Hoewel recente schokken de huidige inflatiegolf en de groeivertraging nog acuter hebben gemaakt, zijn zij niet bepaald de enige problemen van de wereldeconomie. Zelfs zonder die schokken zouden de vooruitzichten op de middellange termijn somberder worden als gevolg van een breed scala van economische, politieke, ecologische en demografische trends.

(Door Nouriel Roubini (*) Oorspronkelijke tekst (Engels): Project Syndicate, 25 april 2022, vertaling Menno Grootveld, overgenomen van wereldbrand, foto Thomas Flügge/Flickr, CC2.0)

Dit hoeft niet te verbazen. De COVID-19-pandemie dwong veel sectoren tot sluiting, ontwrichtte de mondiale aanbodketens en leidde tot een kennelijk aanhoudende daling van het arbeidsaanbod, vooral in de Verenigde Staten. Daarna kwam de Russische invasie in Oekraïne, die de prijzen van energie, industriële metalen, voedsel en meststoffen heeft opgedreven. En vervolgens heeft China draconische COVID-19-lockdowns bevolen in belangrijke economische centra zoals Sjanghai, wat tot bijkomende ontwrichtingen van de aanbodketen en tot transportknelpunten heeft geleid. Maar zelfs zonder deze belangrijke kortetermijnfactoren zouden de vooruitzichten op de middellange termijn somberder worden. Er zijn tal van redenen om te vrezen dat de huidige stagflatoire omstandigheden de wereldeconomie zullen blijven kenmerken, met hogere inflatie, lagere groei en mogelijk recessies in tal van economieën tot gevolg.

Om te beginnen is er sinds de wereldwijde financiële crisis sprake van een demondialisering en een terugkeer naar verschillende vormen van protectionisme. Dit is het gevolg van geopolitieke factoren en binnenlands-politieke beweegredenen in landen waar grote bevolkingsgroepen zich ʻachtergelatenʼ voelen. De toenemende geopolitieke spanningen en het trauma in de aanbodketen als gevolg van de pandemie zullen waarschijnlijk leiden tot meer verplaatsing van de productie uit China en de opkomende markten, terug naar de geavanceerde economieën – of op zijn minst tot de verplaatsing (ʻnear-shoringʼ of ʻfriend-shoringʼ) naar clusters van politiek geallieerde landen. In beide gevallen zal de productie worden overgeheveld naar regioʼs en landen met hogere kosten. Bovendien zal de demografische vergrijzing in de geavanceerde economieën en in sommige belangrijke opkomende markten (zoals China, Rusland en Zuid-Korea) het aanbod van arbeidskrachten blijvend doen afnemen, wat tot looninflatie zal leiden. En omdat ouderen de neiging hebben hun spaargeld uit te geven zonder te werken, zal de groei van dit cohort de inflatiedruk doen toenemen en het groeipotentieel van de economie doen afnemen. Het aanhoudende politieke en economische verzet tegen immigratie in de ontwikkelde economieën zal eveneens het arbeidsaanbod verminderen en een opwaartse druk uitoefenen op de lonen. Decennialang heeft grootschalige immigratie de loonstijging in de geavanceerde economieën afgeremd. Maar die tijd lijkt voorbij te zijn.

Ook de nieuwe koude oorlog tussen de VS en China zal op grote schaal stagflatoire gevolgen hebben. De Chinees-Amerikaanse ontkoppeling impliceert fragmentatie van de wereldeconomie, balkanisering van de aanbodketens en striktere beperkingen op de handel in technologie, gegevens en informatie – sleutelelementen van toekomstige handelspatronen.

Ook de klimaatverandering zal tot stagflatie leiden. Droogtes beschadigen immers gewassen, ruïneren oogsten en drijven de voedselprijzen op, net zoals orkanen, overstromingen en de stijgende zeespiegel kapitaalvoorraden zullen vernietigen en de economische activiteit zullen ontwrichten. De agressieve decarbonisatie heeft geleid tot onderinvestering in koolstofgebaseerde capaciteit vóórdat hernieuwbare energiebronnen een schaal hebben bereikt die voldoende is om een verminderd aanbod van koolwaterstoffen te compenseren. Onder deze omstandigheden zijn scherpe pieken in de energieprijzen onvermijdelijk. En naarmate de energieprijs stijgt, zal ʻgroene inflatieʼ de prijzen treffen van de grondstoffen die worden gebruikt in zonnepanelen, batterijen, elektrische voertuigen en andere schone technologieën.

