‘De Russische invasie van Oekraïne heeft een einde gemaakt aan de mondialisering die we de afgelopen drie decennia hebben meegemaakt,’ aldus Larry Fink, CEO van BlackRock, ’s werelds grootste beleggingsfirma, die tien biljoen dollar aan activa beheert. Ervan uitgaande dat de situatie niet verder uit de hand loopt – ‘duimen’ maar – is dit waarschijnlijk een van de langer durende uitkomsten van de oorlog (ook al ziet het plaatje er op dit moment nogal anders uit vanaf de puinhopen van het Europese slagveld).

(Door Marco dʼEramo (*) Vertaling: Menno Grootveld, het origineel verscheen in New Left Review, deze vertaling bij wereldbrand) foto website attac spanje)

Dat betekent niet dat de wereld onmiddellijk zal terugvallen op regionale economieën, douanegrenzen en beperkingen van de vrijheid van kapitaal. De mondialisering impliceert een materiële infrastructuur die veel te omvangrijk – Cyclopisch zelfs – is om met speels gemak te kunnen worden ontmanteld. Een blik op containerhavens als Busan of Rotterdam is genoeg om dit te bevestigen. Beter nog: kijk maar eens naar MarineTraffic, een site die alle schepen in beeld brengt die waar dan ook, wanneer dan ook ergens ter wereld op zee zijn. Het aantal is waarlijk verbijsterend.

Maar we mogen niet onderschatten wat er met de mondiale economie gebeurt, en met name met de financiële wereld. Want de huidige oorlog is niet alleen asymmetrisch; hij is ook hybride, in de zin dat hij op diverse schaakborden met verschillende arsenalen wordt uitgevochten. Aan de ene kant heb je Rusland, dat een conventionele oorlog voert tegen Oekraïne met tanks, raketten en bommen; maar de werkelijke tegenstander is de NAVO, en uiteindelijk de Verenigde Staten. Aan de andere kant heb je de VS, die een proxy-oorlog tegen Rusland voeren, en zich voorbereiden op een guerrilla-oorlog voor het geval dat Oekraïne gedeeltelijk of geheel wordt geannexeerd, terwijl ze tegelijkertijd een totale en rechtstreekse financieel-economische blokkade lanceren. Het is geen toeval dat de Franse minister van Financiën Bruno Le Maire het buitensluiten van Rusland van SWIFT een ‘financieel kernwapen’ heeft genoemd.

Het probleem met kernwapens – of ze nu echt of financieel zijn – is echter dat ze radioactieve fall-out creëren (ik heb recent geschreven over het gebruik en misbruik van sancties als imperiaal instrument). Waaraan in dit geval vooral schade is toegebracht is aan het geloof in de mondialisering zelf, en dus aan het fundament waarop die is gebouwd. Een gemondialiseerde economie berust op de veronderstelling dat de algehele orde belangrijker is dan de wederwaardigheden van individuele staten. Kapitaal kan zich alleen vrijelijk tussen banken in verschillende landen bewegen als het bij iedere willekeurige instelling even veilig is. Als zodanig is de mondialisering gebaseerd op de overtuiging dat er geen nationale elites zijn, maar slechts één enkele, mondiale elite, die onkwetsbaar is voor de wisselvalligheden van de staatspolitiek. Dit is een belofte waarmee de rijken zijn verleid in onderworpen landen, die zich tot dusver ondergeschikt hadden gevoeld aan de imperiale kern. Zij bood de provinciale elites een luchtspiegeling: het einde van hun onderworpenheid, en hun opname in de enige dominante macht op de planeet. Onder het regime van de mondialisering mag een magnaat uit welk land dan ook die een huis koopt in Londen of een bankrekening opent in New York verwachten dat zijn bezittingen veilig zijn, ongeacht de fluctuaties van de wereldwijde diplomatie. De slogan was ‘miljardairs van de wereld verenigt u’ (in één enkel transnationaal thuisland): een illusie die sindsdien door de Oekraïne-crisis aan flarden is geschoten.

