Steden staan al eeuwenlang gekend als progressieve bastions, waar mensen die sociaal en politiek onderdrukt worden een thuis vinden. In 2020 halen ze op een andere manier het nieuws: de coronacrisis maakt pijnlijk zichtbaar hoe sociale ongelijkheden in onze steden, huizen en buurten zijn ingebouwd. Leslie Kern, auteur van het boek Feminist City, onderzoekt waarin steden tekortschieten en hoe een meer gelijke stad eruit kan zien.

(Door Selma Franssen, oorspronkelijk verschenen op DeWereldMorgen, foto: Mitchel Raphael)

Leslie Kern, universitair hoofddocent geografie en milieu en directeur vrouwen- en genderstudies aan de Mount Allison Universiteit in Sackville, Canada, verbaast zich er niet over dat steden juist tijdens een gezondheidscrisis hun zwaktes tonen. In haar boek Feminist City, dat Kern schreef voor de pandemie en dat in juli 2020 uitkwam, betoogt ze dat steden wereldwijd zo ingericht zijn dat economische functies op de eerste plaats komen, terwijl welzijn een bijzaak is.

In de publieke ruimte uit zich dat onder meer in een gebrek aan bankjes, openbare toiletten en drinkwaterkraantjes en in de obstakels die mensen met rolstoel of kinderwagen in het openbaar vervoer tegenkomen. “Deze manier van stadsplanning is een gevolg van hoe de bredere samenleving naar zorgtaken kijkt: werken in de zorg kent een lage status en lage lonen,” zegt Leslie Kern. “De coronacrisis duwt ons nu met de neus op de feiten. Zorg is het werk dat de rest van de economie mogelijk maakt. Zonder zorg zijn we nergens en landen die erop besparen, bouwen hun economie op een zwak fundament.”

Meer waardering voor zorgtaken

Volgens Kern is de hamvraag van dit moment dan ook: hoe kunnen samenlevingen zorg en welzijn meer waarderen? De lage status van zorgwerk heeft niet alleen tot gevolg dat steden er niet op ingericht zijn, maar leidt er ook toe dat mannen dit werk minder snel op zich nemen, zowel binnen- als buitenshuis. Ook dat speelde op tijdens de lockdowns: het coronaverlof, dat ouders van kinderen onder de 12 jaar wat ademruimte moest geven, werd – nog meer dan regulier ouderschapsverlof – vooral door vrouwen opgenomen. In september was hun aandeel zelfs 75 procent. “Dat geldt niet alleen voor België. Zelfs in Scandinavische landen, die worden gezien als gidslanden op vlak van gendergelijkheid, tonen de eerste onderzoeken dat vrouwen tijdens de lockdowns meer dan een gelijk aandeel deden in het huishouden”, zegt Kern.

Tegelijkertijd kwamen er door het virus meer zorgtaken bij, van thuisonderwijs tot het ontsmetten van ruimtes, naaien en wassen van mondmaskers. Ook gingen meer mensen op hun gezondheid letten, daarin aangemoedigd door overheden. In de strijd tegen corona lanceerde onder meer Groot-Brittannië een overheidscampagne om obesitas tegen te gaan.

Kern heeft haar bedenkingen bij de manier waarop verantwoordelijkheden bij individuele burgers gelegd wordt, zeker wanneer zorgtaken zo gegenderd blijven. “Vrouwen en in het bijzonder moeders worden nog te vaak gezien als verantwoordelijk voor de gezondheid en het dieet binnen gezinnen. Zulke campagnes leiden tot meer zorgtaken in huis, zeker in wijken waar gezond eten minder beschikbaar en betaalbaar is”, zegt Kern. “Wanneer burgers aangespoord worden gezonder te eten, moet dat samengaan met beleid dat dit voor iedereen mogelijk maakt, zonder de verantwoordelijkheid vooral op vrouwen te steken. Dat was in Groot-Brittannië niet het geval. De Britse overheid wilde zelfs de gratis schoolmaaltijden, waar kinderen in armoede van afhankelijk zijn, niet blijven garanderen tijdens de lockdowns.”

