We leven in een tijd waarin de politieke erfenis van 1968 onder toenemende druk staat. Niet alleen aan de rechterzijde van het politieke spectrum, maar ook aan de linkerzijde van het spectrum. En dat is niet zonder gevaar.
(Door Thomas Decreus, oorspronkelijk verschenen op DeWereldMorgen)

“Al een halve eeuw lang vernietigen we onszelf, ondermijnen we onszelf. Al die fenomenen: de EU, het niet straffen van criminelen, wat is er toch aan de hand? In 1968 is een begin gemaakt met een zelfhaat die overal terug te vinden is. Daar moeten we mee stoppen. Wij willen een renaissance.”

Aan het woord is Thiery Baudet, roerganger van het extreem rechtse Forum voor Democratie dat het ondertussen niet slecht doet in de Nederlandse peilingen. Al enige maanden trekken Baudet en zijn gevolg doorheen Nederland om hun rechtse evangelie te verkondigen aan al wie het horen wil. Vast onderdeel in dat evangelie: de aanval op “1968”. Voor Baudet en zijn volgelingen is 1968 het mythische jaar waarin het verval van de Westerse samenlevingen werd ingezet. Het was het jaar waarin “links” zogezegd de macht wist te grijpen, de instellingen ging bevolken en alles wat traditioneel en volkseigen was met de sloophamer vernietigde.

1968 fungeert natuurlijk al langer als het mikpunt van conservatieve woede. Dat ene jaar, dat eigenlijk een eurocentrische verdichting is van verschillende sociale, politieke en culturele (r)evoluties, markeert voor conservatieven het kantelpunt tussen orde en chaos, opbouw en verval. Ook bij N-VA voorzitter Bart De Wever zien we die retoriek terugkeren. In 2008 schreef De Wever naar aanleiding van veertig jaar mei ‘68: "De wil tot absolute vrijheid voor het individu mondde uit in een levenswijze die zelf de garantie voor daadwerkelijke vrijheid vernietigt, namelijk de gemeenschap met haar zeden en gewoonten. Nergens is dat proces verder gevorderd dan in de seksuele moraal". Ook hier het idee van verval, van een losgeslagen samenleving die dacht de vrijheid te veroveren maar daarvoor slechts verknechtende chaos in de plaats kreeg.

Als remedie tegen de chaos en de revolte worden orde en wet naar voor geduwd. Die retoriek over wet en orde is minstens even oud als 1968 zelf. In het verkiezingsjaar 1968 verkondigde toenmalig Amerikaans presidentskandidaat Richard Nixon dat hij het wou hebben over “the problem of order in the United States.” Tijdens zijn campagne in de zomer van 2016 koos Trump, net als Nixon voor een retoriek waarin het herstel van de orde en de wet centraal stond. Het is een discours dat ook wij kennen in de Lage Landen natuurlijk. Sinds de jaren 90 klinkt de roep om een zero tolerance-beleid steeds luider, en proberen rechtse politici het beeld op te hangen van wijken die heuse no go-areas zijn geworden. De chaos wordt bewust uitvergroot om de roep om orde aanlokkelijker te maken.

De woelige geest van ‘68 wordt niet alleen beteugeld door er een gespierd beleid van law and order tegenover te plaatsen. In Vlaanderen, Nederland en elders vinden ook verwoede pogingen om de uitlopers van ‘68 terug in de kiem te smoren. Nieuwe sociale strijdbewegingen die belangrijke overwinningen boekten in de jaren zestig en zeventig krijgen nu vaak het brandmerk van ‘politieke correctheid’ of erger. Racisme of seksisme heten relatief te zijn, wie ze aanklaagt overdrijft en wie het op radicale wijze aanklaagt wordt verweten dogmatisch en polariserend te zijn. Ook wie het net iets te luid over ecologische problemen heeft is algauw een hippie die op quinoa en amandelmelk leeft en de immer gesubsidieerde linkse, volksvreemde culturele sector die zingt best een toontje lager. Clichés? Tuurlijk, maar het zijn wel de clichés die vandaag dominant zijn. En waartegenover genoemde groepen zich quasi dagelijks moeten verantwoorden.

Wildgroei

In tegenstelling tot wat vanuit rechts-conservatieve hoek wordt beweerd, was ‘68 geen homogeen links gebeuren. In de praktijk betekende het vooral een breuk tussen een ‘oud-links’ en een ‘nieuw links’. Tijdens het Franse mei ‘68 bestonden er bijvoorbeeld grote spanningen tussen de communistische partij en haar organen en de Franse studenten. Spanningen die bij wijlen uitmondden in regelrechte vijandelijkheden. Ook in België sprak de KP bij monde van Jef Turf banvloeken uit over de 68’ers.