Als het Verenigd Koninkrijk de bezittingen van Russische miljardairs in beslag neemt, waarom zouden andere buitenlandse magnaten dan hun kapitaal in Belgravia beleggen, wetende dat het een doelwit kan zijn als hun land uit de gratie raakt bij de Verenigde Staten? De miljardairs van de wereld beseffen dat hun veronderstelling dat geld niet stinkt, vals is; onder bepaalde omstandigheden stinkt het geld van bepaalde mensen wel degelijk, en behoorlijk ook. De inbeslagname van de buitenlandse reserves van Rusland is nog schokkender geweest. Zoals Adam Tooze in de New Statesman schrijft: ʻHet bevriezen van de Russische centrale bankreserves betekent het oversteken van de Rubicon. Het brengt conflict in het hart van het internationale monetaire systeem. Als de centrale bankreserves van een G20-lid die zijn toevertrouwd aan de rekeningen van een andere centrale bank van de G20 niet onaantastbaar zijn, dan is niets in de financiële wereld dat wél.ʼ Kortom, de oorlog heeft de mondialisering verwond door een verlies van vertrouwen in het primaat van financiën boven politiek teweeg te brengen – naast de materiële problemen van bevoorrading, aanbodketens en grondstoffen.

Het is geen toeval dat de heersende klasse in China het meest nerveus is over dergelijke zaken. De interventie van de Chinese onderminister van Buitenlandse Zaken Le Yucheng op een forum aan de Tsinghua Universiteit, een maand na de Russische invasie, was in dit verband verhelderend. Zijn krachtigste waarschuwing was dat

van de mondialisering geen ʻwapenʼ mag worden gemaakt … China heeft zich altijd verzet tegen unilaterale sancties die noch op het internationaal recht, noch op het mandaat van de Veiligheidsraad gebaseerd zijn. De geschiedenis heeft keer op keer aangetoond dat het opleggen van sancties in plaats van problemen op te lossen, hetzelfde is als ʻbrand blussen met brandhoutʼ en de zaken alleen maar erger zal maken. De mondialisering wordt als wapen gebruikt, en zelfs mensen uit de sport-, cultuur-, kunst- en amusementsgemeenschap worden niet gespaard. Het misbruik van sancties zal catastrofale gevolgen hebben voor de hele wereld.

Het is geen wonder dat China zich opwerpt als paladijn van de mondialisering. Het was de mondialisering die China in dertig jaar tijd tot de op één na grootste economische en militaire macht ter wereld heeft gemaakt. Iedere poging om China in te dammen impliceert een omkering van deze tendens, of op zijn minst een wijziging ervan. (In tegenstelling tot wat algemeen wordt aangenomen, is er niet slechts één mogelijke vorm van mondialisering, maar zijn er vele; de mondialisering kan op verschillende manieren worden gestructureerd, volgens verschillende machtsconfiguraties).

De verkiezing van Donald Trump vormde een keerpunt in deze poging om China te verstikken en tegelijkertijd de mondialisering te vertragen. Die verkiezing moet echter worden gezien als onderdeel van een breder proces, waarin het cumulatieve effect van verschillende gebeurtenissen op een verschuiving in de mondiale evenwichten heeft geduid. De afgelopen zes jaar zijn we getuige geweest van een reeks ʻontkoppelingenʼ van mondiale interfaces en van een uiteenrafeling van transnationale knooppunten. Het presidentschap van Trump, voorafgegaan door de Brexit, werd gevolgd door de Covid-19-pandemie en de oorlog in Oekraïne. In al deze gevallen werd een bepaald aspect van de mondialisering ter discussie gesteld. De Brexit maakte een einde aan de integratie van Europa in de mondiale financiële markten die in Londen zijn gevestigd. Met Trump werden handelsoorlogen – die vroeger als een relikwie uit het verleden werden beschouwd – nieuw leven ingeblazen. Vervolgens ontwrichtte Covid cruciale aanbodketens; en nu heeft het Oekraïense conflict de geografie van de grondstoffenvoorziening op zijn kop gezet, terwijl de impact van het financiële kernwapen nog moet worden beoordeeld.