Vriendschap als bouwsteen van steden

Kern pleit ervoor om onze definitie van zorg te verbreden en daartoe óók het onbetaalde werk te rekenen dat mensen verrichten voor hun gemeenschap en vrienden. Het belang van zulke zorgnetwerken is in veel landen onderschat toen in het voorjaar de eerste lockdownregels werden uitgetekend. Ook in België gebeurde dat op maat van kerngezinnen, terwijl bijna de helft van huishoudens in ons land bestaat uit alleenwonenden of alleenstaande ouders. In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gaat het zelfs om 58 procent van de huishoudens.

“Wie alleen woont, voorziet op andere manieren in de behoefte aan zorg en welzijn”, zegt Leslie Kern. “Daar is weinig aandacht voor in ruimtelijke ordening: woningen worden vooral gebouwd voor standaardgezinnen. Voor vrienden die willen samenwonen zijn er weinig mogelijkheden en vaak zit regelgeving in de weg. Het maakt vriendschappen minder zichtbaar, waardoor ze gemakkelijker in een ondergeschikte categorie geduwd worden. De  eerste lockdownmaatregelen weerspiegelden dat: die gingen ervan uit dat burgers hun contacten met vrienden meteen moesten en konden laten vallen.”

Terwijl contacten werden beperkt tot het gezin, namen oproepen naar Europese hulplijnen voor huiselijk geweld met maar liefst 60 procent toe. Dat kwam omdat daders en slachtoffers samen binnen moesten blijven, maar ook omdat huiselijk geweld kan floreren als er geen contact is met vrienden, zegt Kern. “Vrienden zijn een belangrijk vangnet: ze kunnen problemen opmerken, slachtoffers steunen en ingrijpen. Als mensen uit een situatie van huiselijk geweld weggaan, dan hebben ze steun nodig van vrienden, familie en hulpverleners.”

Stad onder hoogspanning

Niet alleen binnenshuis, maar ook in de openbare ruimte nam de druk in steden toe. Terwijl horeca, winkels, cultuurcentra en sportclubs sloten, werden parken en pleinen de plekken om te sporten, ontspannen en socializen. Maar zijn deze ruimtes daar wel op ingericht? “Om te beginnen zijn er meestal geen openbare toiletten, en als ze er zijn, dan zijn het vaak pissoirs voor mannen. Dat limiteert al wie er naar buiten gaat en hoe lang”, zegt Kern. “Daarnaast voelen mensen van kleur zich er niet altijd op hun gemak: ze worden met achterdocht bekeken in publieke ruimtes en kunnen geconfronteerd worden met identiteitscontroles en politiegeweld. Er is nog een hele weg te gaan om deze ruimtes zo inclusief mogelijk te maken – het is een van de factoren die maakte dat er afgelopen zomer wereldwijd mensen op straat kwamen voor Black Lives Matter.”

De coronacrisis zou wantrouwen onder burgers verder aanwakkeren, stelt onder meer een rapport van Unia. Volgens het rapport bestaat er een sterke neiging om zondebokken aan te wijzen, waar vooral mensen met Aziatische roots, jongeren, ouderen en mensen van buitenlandse afkomst in het algemeen last van hebben. “Covid-19 noodzaakt ons om afstand te houden en strikte hygiëneregels na te leven, waardoor mensen extra op hun hoede zijn in de openbare ruimte. Die angst komt bovenop een onveiligheidsgevoel dat al aanwezig was en waar stadsplanning aan bijdraagt”, zegt Kern. “Private beveiliging in steden is de afgelopen jaren toegenomen in de vorm van hekken, bewakingscamera’s, bewakingsbedrijven … Dat vertelde ons al dat we elkaar niet moeten vertrouwen, in plaats van ons verantwoordelijk te voelen voor elkaar.”

Feministische stadsplanning

In Feminist City gaat Kern op zoek naar manieren om steden meer gelijk te maken. Ze ziet een feministische kijk op stadsplanning als deel van de oplossingen: een door gemeenschappen geleid proces dat rekening houdt met hoe mensen van verschillende genders, klassen, leeftijden, huidskleuren en met fysieke beperkingen de stad ervaren. “Feministische stadsplanners stellen de vraag: hoe zou de stad eruitzien als we de behoeften en ervaringen centraal stellen van de mensen die nu het vaakst worden uitgesloten van stadsplanning en de publieke ruimte?”, zegt Kern.