Die spanningen tussen een oud-links en een nieuw-links tekenden zich in vrijwel alle landen af. Het maakte deel uit van een generatieconflict tussen vooroorlogse militanten en na-oorlogse jongeren. Eerstgenoemden waar doorgaans Sovjet-getrouw, hadden een klassieke opvatting over het proletariaat en de revolutie en beschouwden de klassenstrijd als de kortste weg naar de totale emancipatie. De na-oorlogse generatie schoof naast de klassenstrijd andere thema’s naar voor: feminisme, antiracisme, anti-autoritarisme, pacifisme, verzet tegen de vervreemdende consumptiesamenleving en anti-imperialisme. Meer directe actievormen werden verkozen boven het traditionele arsenaal van de arbeidersbeweging: sit-ins, confrontaties met de politie, wilde stakingen en betogingen.

Historisch gezien heeft het nieuw links van ‘68 de dans geleid vanaf de jaren zestig. Dit betekende niet dat het klassiek linkse discours over de strijd tussen arbeid en kapitaal verdween, maar wel dat het aangevuld werd met nieuwe vormen van strijd: de strijd van minderheden om erkenning en rechten, de strijd tegen autoritaire en logge structuren en om zelfbeschikking. Een strijd ook om een leefbare aarde, authenticiteit en autonomie in de vele betekenissen van het woord, met als inzet de natuur, het lichaam, het gezin, de maatschappelijke rolverdelingen.

In de ogen van de critici van “identity politics” werd de linkerzijde hopeloos versplinterd en moeten we terug naar een links dat resoluut kiest voor de werkende klasse als politiek subject. Vanuit die optiek bezien wil ook een groeiend deel van de linkerzijde terug naar de tijd waarin orde heerste: een tijd waarin de arbeider een (witte, mannelijke) arbeider was en de strijd een klassenstrijd.

Vandaar ook een wildgroei aan wat je kan noemen ‘nieuwe sociale bewegingen’ in de zeventiger jaren. Bewegingen die niet per se via verkiezingen of machtsdeelname de samenleving wilden veranderen, maar wel van onderuit, via de haarvaten van de civiele maatschappij. Door activisme, in de buurten te werken, mensen met elkaar in contect te brengen, media te maken, onderzoek te doen.

Neosocialisme

“Onder progressieven en binnen radicaal links, was “de marge” het centrale begrip de afgelopen vijfentwintig jaar: marginaliteit, het omhelzen van de marges, pleiten voor de marges, de marges zijn, houden van de marges. Zolang het zich aan de marge van de samenleving bevond was het goed.”

Dat schrijft de aan de universiteit van New York verbonden socioloog Vivek Chibber in het neosocialistische tijdschrift Jacobin. Volgens Chibber is er op zich niks mis met de marges van de samenleving, alleen is de bekommernis erom vooral een morele bekommernis. Waar ‘we’ – ‘dè socialisten’ – ons moeten op focussen, stelt Chibber, is de ‘werkende klasse’ en niet de marges. Het pleidooi dat Chibber houdt is dat voor een terugkeer naar de werkende klasse als politiek subject.

De kritiek van Chibber op de marges is een stille verwijzing naar het werk van Felix Guattari. Guattari, wiens naam voor eeuwig zal verbonden blijven met die van Gilles Deleuze en de erfenis van ‘68, ontwikkelde in de jaren zeventig een theoretische positie waarin ‘minderheid’ de notie van ‘klasse’ moest vervangen. Het was een poging om een taal te vinden waarin de veelheid aan nieuwe bewegingen en fronten kon gedacht worden. Guattari was daar geen unicum in, vele denkers van de post-’68 generatie dachten na over de constructie van nieuwe politieke subjecten die uit het karkas van de eng omschreven ‘werkende klasse’ traden. Het is met die heterodoxe, post ‘68 traditie dat stemmen als Chibber en andere auteurs uit de stal van het neosocialistische Jacobin duidelijk willen afrekenen.

De scherpe kritiek op “identity politics” kan eveneens vanuit dit perspectief begrepen worden. “Identity politics” is doorgaans de naam die gegeven wordt voor een geheel aan stromingen die vraagtekens plaatsen bij de absolute theoretische en strategische prioriteit van de klassentegenstelling. “Identity politics” is het etiket waarmee al diegene worden benoemd die andere tegenstellingen zoals gender, kleur of afkomst als even belangrijke of soms belangrijkere tegenstellingen aanzien als klasse. En laat het naar voor schuiven van andere tegenstellingen dan de klassentegenstelling net een belangrijke erfenis zijn van ‘68.