De volksgezondheid zal waarschijnlijk een andere factor zijn. Er is weinig gedaan om de volgende uitbraak van een besmettelijke ziekte te voorkomen, en we weten al dat pandemieën de mondiale aanbodketens verstoren en aanzetten tot protectionistisch beleid, omdat landen zich haasten om essentiële voorraden zoals voedsel, farmaceutische producten en persoonlijke beschermingsmiddelen te hamsteren. We moeten ons ook zorgen maken over cyberoorlogsvoering, die de productie ernstig kan verstoren, zoals recente aanvallen op pijpleidingen en vleesverwerkende bedrijven hebben aangetoond. Verwacht wordt dat dergelijke incidenten in de loop van de tijd vaker zullen voorkomen en ernstiger zullen worden. Als bedrijven en overheden zich hiertegen willen beschermen, zullen ze honderden miljarden dollars moeten uitgeven aan cyberbeveiliging, waardoor de kosten die aan de consument zullen worden doorberekend nog verder zullen oplopen. Deze factoren zullen het politieke verzet tegen de grote inkomens- en vermogensongelijkheid aanwakkeren, wat zal leiden tot meer overheidsuitgaven ter ondersteuning van werknemers, werklozen, kwetsbare minderheden en ʻachterblijvers.ʼ Pogingen om het inkomensaandeel van arbeid ten opzichte van kapitaal te verhogen, hoe goed bedoeld ook, impliceren meer arbeidsstrijd en een spiraal van loonprijsinflatie. Dan is er de oorlog van Rusland tegen Oekraïne, die de terugkeer inluidt van de nulsom-politiek van de grootmachten. Voor het eerst in vele decennia moeten we rekening houden met het risico van grootschalige militaire conflicten die de wereldhandel en -productie zullen verstoren. Bovendien zijn de sancties die worden gebruikt om staatsagressie af te schrikken en te bestraffen, op zichzelf óók stagflatoir. Vandaag is het Rusland tegen Oekraïne en het Westen. Morgen kan het Iran zijn dat overgaat tot kernwapens, Noord-Korea dat zich inlaat met nog meer nucleair gestunt, of China dat Taiwan probeert in te nemen. Elk van deze scenarioʼs kan leiden tot een hete oorlog met de VS. Tenslotte is het tot wapen maken van de Amerikaanse dollar – een centraal instrument bij de handhaving van sancties – eveneens stagflatoir. Niet alleen veroorzaakt dit beleid ernstige fricties in de internationale handel in goederen, diensten, grondstoffen en kapitaal; het moedigt de Amerikaanse rivalen tevens aan hun deviezenreserves te diversifiëren en niet langer uitsluitend in dollars gedenomineerde activa te gebruiken. Op den duur zou dit proces de dollar sterk kunnen verzwakken (waardoor de Amerikaanse invoer duurder zou worden en de inflatie zou worden aangewakkerd) en kunnen leiden tot het ontstaan van regionale monetaire stelsels, waardoor de wereldhandel en de financiële wereld nog verder zouden worden gebalkaniseerd.

Optimisten kunnen aanvoeren dat we er nog steeds op kunnen rekenen dat de technologische innovatie op den duur een desinflatoire druk zal uitoefenen. Dat mag waar zijn, maar de technologiefactor is ver in de minderheid vergeleken met de elf hierboven genoemde stagflatoire factoren. Bovendien blijft het effect van technologische veranderingen op de totale productiviteitsgroei onduidelijk in de gegevens, en zal de ontkoppeling tussen China en het Westen de invoering van betere of goedkopere technologieën wereldwijd beperken, waardoor de kosten zullen stijgen. (Een Westers 5G-systeem is momenteel bijvoorbeeld veel duurder dan een systeem van Huawei). In ieder geval zijn kunstmatige intelligentie, automatisering en robotica niet per se positief. Als ze zó ver verbeteren dat ze voor een betekenisvolle desinflatie kunnen zorgen, zullen ze waarschijnlijk ook hele beroepen en industrieën ontwrichten, waardoor de toch al grote verschillen in rijkdom en inkomen nog groter zullen worden. Dat zou een nog krachtiger politiek verzet uitlokken dan het verzet dat we al hebben gezien – met alle stagflatoire beleidsgevolgen die daar waarschijnlijk weer uit zullen voortvloeien.

(*) Vertaling: Menno Grootveld, Nouriel Roubini was hoogleraar economie aan de Stern School of Business van de New York University. Hij heeft gewerkt voor het IMF, de US Federal Reserve en de Wereldbank.