'Never mind the economic crisis', zo provoceert George Monbiot in The Guardian (1). "Concentreer u een ogenblik op een meer urgente bedreiging: de grote voedselrecessie die de wereld harder teistert dan de krediet 'crunch'." Dit stuk verscheen oorspronkelijk bij yabasta.be

We kunnen er inderdaad niet meer naast kijken wanneer we zelfs maar een klein beetje het wereldnieuws volgen: de stijgende voedselprijzen en de voedselrellen die daarvan in heel wat landen het gevolg zijn. De wereldgraanoogst brak vorig jaar nochtans alle records. De vraag is dus waar al dat voedsel naartoe gaat. De beschuldigende vinger gaat vandaag - overigens terecht - al snel naar de biobrandstoffen. Zover is ook onze eerste minister al geraakt. Wat echter minder publieke aandacht krijgt is een al veel langer lopend proces dat ook vandaag de belangrijkste oorzaak is van de voedselcrisis: hogere inkomens brengen een verschuiving mee naar diëten die rijker zijn aan vlees en zuivel. En dat is vandaag het geval in opkomende economieën als die van China en India. Deze verklaring keert zich als een boemerang naar de Westerse landen, wanneer blijkt dat ons vleesrijke dieet niet veralgemeenbaar is, ook niet wanneer de nog mogelijke productiviteitsstijgingen in de landbouw worden meegerekend. Dat is een fundamentele knoop die veel verder reikt dan een aantal conjuncturele verklaringen die vandaag en op de korte termijn meespelen.

Of de voedselcrisis een structureel en dus blijvend probleem is hangt af van wat op langere termijn de bepalende factoren van ons voedselsysteem zijn. Volgens Alex Evans (2) spelen vier 'schaarstekwesties' hierin een fundamentele rol. In eerste instantie is het huidige landbouwsysteem gebaseerd op de redelijke beschikbaarheid van goedkope energie, zeg maar 'olie'. Stijgende energieprijzen betekenen dus stijgende landbouwprijzen. En de omzetbaarheid van voedsel in olie verscherpt de band tussen beide alleen maar. Waterschaarste wordt wellicht nog een veel dringender kwestie, in het bijzonder de uitputting van beperkte grondwatervoorraden in een aantal delen van de wereld. Als derde noemt Evans de beschikbaarheid van land voor voedselproductie, en die staat bovendien in competitie met andere functies. De klimaatverandering is misschien wel de meest fundamentele factor. Volgens het IPCC maken extreme weerstoestanden, eerder dan de temperatuursverandering, het grootste verschil uit voor de voedselzekerheid. In tegenstelling tot de Wereldbank die meent dat de voedselprijzen opnieuw zullen dalen wanneer over enkele jaren de voedselvoorraden heropgebouwd zijn, wijzen structurele factoren als deze vier 'schaarstetrends', de groeiende wereldbevolking en de stijgende welvaart, volgens Evans mogelijk op een structurele verschuiving.

Hoe dan ook, voldoende en gezond voedsel voor elke wereldbewoner is een politieke kwestie van eerste orde. Dat voor arme mensen de toegang tot voedsel even belangrijk is als de beschikbaarheid ervan is geen nieuw inzicht. Het is er echter niet minder prangend op geworden. Voedselpolitiek kan dan ook niet los gezien worden van een bredere sociale politiek, in het bijzonder de eerlijke verdeling van inkomens. In dat verband wijst Evans erop dat de ongelijkheid tussen landen (gemeten in BNP-termen) de laatste tijd wel gedaald is, maar dat de ongelijkheid binnen de landen stijgt, en zelfs sterk stijgt in zich ontwikkelende landen. In navolging van Amartya Sen stelt hij dan ook dat politiek beleid gericht moet zijn op de economische macht en de substantiële vrijheid van individuen en families om zich voldoende voedsel te verschaffen, en niet enkel op de totale hoeveelheid voedsel. En dat moet vandaag niet meer binnen één land bekeken worden, maar wel op wereldvlak. "In een situatie van krapte in de voedselvoorziening (...) kunnen we duidelijk in een situatie belanden waarin relatieve ongelijkheid absolute gevolgen kan hebben voor de armen van de wereld, en waarin een opkomende globale middenklasse onachtzaam voedsel neemt boven de koopkracht uit van de armste mensen van de wereld. Eerlijk gezegd, we zijn daar wellicht al." Dergelijke uitspraak plaatst ook de bij ons lopende discussie over verhoging van de 'koopkracht' in een ander daglicht. Zonder afbreuk te willen doen aan het belang daarvan voor de minder begoeden, zou ik daarom toch eerder aansluiten bij de oproep tot 'rijkdombestrijding'.