In de ogen van de critici van “identity politics” werd de linkerzijde hopeloos versplinterd en moeten we terug naar een links dat resoluut kiest voor de werkende klasse als politiek subject. Vanuit die optiek bezien wil ook een groeiend deel van de linkerzijde terug naar de tijd waarin orde heerste: een tijd waarin de arbeider een (witte, mannelijke) arbeider was en de strijd een klassenstrijd. Een eenvoudige tijd waarin de inzet van de strijd duidelijk was, de vijand éénduidig en de bondgenoten makkelijk te identificeren. De tijd waarin arbeid en kapitaal met min of meer gelijke wapens konden wedijveren op het afgebakende strijdterrein van de werkvloer. Een mythische tijd die zijn symbolische eindpunt kent in de omwentelingen die we ‘68 zijn gaan noemen. Toen de strijd zich vermenigvuldigde in een mozaïek van nieuwe strijden, de strijdperken uitzwermden van de werkvloer naar de samenleving als geheel en de vijanden meervoudig werden: het kapitaal, het patriarchaat, het racisme, het kolonialisme en zo meer.

Ontworteling

Het idee dat ‘68 een breuklijn was, dat er een harmonieus voor en een chaotisch na was, is een historische fantasie die ontspruit uit de geesten van nostalgici ter linker en rechterzijde. Je kan ‘68 zelfs weglaten: het idee dat er een verleden is dat harmonieuzer en eenvoudiger was, is wat alle conservatieven en nostalgici bindt. In werkelijkheid is geschiedenis evenmin een neergang van orde naar chaos als een opwaartse lijn; het is een chaotisch, grenzeloos, betekenisloos non-geheel van gebeurtenissen waartussen we betekenissen in de vorm van causaliteit, redenen en verbanden proberen te lezen.

De vraag is dan, hoe kunnen we ‘68 lezen voorbij de nostalgisch-conservatieve kijk? Hoe moeten we de gebeurtenissen, evoluties en processen waarop we het jaartal 1968 plakken begrijpen? Sociologisch en economisch gezien, valt er wat voor te zeggen om wat we 1968 noemen te markeren als het eindpunt van een fordistisch kapitalisme. Het type kapitalisme waarin de arbeids- en maatschappelijke organisatie stoelde op discipline, autoriteit en conformisme. Vanaf de jaren zestig raakt dat maatschappijmodel in een crisis, en het is tijdens de doodsrochel van dat model dat een nieuwe generatie de kans schoon zag om rechten op te eisen en te breken met bestaande machtsverhoudingen.

De protestgeneratie was een overgangsgeneratie die de oude rottende schil van een beklemmend model afwierp, maar tegelijk in een nieuw type kapitalisme en maatschappijorganisatie werd gezogen. Vanaf de jaren zeventig komt het spook van de werkloosheid opnieuw om de hoek kijken, krijg je een verschuiving van een industrie naar diensten. Bedrijven worden internationale netwerken, werkvloeren worden opgedeeld in een kluwen van onderaannemingen, oude industrieën en hun steden raken in verval, financialisering vervangt industrialisering. De fabriek wordt een shoppingmall, gastarbeiders worden voortaan moslims, werklozen profiteurs.

Wat men de werkende klasse noemt is een identiteit die niet buiten dat proces staat. Het hedendaagse kapitalisme is van die aard dat wat we de werkende klasse noemen een identiteit is die niet meer politiek dominant kan worden. Dat laatste is geen wensdroom of voorspelling, het is een diagnose.

Alle maatschappelijke verschuivingen sinds de jaren zestig toeschrijven aan linkse denkers of aan jeugdige hemelbestormers is hun teveel eer aan doen. Evenmin valt het “falen van links” heden ten dage in de schoenen te schuiven van “identity politics”. Dat is het symptoom met de oorzaak verwarren. Dat de identiteit van “de arbeider” slechts één van de emancipatorische gestaltes is van waaruit een strijd kan vormgegeven worden, is het gevolg van een veranderd kapitalisme zelf.

“Al wat vaststaand en eeuwig was, gaat in rook op”, zo schreef Marx in het Communistisch Manifest. Daarmee bedoelde hij dat het kapitalisme een ontwrichtende werking heeft. Alles waarvan je denkt dat het diep geworteld, stevig en voor eeuwig is wordt door het kapitalisme ontworteld, gefragmenteerd, versplinterd. In minder dan een generatie tijd worden landsdelen ontvolkt, de natuur herschapen, steden gebouwd en verlaten, collectieve identiteiten geconstrueerd en vernietigd naar gelang de machine van het kapitaal zich organiseert of reorganiseert. Wat men de 'werkende klasse' noemt is een identiteit die niet buiten dat proces staat. Het hedendaagse kapitalisme is van die aard dat wat we de 'werkende klasse' noemen een identiteit is die niet meer politiek dominant kan worden. Dat laatste is geen wensdroom of voorspelling, het is een diagnose.