Dat dit nu nog niet de norm is, komt deels voort uit het feit dat studie- en beroepsrichtingen als architectuur, burgerlijk ingenieur en ruimtelijke ordening erg homogeen zijn en maar een beperkte waaier aan ervaringen vertegenwoordigen. Ook is de inrichting van steden een afspiegeling van ongelijke maatschappijen, zegt Kern. Tot slot past beleid zich traag aan aan de demografische veranderingen die zich in steden voltrekken. “Een overheid die andere relaties dan het traditionele kerngezin erkent en meer opties creëert om samen te leven, te co-housen en co-ouderschap aan te gaan, moet veranderingen doorvoeren op het gebied van belastingen, zonering in steden, wetgeving over wie samen een huis kan bezitten of voogdij over kinderen kan hebben … Dat vergt een geïntegreerde aanpak en dat kost tijd. Het helpt niet dat politici in heel wat landen, van de VS tot Polen, om politieke en religieuze redenen vasthouden aan traditionele familienormen, ook al zien de levens van burgers er in de praktijk er heel anders uit”, zegt Kern.

Terug naar normaal?

We hoeven steden niet plat te gooien en vanaf de grond herop te bouwen om ze meer gelijk te maken, zegt Kern: veel oplossingen zijn al bekend en relatief snel uitvoerbaar. Ze verwijst naar de vele initiatieven die dit jaar gelanceerd werden om in te zetten op leefbaarheid in steden.

Parijs presenteerde een ov-plan waarmee inwoners zorgfaciliteiten, werk, cultuur en winkels binnen 15 minuten kunnen bereiken, zonder auto. De 15-minuten-stad faciliteert niet alleen lineaire verplaatsingen van werk naar huis, maar houdt ook rekening met vervoer van en naar scholen, kinderopvang, zorgcentra, winkels … en dient zo de activiteiten van veel meer inwoners. Andere steden, waaronder Barcelona, Detroit, Londen, Melbourne, en Milaan hebben vergelijkbare plannen.

“In Noord-Amerika wordt de aanleg van fiets- en voetgangerspaden niet langer tegengehouden, in Europese steden worden ze verbeterd. Tijdens de lockdowns konden veel dingen plots wel. En zo kunnen steden nog meer doen”, zegt Kern. “Denk aan openbare toiletten neerzetten, zorgen voor toegankelijkheid voor kinderwagens en rolstoelen, in de winter niet alleen de rijbanen sneeuwvrij maken maar ook het fietspad en de stoep … Dat zijn kleine veranderingen die een groot verschil maken. Om ze te realiseren hebben we politieke wil en publieke push nodig.”

Op korte termijn ziet Kern ook signalen dat zorg een prominentere plek krijgt in de maatschappij. Ze hoopt dat tijdelijke coronaloonsverhogingen voor zorgpersoneel en de vervangingsinkomens voor mensen die thuis zorg moeten dragen tijdens de lockdowns de deur op een kier zetten voor een universeel basisinkomen. “Het basisinkomen erkent dat onbetaald werk ook bijdraagt aan de samenleving”, zegt Kern.

“Discussies over het basisinkomen en politiehervorming zijn dit jaar op ongekende manier naar de mainstream gekatapulteerd. Dat geeft me hoop, maar ik ben niet onverdeeld optimistisch, want verandering van discours is nog geen beleidsverandering. Nu er begonnen wordt met vaccineren tegen Covid-19 en overheden de economische schokgolven van de pandemie steeds harder voelen, zullen ze erop aansturen dat de wereldwijde economie zo snel mogelijk terugkeert naar normaal. Ik denk niet dat dit gewenst noch mogelijk is. We staan aan de rand van een mentale gezondheidscrisis en klimaatverandering is op steeds meer plekken steeds merkbaarder. 2020 is geen uitschieter, er zal ook na dit jaar meer ‘crisis’ dan ‘normaal’ zijn. Het is hoog tijd onze steden daaraan aan te passen.”