten, en veroorzaakt problemen met buitenlandse valuta voor enkele landen (zie hieronder).

 


Dit stuk verscheen oorspronkelijk in het Engels op 20 November 2010 op de website van TNI. De vertaling geschiedde door Bart-Jaap Verbeek, 27 januari 2011

Het moet in alle openheid gezegd worden: als China geen lid van de WTO was geweest, zou het nooit in staat zijn geweest een dergelijk handelsoverschot zonder nieuwe barrières door anderen op te bouwen. Natuurlijk, de VS had nooit gedacht dat haar pesterige houding ten gunste van vrijhandel in de WTO en in FTAs (bilaterale vrijhandelsverdragen) haar in een positie van enorme handelstekorten zonder middelen voor interventie zou brengen. De VS heeft tijdens en na de Uruguay Ronde veel druk uitgeoefend om financiële diensten te liberaliseren en overheden te beperken in het reguleren hiervan. Als gevolg hiervan spreidden financieel complexe en speculatieve producten en financiële operators de wereld over op een ongereguleerde manier, en droegen zo bij aan de financiële crisis.

Het recente voorstel van de VS bij de G20 om de balanstekorten en –overschotten te beperken tot  onder 4 procent van het BBP, is in feite toegeven dat vrijhandel niet werkt. Dit Amerikaanse voorstel blijkt nu onacceptabel voor anderen. Hoe dan ook, het zou tussen de internationaal bindende regels van de WTO en FTA regels komen.

De impact van de crisis op handel

De crisis heeft de gevaren van het vrijhandelsparadigma laten zien: in tijden van crisis willen alle landen hun weg uit de crisis exporteren door middel van export strategieën, een situatie dat ook in de vooroorlogse periode tijdens de jaren 30 voorkwam. Echter, export strategieën dat tot handelsoverschotten in één land leiden, resulteren ergens anders in handelstekorten. Het Bretton Woods systeem na de Tweede Wereldoorlog ontwierp een mechanisme om in te grijpen bij landen met handels- en balanstekorten of –overschotten, via de IMF. Maar deze en andere pogingen slaagden er niet in om handelsonevenwichtigheden aan te pakken en de VS wilde zichzelf niet aan externe controle onderwerpen.

Nu is de WTO’s onderhandelingsronde, de zogenaamde Doha Ontwikkelingsagenda, vastgelopen omdat de ontwikkelde landen meer toegang voor hun export willen om de crisis te overwinnen, terwijl veel ontwikkelingslanden nog steeds niet veel van hun belangen in de huidige versies van de verdragen terug zien. In FTAs oefenen ontwikkelde landen meer druk uit om hun comparatief voordeel (zoals toegang voor diensten, betere bescherming van intellectueel eigendomsrecht) te verdedigen en hun toegang tot ruwe materialen (een groot comparatief nadeel van de EU) te behouden. Tegelijkertijd roeren steeds meer bewindsvoerders in rijke landen om geen extra import toe te staan zoals bijvoorbeeld in Amerikaanse en Europese handelsverdragen met Zuid-Korea is afgesproken.  

De financiële crisis en haar nasleep hebben grote zwakheden en kwetsbaarheden van landen die zich onderworpen hebben aan vrijhandelsregimes en exportstrategieën onthuld. De voordelen van vrijhandel komen niet alleen van open markten, maar zijn ook sterk afhankelijk van:

  • De waarde van buitenlandse valuta koersen, die erg volatiel zijn geworden tijdens de crisis en die exporten ondermijnden wanneer de koers van exporterende landen omhoog ging;
  • Krediet  voor handel, dat tijdens de crisis dramatisch afnam;
  • Krediet voor productie, dat achterwege bleef in landen waar buitenlandse banken (wiens aanwezigheid werd aangemoedigd door vrijhandelsverdragen over financiële diensten) kapitaal repatrieerden of erg beperkend waren in het verschaffen van krediet door de crisis;
  • Buitenlandse directe investeringen en portfolio investeringen in hoeverre het winstgevend was voor (export) productie, die scherp afnamen toen de financiële crisis uitbrak en portfolio investeringen zich terugtrokken;
  • Koopkracht in importmarkten, dat afnam in Westerse markten door toedoen van de financiële en economische crisis, leidend tot minder exportwinsten en verlies van banen in exporterende landen; en de
  • Schuldensituatie van een land, dat voor enkele landen toenam nadat ze genoodzaakt waren opnieuw te lenen door de crisis met instemming van harde en niet-duurzame leenvoorwaarden.


