Een bespreking van het boek Schone Schijn; Smerige streken in de strijd tussen burgers en bedrijven.


Ook deze recensie verscheen oorspronkelijk in het kwartaalblad Buiten de Orde

In 2000 doopte de oliegigant BP Amoco zich om in 'bp', met als slogan 'beyond petroleum' ("de benzine voorbij"). De nieuwe merknaam maakte deel uit van een poging om BP neer te zetten als een ernergiebedrijf, niet zomaar een oliefirma, maar een dat ook zonne-energie in zijn portefeuille had en bereid was van de olie af te stappen. BP verving zijn logo door een vrolijke zonnebloem en de benzinestations in Groot-Brittannië, de VS en Australië werden 'bp connect' gedoopt en van zonnepanelen voorzien. Het was niet de eerste keer dat BP zijn logo en uiterlijk aanpaste. In 1997 stapte BP uit de Global Climate Coalition (GCC) een groep van bedrijven en vakorganisaties die beweerde dat klimaatverandering onbewezen was en acties ertegen ondernemen dus overbodig zou zijn.
Maar liep BP nu ineens voorop op milieugebied, of probeerden ze vooral om de aandacht af te leiden van de slechte cijfers gehaald op het gebied van mensenrechten? In Colombia werden BP's olie-operaties in toenemende mate doelwit van acties van verzetsgroepen, die vonden dat de olie-industrie genationaliseerd moest worden. Om haar installaties te beschermen ging BP over tot betalingen aan het Colombiaanse Ministerie van Defensie, dat een speciale brigade instelde die bijgestaan werd door de politie. Amnesty kritiseerde deze diensten om hun banden met rechtse paramilitairen.
De pr-strategie die BP hanteerde wordt wel greenwashing genoemd, en het is een van de vele tactieken die momenteel gebruikt worden door bedrijven om hun critici onderuit te halen. Deze tactieken worden beschreven in het door Eveline Lubbers samengestelde boek Schone Schijn (de oorspronkelijke Engelse editie heet Battling Big Business).

Zoals Lubbers zelf schrijft in een inleiding is het doel van het boek om "de bedrijven aan de kaak te stellen die zich voordoen als ethische ondernemingen, terwijl ze tegelijkertijd hun toevlucht nemen tot een heel pakket smerige streken. Ik wil mensen op die verborgen agenda attenderen en ze ervan doordringen dat vrijwel elke PR-handeling en ieder contact tussen bedrijven en hun stakeholders een strategische component heeft." De negentien essays in het boek, geschreven door uiteenlopende onderzoekers, activisten en journalisten, slagen er bij elkaar in om zowel het grotere kader te schetsen als concrete voorbeelden te geven van streken van het bedrijfsleven, terwijl er ook nog uitgebreid ingegaan wordt op de vele manieren die er zijn om bedrijven het hoofd te bieden.

Meer greenwashing

Met de introductie van greenwashing zagen de public relations-bedrijven hun rol en macht in de geglobaliseerde economie toenemen. In feite zitten zij achter bijna elke bedrijfsstrategie om te voorkomen dat hun imago aangetast worden door critici. En zoals op verschillende plekken in het boek kunnen lezen, is het een zeer lucratieve bedrijfstak.
In zijn artikel De Opmars van Greenwash, gaat Andy Rowell dieper in op een bepaalde strategie: samenwerking aangaan met milieu-organisaties of zich voor geld een plek verschaffen in de leiding daarvan. Dat is precies wat er gebeurde toen het Wereld Natuur Fonds (WNF) in 1990 een project begon samen met Chevron in Papua Nieuw Guinea. Het WNF raakte uiteindelijk betrokken in een schandaal rond illegale houtkap, en werd ervan beschuldigd Chevron te hebben geholpen om het imago op te krikken van een olie-project dat zeer schadelijk was voor het milieu en de lokale samenleving.
Naar mijn mening is deze tactiek over het algemeen zeer schadelijk voor oppositionele groepen. Of zoals Danny Kennedy van de organisatie Project Underground het stelde: "Dit moet een waarschuwing zijn voor alle milieu-organisaties en hun leden die verwachten dat ze zonder compromissen kunnen samenwerken met machtige bedrijven".