Het hedendaagse kapitalisme brengt niet alleen een werkende klasse voort, het produceert evengoed een groeiend aantal surpluspopulaties: mensen die niet meer via het reguliere arbeidscircuit een inkomen waarborgen, precairen, werklozen, mensen zonder papieren. Die groepen waarvan men zegt dat ze opgekuist, opgesloten, verwijderd, heropgevoed, geïntegreerd, geassimileerd, bijgeschoold of gederadicaliseerd moeten worden. De lage klassen en de surpluspopulaties vandaag hebben een kleur, en ze hebben een gender. Ze worden ge-kleurd en ge-gendered om hun ongelijkheid te normaliseren en te legitimeren. Over gender en kleur spreken is daarom ook over klasse spreken. Gender, klasse en kleur impliceren elkaar meer dan ooit, maar tegelijk vallen ze niet te reduceren tot elkaar.

Gevaarlijke gloed

Geconfronteerd met de ontwortelde werking van het kapitalisme vandaag, kiest rechts voor de terugkeer naar de mythe van de homogene natie en het monoculturele volk. Hoe groter de spagaat wordt tussen nostalgie en realiteit hoe groter de kans dat haat en rancune de boventoon gaan voeren. We weten tot wat voor gevaren dat leidt.
Maar ook de nostalgie op links houdt gevaren in. Hoe meer links zich zal terugplooien op een oud-linkse nostalgie van “de werkende klasse”, hoe meer speelruimte er wordt gegeven aan rechts. Ieder verlaten strijdperk is een prijsgegeven strijdperk. En dat weet de rechterzijde maar al te goed.

Kort na zijn ontslag liet Steve Bannon, Trumps voormalig campagneleider en strateeg zich dit ontvallen over de democraten: “Hoe langer ze blijven babbelen over identity politics, I got em. Ik wil dat ze iedere dag over racisme praten. Als links gefocust is op kleur en identiteit, en wij kunnen bezig zijn met economisch nationalisme, dan verslaan we de democraten.” Volgens sommigen was die uitspraak van Bannon het doorslaggevende argument om nu eindelijk af te rekenen met identity politics. Want als zelfs Bannon het al zegt …

Als we het niet simultaan over kleur, klasse en gender hebben, als nieuwe sociale bewegingen niet serieus genomen worden, dan pas laten we het speelterrein over aan rechts. En dat is niet alleen een strategische kwestie. Het primaat van een kleurenblinde klassenstrijd komt in wezen neer op het miskennen van bestaande machtsverhoudingen die bepaald worden door het samenspel van klasse, kleur en gender.

Iemand als Bannon is een strateeg, en het laatste wat hij zal doen is gratis advies geven aan zijn vijanden. Zijn uitspraak over identity politics en racisme is geen advies, maar een wens. Hij zou niks liever willen dan dat links zou stoppen met spreken over racisme en identiteit en zijn uitspraak is een manier om de linkerzijde te verwarren en tegenover elkaar uit te spelen. Want Bannon weet maar al te goed dat de grootste manifestaties en mobilisaties tegen Trump onder de banier van de Women’s March plaatsvonden en dat Black Lives Matter ondertussen is uitgegroeid tot een beweging die nationaal kan mobiliseren.

Identiteit en kleur zijn niet de slagvelden waarop links wordt afgemaakt, het zijn de vruchtbare gronden waarop nieuwe bewegingen groeien die met fris gemoed de strijd van een nieuwe generatie vormgeven. Identiteit en kleur staan niet tegenover het vormgeven van een klassenstrijd, het zijn de manieren om klasse vandaag te benoemen. Of, zoals Stuart Hall ooit schreef, “race is the modality in which class is lived”. Het is daarom ook de manier bij uitstek om het over klasse te hebben.

Als we het niet simultaan over kleur, klasse en gender hebben, als nieuwe sociale bewegingen niet serieus genomen worden, dan pas laten we het speelterrein over aan rechts. En dat is niet alleen een strategische kwestie. Het primaat van een kleurenblinde klassenstrijd komt in wezen neer op het miskennen van bestaande machtsverhoudingen die bepaald worden door het samenspel van klasse, kleur en gender. Het propageren van een wit socialisme schept mee het klimaat voor een algemene aanval op alle minderheden in naam van een mono-culturele natie.

Laten we vooral ook niet vergeten dat ‘68 en de nieuwe strijdperken waaraan het gestalte gaf ook een reactie was. Een reactie op het fascisme van de vorige generatie dat miljoenen de dood in dreef.