In de afgelopen eeuw heeft het kapitalisme meerdere malen zijn slechtste eigenschappen laten zien: instabiliteit en ongelijkheid. Periodes van instabiliteit waren de grote depressie (1929-1941) en de grote recessie sinds 2008, plus elf inzinkingen tussen de twee mondiale inzinkingen. Iedere keer gingen miljoenen banen verloren, nam de armoede toe en werden op grote schaal middelen verkwist. Leiders beloofden dat hun ‘hervormingen’ instabiliteit voortaan zouden voorkomen. Die beloftes klopten niet. Hervormingen werkten niet of werden afgezwakt. Het systeem was en blijft het probleem.

(Door Richard D. Wolff, eerder verschenen op truthout.org, vertaling Tijn van Beurden)

Tegelijkertijd bleek ook toenemende ongelijkheid inherent aan het kapitalisme. Die trend kon alleen af en toe en tijdelijk worden tegengehouden of doorbroken door tegenstand van de benadeelden. Inkomens- en vermogensongelijkheid zijn in elk kapitalistisch land verergerd sinds eind jaren zeventig. We zijn nu terug bij de grote 19e eeuwse kloof tussen de rijkste 1 procent en de rest. Het redden van de ‘verdwijnende middenklasse’ wordt gepredikt door iedere ambitieuze politicus. Extreme ongelijkheid besmet de hele samenleving omdat ondernemingen en rijken hun positie beschermen door het omkopen van politici en massamedia die zich daar voor lenen.

Recente crises in de geschiedenis van het kapitalisme

Het kapitalisme in West-Europa, Noord-Amerika en Japan - de oorsprongscentra - heeft op vier manieren zijn winsten sinds de jaren zeventig vergroot. Allereerst werden computers en robots ingevoerd, niet om ieders werk te verlichten, maar om de winsten te vergroten door de lonen te drukken. Twee; laag betaalde immigranten werden gebruikt om loonsverhogingen, die door jarenlange strijd tot stand waren gekomen, teniet te doen. Drie; productie werd verplaatst naar lage lonenlanden zoals China, India, Brazilië. Vier; vakbonden, politieke groeperingen en andere organisaties die de arbeidersbelangen behartigden, werden verzwakt en verdeeld. Met als gevolg dat in bijna ieder land van het mondiale kapitalistische systeem, de rijk-arm kloof werd vergroot.

De grote depressie lokte economische hervormingen uit, zoals de New Deal van Franklin D. Roosevelt. Daarbij werd onder meer regelgeving ingevoerd waarmee riskant bankieren en andere risicovolle praktijken werden ingeperkt. Onder hervormende regeringen kwamen ook publieke pensioenen, werkloosheidsverzekeringen, publieke werkvoorzieningen, en minimum lonen tot stand. Verder namen ze monetaire en fiscale maatregelen. Hun aanhangers geloofden dat zulke hervormingen de depressie van de jaren dertig zouden beëindigen en komende depressies voorkomen. Kritiek van tegenstanders die stelden dat depressies bij het systeem hoorden en dus systeemverandering (of ‘revolutie’) de oplossing was, werd van de hand gewezen. ‘Revolutie of reformisme’ was toen een fel debat.

In de VS versloegen reformisten de revolutionairen toen de voorbereiding op de oorlog - en daarna de oorlog zelf - uiteindelijk de grote depressie beëindigde. Toen het kapitalisme na 1945 weer aan kracht won, omzeilden de kapitalisten in toenemende mate de hervormingen uit de depressiejaren. Daarbij maakten ze gebruik van hun groeiende rijkdom om de politieke invloed te kopen die nodig was om talrijke hervormingen de nek om te draaien. Later leidde Reagan de frontale aanval, bekend onder de benamingen ‘globalisering’ en ‘neoliberalisme’, om de New Deal ongedaan te maken. Toen het terugdraaien van de hervormingen culmineerden in de crisis van 2008, werd de kapitalistische instabiliteit en ongelijkheid weer zichtbaar.

De steeds maar voortdurende crisis van 2008 heeft dezelfde gevolgen als die van 1929: armoede en het reformisme-revolutie debat. Het verschil deze keer is dat we weten wat er de laatste keer gebeurde. Ofschoon de reformisten toen de revolutionairen versloegen, waren hun hervormingen niet in staat de instabiliteit van het kapitalisme, zijn ongelijkheid en schadelijke sociale gevolgen te verhinderen. Reformisten prijzen nu hetzelfde (of een iets gewijzigd) pakket hervormingen aan als de laatste keer. Dat betekent dus dat ze weigeren iets te leren van onze geschiedenis. Het revolutionaire alternatief is nu meer op de plaats. ‘Revolutionair’, hoeft men echter niet te verbinden met de romantische beelden van barricades en bestormingen: Revolutionair betekent de erkenning dat systeemverandering onze primaire taak is en niet een of andere hervorming.