Discussier, verdeel en heers

Op aanraden van pr-adviseurs zijn bedrijven ook de dialoog met de oppositie aangegaan. Dit heeft opnieuw weinig te maken met de wens om meer openheid te betrachten. Het is eerder een methode om de critici naar hun kant te lokken en conflicten en slechte verhalen in de media te voorkomen. En vooral om wig te drijven tussen de 'hervormers' en de meer 'radicalen' in het kamp van de tegenstanders. Of anders gezegd: degenen die een stoel aan de tafel dienen te krijgen versus degenen die buitengesloten en gemarginaliseerd moeten worden. Zo kunnen we in het door Olivier Hoedeman en Ann Doherty geschreven hoofdstuk Eendracht maakt macht: het tegenoffensief na Seattle lezen dat vooral Europese bedrijven lijken te zijn die deze strategie zijn gaan benutten tegen globaliseringscritici.

Aanklagen en spioneren

Een van de meeste bekende voorbeelden van smerige bedrijfsstreken is die rechtszaak die de McLibel-zaak is gaan heten. In 1986 maakten activisten van London Greenpeace (geen onderdeel van het grote Greenpeace) een pamflet met de kop "Wat is er mis met McDonald's? Alles dat ze niet willen dat je weet". Het pamflet kaartte zo'n beetje alle aspecten van het bedrijf aan, van productie-methoden tot arbeidsomstandigheden en de reclame. McDonald's besloot vijf activisten voor het gerecht te slepen en eiste dat ze óf zouden bewijzen dat elke bewering in het pamflet waar was, óf in het openbaar excuses zouden aanbieden. Helen Steel en David Moris besloten om de strijd aan te gaan. De rechtszaak openbaarde hoe ver het bedrijf bleek te gaan om informatie te verkrijgen over de kleine groep. De meeste activisten houden er wel mee dat ze gevolgd en bespioneerd kunnen worden: door de staat en de politie. Maar in dit geval was het een bedrijf dat privé-detectives inhuurde om het vuile werk te doen: infiltreren, volgen, inbreken en stelen. Tenminste zeven spionnen werden de groep ingestuurd, zonder dat ze het van elkaar wisten afkomstig van twee verschillende recherchebureaus. In het kielzog van de rechtszaak werd een film gemaakt en een website opgebouwd (McSpotlight) die wijslijk niet door McDonald's aangeklaagd werden.

Na een heel stel van dit soort voorbeelden word je als lezer (ik tenminste wel) steeds woedender. Natuurlijk wist ik wel dat zulke dingen gebeurden. Maar als je ze zo in detail voorgeschoteld krijgt uit alle uithoeken van de wereld en tegen vele uiteenlopende organisaties, is het niet genoeg om dat alleen te weten. Dat moet Eveline Lubbers ook gedacht hebben, want het tweede deel van het boek is besteed aan de strategieën die voorhanden zijn om smerige bedrijfsstreken te bestrijden. En het goede nieuws is dat dat er veel zijn.

Onderzoek

Een van de belangrijkste conclusies die het boek trekt, is dat effectieve en diepgaande onderzoeksjournalistiek zeer noodzakelijk is. Natuurlijk zijn er een paar organisaties die zich daar op toegelegd hebben, zoals Corporate Europe Observatory (CEO) en CorpWatch. Maar er zouden veel meer van dat soort clubs moeten zijn en ze zouden ook een groter bereik moeten hebben.
Nicky Hager is een onderzoeker en schrijver in Nieuw-Zeeland. Van zijn hand is een nuttig artikel waarin een tegencampagne van het grootste houtkapbedrijf van het land uit de doeken wordt gedaan. Hij geeft praktische tips die journalisten en activisten kunnen benutten om informatie boven tafel te krijgen over de vuile streken van bedrijven.

Onderzoek kan essentieel zijn als het gaat om het onthullen van zogenaamde astroturfs. Dat zijn imitatie grassroots-organisaties door bedrijven opgezet en het strijdperk ingestuurd tegen hun critici. Zo lukte het Duitse activisten en ngo's om twee astroturf-campagnes te ontmaskeren door goed te kijken naar de initiatiefnemers en degenen die er geld instaken. Het ging om de Waste Watchers (die campagne voerden tegen recylcing en voor de bouw van vuilverbrandingsovens - betaald door de verpakkingsindustrie) en de Organisatie voor Bescherming van het Landschap (die de bouw van windmolens wilde stoppen - betaald door elektriciteitsbedrijven met belangen in kernenergie).