Het strategische debat in de VS over de manier waarop China moet worden aangepakt werd al aangezwengeld in de nasleep van de crisis van 2008, en ging door tijdens de ambtstermijn van Obama. Onder Amerikaanse beleidsmakers was er geen eenduidig antwoord op de opkomst van China, geen ʻmasterplan van het kapitaalʼ dat de orthodoxe marxisten van weleer zou hebben behaagd. In feite zijn er sinds het opduiken van deze kwestie pro- en anti-mondialistische facties geweest, die beide erkennen dat demondialisering de belangen van veel machtige economische actoren kan schaden en processen op gang kan brengen waarvan de gevolgen moeilijk in te schatten zijn.

Maar als de verkiezing van Trump de Amerikaanse elites ertoe heeft aangezet de wereldorde te heroverwegen, dan was het de pandemie die het gecompromitteerde karakter van de Chinese mondialisering aan het licht heeft gebracht. Het wordt niet vaak opgemerkt dat Covid-19 ruim twee jaar lang is gebruikt om de volledige afsluiting van China van de buitenwereld te rechtvaardigen: een afsluiting die niet meer had plaatsgevonden sinds de Qing-dynastie in de jaren dertig van de negentiende eeuw de invoer van opium trachtte te blokkeren. Het volledige verdwijnen van Chinese toeristen uit andere landen was slechts de meest zichtbare uiting daarvan. Vanuit een bepaald perspectief was Covid het vehikel voor de (althans gedeeltelijke) heroriëntering van Chinaʼs economie naar binnenlandse consumptie; hoewel ook hier slechts een tendens werd benadrukt die al vóór de verkiezing van Trump was begonnen.

De mondialisering, het Chinese handelsoverschot en het Amerikaanse handelstekort worden vaak samengevoegd tot een semi-mythisch verhaal. Dat verhaal houdt in dat China een deel van zijn overschot gebruikt om Amerikaanse staatsobligaties te kopen en zo het handelstekort van de VS – dat wil zeggen de Amerikaanse aankopen in China – rechtstreeks te financieren. Het is een feit dat dit tot 2011 waar was (we zien inderdaad een exponentiële toename van de aankoop van Amerikaanse staatsobligaties door de Chinese centrale bank aan het begin van deze eeuw). Maar het verhaal wordt onderbroken in 2012. Vanaf dat moment is het bedrag aan Amerikaanse staatsobligaties in Beijing niet toegenomen, maar juist langzaam geslonken. Hoewel het land jaarlijks een enorm handelsoverschot blijft opbouwen, is China gestopt met het kopen van nieuwe Amerikaanse obligaties en heeft het de obligaties die het al in bezit heeft slechts gedeeltelijk vernieuwd.

Bijna een kwart (7,6 biljoen dollar) van de Amerikaanse staatsschuld is in handen van derde landen, maar in tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, is de grootste bezitter van Amerikaanse schulden niet China (1,095 biljoen dollar in januari 2022), maar Japan (1,3 biljoen dollar). Olieproducerende landen als Saoedi-Arabië en de VAE zijn evenmin grote kopers van Amerikaanse staatsobligaties; integendeel. Nog significanter zijn de onevenredig grote bedragen die Luxemburg (311 miljard dollar), Zwitserland (299 miljard dollar) en de Kaaimaneilanden (271 miljard dollar) bezitten. Dit duidt erop dat supranationale entiteiten Amerikaanse schulden opkopen met behulp van hun eigen rekeningen in belastingparadijzen. Ter vergelijking: in januari bezaten buitenlanders ongeveer elf procent van de Chinese staatsobligaties, waarvan een kwart in handen was van Rusland. De bezorgdheid over de bevriezing van de Russische reserves door Washington kwam onmiddellijk tot uiting in de waarde van de Amerikaanse staatsobligaties, die in februari hun slechtste maand beleefden door de verhoging van de rentevoeten gekoppeld aan de verkoop (of niet-verlenging). Chinese commentatoren maakten zich onmiddellijk zorgen over de Amerikaanse reserves van het land, omdat zij vreesden dat deze op de lange termijn – indien het conflict met de Amerikanen zou escaleren – hetzelfde lot zouden ondergaan als die van Rusland.