Evans pleit in ieder geval voor een ander denkkader. Het voedselprobleem vraagt om een meer politiek accent. Een 'Malthusiaans' verhaal komt daarbij niet in aanmerking. Dat houdt het risico in van een 'self-fulfilling prophecy', en is op zijn manier even deterministisch als het beeld van de 'hoorn des overvloed' met zijn boodschap van onuitputtelijkheid. Een nieuw verhaal moet de mogelijkheid ondersteunen van nieuwe allianties en coalities die de politiek aangaan van de verandering van het voedselsysteem. Daartoe lijkt voor Evans het concept 'voedseldemocratie' een bruikbaarder kader te bieden dan 'voedselzekerheid'. De vraag is dan welke richting dergelijk nieuw voedselsysteem moet uitgaan. Is het nog meer ruimte laten aan de vrije markt het juiste antwoord, zoals sommigen nog steeds beweren?

Dat brengt me bij Vandana Shiva die in een interview met MO* (3) stelt dat de globalisering van de voedselmarkt een grote vergissing is. Die geeft teveel speelruimte aan grote ondernemingen genre Cargill. Die voeren o.a. een speculatieve politiek waarbij grote hoeveelheden graan en rijst worden opgekocht, en waardoor de zo gecreëerde schaarste de voedselprijzen doet stijgen. De grote monopolies liggen aan de basis van de paradox dat in onze wereld het net boeren zijn die honger lijden, en bij momenten zelfs massaal zelfmoord plegen. Het bevorderen van de globalisering in de landbouw is volgens Shiva een vals beleidsparadigma. "Dit model kost mensenlevens en moet dringend herbekeken worden. Het is crimineel, een genocide." Ook het pleidooi voor een tweede 'Groene Revolutie' is daarbij een dwaalspoor. Dat is immers gebaseerd op een industrieel model van intensieve landbouw, waarbij dan o.a. soelaas verwacht wordt van de inzet van ggo's. "Het industriële intensieve model van landbouw en veeteelt is verantwoordelijk voor 25 procent van de broeikasgassen. In een periode van globale opwarming kan je niets dwazer doen dan een landbouwmodel van monocultuur met chemische meststoffen." En ook de keuze voor biobrandstoffen maakt inherent deel uit van dit model.

"Food First!" is voor Shiva het enige duidelijke criterium waaraan landbouw moet voldoen. Daarbij is het voeden van de wereldbevolking geen hopeloze opdracht. Tegen de industrieel geborneerde blik van de doorsnee Westerse mens in, blijkt uit studies van de FAO en de Wereldbank dat kleinschalige en familiale landbouw wel degelijk daartoe in staat is. Het is dus geen wishful thinking wanneer Vredeseilanden op zijn website kopt: "Boeren redden de wereld" (4). "In de wereld leven 2,5 miljard mensen van de landbouw, boeren, boerinnen en hun kinderen. Zij zijn perfect in staat om de wereld van voldoende voedsel te voorzien. Overal waar boerenfamilies over voldoende en goede grond beschikken en over de middelen om te investeren in een productieve landbouw, leveren zij ronduit schitterende prestaties."

Terugblikkend op deze tekst zie ik twee grote opdrachten. Er dient structureel gewerkt te worden aan een duurzaam voedselsysteem en dat vraagt om politieke actie. Maar los daarvan kunnen wij, die aan de betere kant van de tafel zitten, ook persoonlijke stappen zetten door zorgvuldiger te kiezen wat er op ons bord komt. Minder vlees maakt mee ruimte vrij voor wie nu geen eten heeft. Of hoe op het vlak van voeding het persoonlijke duidelijk politiek is.

 

------------

1. George Monbiot, 'Credit crunch? The real crisis is global hunger. And if you care, eat less meat'.

2. Alex Evans, 'Rising Food Prices. Drivers and Implications for Development'  (bron, pdf)

3. 'Het speculatieve kapitaal krijgt een steeds grotere impact in de landbouw', interview met Vandana Shiva .

4. 'Boeren redden de wereld - de echte groene revolutie' biedt een dossier over deze kwestie (bron)