Op het net

Internetactivisme zoals virtuele sabotage is ook een belangrijke methode gebleken voor activisten. Internet is ook belangrijk als middel om te organiseren, netwerken te creëren en zaken naar buiten te brengen. Geert Lovink stelt in Schone Schijn dat "het de taak van actievoerders [is] om verder te gaan dan alleen het gebruikersniveau en vraagtekens te zetten bij de werking van net-subjectiviteit." Met projecten zoals de vele Indymedia-websites, zijn activisten erin geslaagd om "informatie publiek te maken die publiek zou moeten zijn" en het gebruikersniveau van internet te overstijgen door de introductie van het concept van open publishing en het motto "wees de media". Maar nu zou "net-activisme haar basis moeten hebben in real life campagnes en die ook moeten promoten, hetzij door ondersteunende informatie te verschaffen of door er de aandacht voor te trekken door verrassende, onthullende interventies". En de beste manier om dat te bereiken zou zijn om techneuten, activisten en kunstenaars te laten samenwerken, zoals gebeurde met de McSpotlight website, of zoals de Yes Men deden door het maken van een namaakversie van de website van de WTO.

Blijven verrassen

In de strijd tegen neoliberale globalisering was internet een belangrijk wapen voor het organiseren van de grote demonstraties zoals we die zagen in Seattle, Praag, Nice, Quebec Genua enzovoorts. Het werd benut bij de plannenmakerij, voor het uitwisselen van informatie, mobiliseren en de thematiek in de media te brengen. Maar het was zeker niet de enige factor die het succes van de protesten verklaart, zoals Kees Hudig analyseert in zijn hoofdstuk "Operatie blokkade: lessen uit Seattle". Deze protesten waren in feite "bijzonder complexe operaties waaraan maanden van hard werken waren voorafgegaan. Ze konden alleen slagen dankzij slimme organisatie die uitging van een decentraal concept". Maar de escalatie van politiegeweld in Gotenburg en Genua in 2001 heeft ons genoodzaakt om deze strategieën te herzien. Er is nog geen duidelijk antwoord op gevonden, maar er wordt veel over gediscussieerd en veel van de tegenstrategieën die in het boek beschreven worden, worden gebruikt door de netwerken tegen neoliberale globalisering. De uitdaging is om "verrassend voor de dag te blijven komen en zand in de machine te gooien".

Een deel van het antwoord kan gevonden worden in communicatie-guerrilla-tactieken, die precies mikken op het afbreken van het idee dat het om "wij tegen hen" zou gaan. Zoals de autonome a.f.r.i.k.a. gruppe het stelt: "Door te spelen met de discoursen en de representaties van macht, in plaats van daar bot op in te hakken, kunnen activisten de publieke ruimte opnieuw inrichten en het machtsvertoon omvormen tot een decor voor hun eigen boodschap". Geïnspireerd door de praktijken van dada, de situationisten, de provo's en de Amerikaanse Yippies, baseert communicatieguerrilla zich voornamelijk op twee principes: Detournement (het aantasten van de betekenis van beeld of tekst) en over-identificatie. Dat laatste benut het feit dat elke ideologie een verborgen keerzijde heeft, een taboe. Over-identificatie houdt in dat "die verborgen keerzijde wordt verwoord in de taal van de macht, duidelijker dan de tegenstanders zelf dat doen, maar met volmaakte imitatie van hun toon en uiterlijk van hun symbolen". Een goed voorbeeld is de anti-uitzettingscampagne van het Autonoom Centrum tegen KLM en van Kein Mensch ist Illegal tegen Lufthansa.

Bij elkaar zijn de verschillende contribuanten aan Schone Schijn geslaagd in het tweede doel van het boek: "onafhankelijke journalistiek ten bate van de campagnes van actievoerders inspireren, zowel door een spreekbuis te vormen voor onderzoeksactiviteiten en analyse, als door aan te zetten tot een speurtocht naar nieuwe manieren om de boodschap over te brengen." Op redactioneel gebied had er misschien wat meer ingegrepen kunnen worden om wat herhalingen in de tekst te voorkomen, maar wellicht is dat onvermijdelijk bij dergelijke collectieve publicaties.

Schone Schijn, Smerige streken in de strijd tussen burgers en bedrijven (Fagel 2002)
Evelien Lubbers
Website boek: http://www.evel.nl/pandora/schoneschijn.htm



(Dit artikel was oorspronkelijk op GlobalInfo gepubliceerd door Marie-Eve Lamy.)