Systeemverandering

Wat is het verschil tussen hervormingen en systeemverandering? Hervormingen hebben betrekking op regeringsbesluiten waarbij werkgevers nog steeds het exclusieve recht behouden om de gewone bedrijfsbeslissingen te nemen: wat, hoe en waar geproduceerd wordt en wat er met de winst wordt gedaan. Bij hervormingen gaat het om minimumloon wetgeving, herverdelende belastingstructuren en ondernemingen die in handen zijn van de overheid en ook door haar worden bestuurd. Daarbij zijn verschillende variaties mogelijk: de milde Keynesiaanse variant (de New Deal), de sociaaldemocratische versie (wat we bij het Scandinavisch model zien) tot het staatssocialisme (het model van de USSR en de volksrepubliek China). Al die hervormingen behouden de basis structuur in ondernemingen van directie-werknemer, met private of publieke directeuren die de arbeiders controleren en de belangrijkste ondernemingsbesluiten nemen.

Systeemverandering daarentegen betekent dat de wezenlijke intermenselijke betrekkingen in de fabrieken, kantoren en winkels die deel uitmaken van de economie worden gereorganiseerd. Die betrekkingen verbinden alle personen die deelnemen aan de productie en verdeling van goederen en diensten. Ze bepalen (1) wie wat, waar en hoe produceert; (2) hoeveel surplus of winst beschikbaar is; (3) hoe het surplus of de winst wordt gebruikt.

Echt buiten het kapitalisme gaan betekent het breken met de directie-werknemer relatie. Het betekent dat niet langer een relatief klein aantal personen in elke onderneming benoemd wordt om als directie de exclusieve besluiten te nemen die hiervoor werden beschreven. In privé-ondernemingen wordt de directie benoemd door de belangrijkste aandeelhouders. In staatsbedrijven of publieke ondernemingen in de traditionele socialistische economie zijn de directeuren staatsambtenaar. In beide gevallen zullen bij een systeemwijziging andere verhoudingen worden ingevoerd in ondernemingen. Een andere groep mensen - al de werkers in een bedrijf, kantoor of winkel - zal die zelfde besluiten democratisch nemen. Besluitvorming zal gebeuren via het ‘een werker, een stem’ principe, waarbij de meerderheid beslist. Het verschil tussen directie en werknemer vervalt.

Een dergelijke systeemverandering buiten het kapitalisme betekent meer dan verplaatsing van private naar de publieke directie, wat een hervorming is. Systeemverandering brengt democratisering van de werkomgeving met zich mee. De kern van het economische systeem is dan niet langer kapitaal-georiënteerd. Die wordt vervangen, net als de eerdere slaaf-meester relatie en de feodale verhouding (heer-horige). In plaats daarvan zal de post-kapitalistische relatie werkers-georiënteerd zijn, met als centraal model de werkerscoöperatie.

In een economie die gebaseerd is op democratische werkerscoöperaties wegen baanzekerheid, levenskwaliteit van de werkers en reproductie zwaarder dan ondernemingswinst. Omdat meerdere personen de belangrijkste besluiten nemen en omdat die personen onderling verschillende doelen hebben, zal de post-kapitalistische samenleving zich heel anders ontwikkelen dan de kapitalistische. Democratische werkerscoöperaties zullen waarschijnlijk geen overzeese vestigen hebben, inkomens veel minder ongelijk verdelen dan een kapitalistische onderneming en geen ecologisch schadelijke technologieën toepassen in het gebied waar hun gezinnen en buren wonen.

Als werkerscoöperaties worden geconfronteerd met een dalende vraag naar hun product, zullen ze waarschijnlijk minder arbeidsuren voor alle werkers verkiezen boven de werkloosheid van enkele collega’s. De nodeloze sociale irrationaliteit van kapitalistische productiedalingen, met werkloze arbeiders, ongebruikte productiecapaciteit en onvervulde sociale behoeftes, zal veel duidelijker zijn te zien en daarom ook minder geaccepteerd worden.

In een economie die gebouwd is op werkerscoöperaties, zullen kinderen, gepensioneerden, gehandicapten, zieken en anderen die buiten het arbeidsproces vallen, worden onderhouden door het ‘surplus’ van de coöperaties. Dat ‘surplus’ bestaat uit hetgeen de coöperatie produceert dat uitkomt boven de eigen consumptie en vervanging van versleten productiemiddelen. Volwassenen (coöperatieleden en niet-coöperatieleden) zullen samen democratisch bepalen hoe het surplus wordt gedistribueerd, dus wie wat ontvangt. Zij beslissen over hoeveel van het surplus gaat naar productietoename, reserveringen voor toekomstige onvoorziene gebeurtenissen, voorzieningen voor kinderen, personen die in sociale instellingen verblijven, enz. In plaats van kapitalisten (een sociale minderheid), die de geproduceerde surplussen verdelen die door hun werkers worden geproduceerd en ontnomen, bepaalt een echte democratie die verdeling, net als de besluitvorming van werkerscoöperaties. Werkerscoöperaties betekenen een kwalitatieve en kwantitatieve vooruitgang boven het kapitalisme. Ze zijn onderdeel van een systeemverandering die geschikt is om belangrijke problemen op te lossen die het kapitalisme zelfs na eeuwen niet heeft kunnen oplossen.