Valutaoorlogen in plaats van handelsoorlogen

De crisis heeft ook duidelijk bewezen dat vrijhandel in combinatie met de vrije beweging van kapitaal de betaalbalans, handels- en economische onevenwichtigheden versterkt, wat al door Keynes werd beaamd. Omdat kapitaal altijd stroomt naar waar het de meeste winst genereert, stroomt het nu naar een klein aantal booming landen terwijl andere landen lijden onder uitstroming en gebrek aan productieve kredieten. Opkomende landen lijden momenteel onder de enorme kapitaalinstromingen omdat de winstuitkeringen van investeringen in ontwikkelde landen zo laag zijn. Dus zelfs wanneer de VS meer geld bijdrukt (kwantitatieve versoepeling) om haar eigen economie te stimuleren, blijven de dollars de VS verlaten en vrijelijk andere landen met een hoge economische groei die hun kapitaalsbalans hebben geliberaliseerd instromen. Omdat de valutakoersen van opkomende markten stijgen dankzij deze speculatieve kapitaalinstromingen en niet zozeer dankzij toenemende handel, en omdat handelsverdragen de handel blijven liberaliseren, interveniëren deze landen in valutamarkten en leggen verschillende kapitaal- of valutacontroles op om een groei in valutakoersen te stoppen (bijvoorbeeld Brazilië, Zuid-Korea).

Echter, de regels over de beweging van kapitaal in vrijhandelsverdragen en in het WTO verdrag over diensten leggen strenge voorwaarden op ten aanzien van het gebruik van kapitaalcontroles, en verbieden vaak het gebruik voor preventieve maatregelen zoals hier het geval is. Verder worden de enorme kapitaalstromen gestimuleerd door ongereguleerde speculanten (hedgefunds bijv.) en financiële operators (derivative traders, carry traders), wiens wereldwijde aanwezigheid werd gestimuleerd en beschermd door vrijhandel in (financiële) dienstenovereenkomsten. Sommige controles op kapitaalinstromingen via restricties op valutaswap handel of het belasten van korte termijn investeringen breken met de regels over vrijhandel in financiële diensten onder de WTO en FTAs door die landen die toezeggingen hebben gedaan met betrekking tot liberalisering van financiële diensten. Regels van handelsverdragen staan het nauwelijks toe om speculatieve handel in derivaten van voedselgoederen tegen te houden en kunnen daarbij moeilijk gestopt worden door landen die handel in derivaten hebben geliberaliseerd door middel van vrijhandelsverdragen. Sommige handelsverdragen die financiële diensten omvatten kunnen zelfs financiële hervormingen tegenhouden.

Wat betekent dit alles voor nieuw te onderhandelen vrijhandelsverdragen?

De huidige crisis en de gevolgen hebben laten zien dat ontwikkelingslanden beleidsruimte dienen te handhaven om zichzelf te beschermen tegen gaten in internationale economische governance en de vele valkuilen van het vrijhandelparadigma. De huidige restricties op kapitaalcontroles, zoals verwoord in verschillende handelsverdragen getekend door de EU, zouden in ieder geval veranderd moeten worden zodat preventieve maatregelen tegen speculatie en volatiliteit genomen kunnen worden. Ook zou de EU haar grondwet (Verdrag van Lissabon) moeten herzien, dat de EU landen slechts in zeer exceptionele omstandigheden toestaat de vrije beweging van kapitaal te beperken. Daarbij zouden er geen regels moeten bestaan die een benodigd verbod of regulering van financiële diensten verbieden. Er zou daarentegen een verdragsverplichting moeten zijn voor kleinschalige regulering en supervisie van financiële diensten en preventie van excessieve speculatie. Er moet geen verdere onderhandeling om financiële diensten te liberaliseren plaatsvinden tenzij internationale regulering en supervisie toegestaan is. Door de vele valkuilen en problemen met het vrijhandelsparadigma moet het principe van concurreren om de meeste toegang voor exporten te verkrijgen vervangen worden door samenwerking om de handel te beheren. Het doel van handelsverdragen zou geen handel op zich moeten zijn maar billijke en duurzame productie, handel en consumptie. Een complete herziening van de WTO en FTAs zou hiervoor noodzakelijk moeten zijn. De EU is helaas nog steeds in de illusie dat vrijhandel het enige bestaande paradigma en beleid is.