Een monetaire storm is onwaarschijnlijk. Vermoedelijk zal de broekriem geleidelijk worden aangehaald, met weinig plotselinge schokken, om geen ineenstorting van de dollar (of revaluatie van de renminbi) uit te lokken. Toch blijven er breuken in de mondiale financiële betrekkingen bestaan, alsof het weefsel van de mondialisering is gescheurd. Het beste symbool hiervan is het uitgebreide ritueel dat zich ontwikkelt rond de G20-top, die in de herfst op het eiland Bali zal plaatsvinden. Om zout in de wonde te strooien heeft Poetin het idee geopperd om aanwezig te zijn, wat paniek zaait onder de G20-leden van de NAVO, die zijn aanwezigheid zouden moeten tolereren of hem uit de G20 zouden moeten zetten, met het risico dat andere landen, zoals India en Saoedi-Arabië, zich daartegen zouden keren en zich mogelijk ook zouden terugtrekken (vergeet niet dat China, India, Saoedi-Arabië, de Verenigde Arabische Emiraten, Pakistan en veertien Afrikaanse landen, waaronder Zuid-Afrika, zich hebben onthouden van stemming over de VN-motie om Rusland te veroordelen). ‘Geen enkel lid heeft het recht een ander land als lid te verwijderen,’ aldus het Chinese ministerie van Buitenlandse Zaken, ‘de G20 moet echt multilateralisme toepassen, en de eenheid en samenwerking versterken.’

De uitsluiting van Rusland uit de G20 zou alleen mogelijk zijn als die gepaard zou gaan met uitzetting uit de Wereldhandelsorganisatie. Maar dat zou de dood betekenen voor de mondialisering zoals we die hebben leren kennen. Het is duidelijk dat geen van de grootmachten klaar is voor een dergelijke ontkoppeling. De VS lijken steeds onzekerder te worden over de demondialisering, zoals een nostalgisch artikel in Foreign Affairs, ‘The End of Globalization?’, onlangs suggereerde. Laten we niet vergeten dat Biden in november voor tussentijdse Congresverkiezingen staat en een ongekend debacle riskeert (en een opstand binnen zijn eigen partij) als hij die verkiezingen ingaat met een op hol geslagen inflatie en torenhoge brandstofprijzen.

Het probleem dat niemand lijkt te kunnen oplossen, is de overlapping van verschillende tijdshorizonten: maanden van gevechten in Oekraïne; jaren van fallout als gevolg van de sancties; en decennia van een nieuwe wereldorde (waarin de uiteindelijke rol van Rusland een mysterie blijft, met of zonder Poetin). Zeker is dat de Chinese regering alles in het werk stelt om niet getroffen te worden door de ontrafeling van de mondialisering, goed wetende dat zij – veel meer dan Rusland – het echte doelwit van de VS is. Na het telefoongesprek tussen Biden en Xi op 18 maart parafraseerde een presentator op de Chinese staatstelevisie spottend het verzoek van eerstgenoemde aan China: ʻKun je me helpen je vriend te bestrijden, zodat ik me later kan concentreren op het bestrijden van jou?’

---------

*) Marco d’Eramo is een Italiaans journalist. Hij was student van de Franse socioloog Pierre Bourdieu en een van de oprichters van het Italiaanse dagblad Il Manifesto, dat hij in 2012 verliet. Tegenwoordig schrijft hij voor de taz, New Left Review en MicroMega.