Ook al moest Rusland zich geprovoceerd voelen, dan rechvaardigt dat niet de invasie in Oekraïne. Kan men tegenover het Russisch imperialisme nog het pacifisme blijven verdedigen? Misschien kunnen we iets leren uit de houding van George Orwell? Orwell was een pacifist, maar voor de oorlog tegen Hitler zou hij een uitzondering maken.

(Door Johny Lenaerts)

George Orwell (1903-1950) kennen we vooral van de bekende fictieboeken ‘Animal Farm’ (1945) en ‘Nineteen Eighty-Four’ (1949), maar ook van de non-fictieboeken ‘Homage to Catalonia’ (1938) en ‘The Road to Wigan Pier’ (1937). Maar hij heeft ook een indrukwekkend oeuvre aan journalistiek en essayistisch werk nagelaten.

Verzet is beter

In de herfst van 1940, na de val van Frankrijk, schreef Orwell een klein essay, ‘Mijn land, rechts of links’. ‘Jarenlang was die oorlog voor mij een nachtmerrie,’ schrijft hij daarin, ‘en ik heb er zelfs lezingen over gehouden en pamfletten tegen geschreven. Maar de nacht voordat het Russisch-Duits niet-aanvalspact werd getekend, droomde ik dat de oorlog begonnen was. Het was zo’n droom waarin duidelijk wordt wat je echt voelt – wat ook de diepere freudiaanse betekenis ervan mag zijn. Er werden me twee dingen duidelijk. Eén: dat ik opgelucht mocht zijn dat de lang gevreesde oorlog eindelijk begonnen was, en twee: dat ik een patriot in hart en nieren was, dat ik geen sabotage zou plegen of zou ageren tegen het eigen kamp, dat ik de oorlog zou steunen en zou meewerken als ik kon.’

Hij kon een reden geven, voegde hij eraan toe, waarom hij de oorlog steunde: ‘Er is namelijk geen echt alternatief: ofwel verzet je je tegen Hitler, ofwel geef je je over, en vanuit socialistisch standpunt zou ik zeggen: verzet is beter.’ De ‘emotionele basis’ van zijn daden was ‘patriottisch’: ‘Wat ik in mijn droom die nacht besefte, was dat de langdurige dril in patriottisme die de middenklasse doormaakt ook bij mij zijn werk gedaan heeft. Ik wist dat zodra Engeland in moeilijkheden kwam, sabotage voor mij onmogelijk was.’

Maar patriottisme heeft niets vandoen met conservatisme: ‘Het is toewijding aan iets dat aan het veranderen is, maar tegelijk op mystieke wijze hetzelfde aanvoelt.’ De verandering kon zelfs revolutie betekenen, ja moest volgens hem revolutie betekenen – ‘als we Hitler buiten de deur kunnen houden’.

Het cynisme en het opportunisme waarvan het Russisch-Duits niet-aanvalspact getuigde leidde ertoe dat Orwell de oorlog zou steunen, net zoals anderen ertoe gebracht werden de communistische partij te verlaten; maar vermits hij nooit lid van die partij geweest was, kon Orwell het zich veroorloven te blijven spreken over revolutie, terwijl hij er zich goed van bewust was dat een minimum aan democratie nodig was, waarvoor hij dan ook pleitte.

Propaganda

Als bepaalde vrienden van hem in de oorlog een kapitalistisch-imperialistische samenzwering meenden te zien, en geen keuze voor het ene of het andere kamp wilden maken, dan keerde hij hen de rug toe. ‘De intellectuelen die momenteel beweren dat democratie en fascisme hetzelfde zijn,’ schreef hij in juni 1940 (waarbij hij vergat dat hij hetzelfde gedaan had), ‘deprimeren me ontzettend. Maar als de nood aan de man komt zullen de gewone mensen misschien veel intelligenter lijken dan de slimmeriken. Dat hoop ik alleszins.’

Orwell kan zich niet terugvinden in het pacifisme. Hij verwijst naar brochures waarin beweerd wordt dat de oorlog niet kan gewonnen worden en waarin Hitler beschreven wordt als een man waarvan de oprechtheid nooit onderzocht werd. Hij verwijst naar een publicist die in een vage fascistische toon schrijft maar er niet voor terugdeinst Lenin te citeren. Hierin zie je, zegt Orwell, dat fascisme en pacifisme elkaar overlappen.

Interessant is dat elke afdeling van antioorlogsmening een eigen afdeling in de Duitse radiopropaganda heeft. De Duitse ‘freedom stations’ brengen over het algemeen zogenaamd ‘ongecensureerd nieuws’, of ‘wat de regering voor jou verborgen houdt’. Ze eisen het ontslag van Churchill, spreken uitvoerig over ‘het gevaar van het communisme’ en zijn anti-Amerikaans.

Een merkwaardig geval is de ‘Workers’ Challenge Station’, dat zich richt tot de communisten en de uiterst-linksen. ‘Die zender levert roodgloeiende revolutionaire toespraken onder titels zoals “Kick Churchill Out”, die gevoerd worden door een authentieke Britse arbeider, die veel woorden gebruikt die niet voor druk geoorloofd zijn. We moeten de corrupte kapitalistische regering die ons aan de vijand uitlevert omverwerpen en een echte socialistische regering installeren die onze heldhaftige kameraden van het Rode Leger ter hulp schiet en ons de overwinning op het fascisme brengt. (Dit Duits radiostation aarzelt niet om te spreken over “de bedreiging van het nazisme”, over “de verschrikkingen van de Gestapo”, enzovoorts.) De “Workers’ Challenge” is niet openlijk defaitistisch. De boodschap is dat het wellicht te laat is, dat het gedaan is met het Rode Leger, maar dat we onszelf kunnen redden als we maar “het kapitalisme omverwerpen”, hetgeen moet gebeuren door middel van stakingen, muiterij, sabotage in de wapenindustrie, enzovoorts.’

Dient men zulke zenders wel serieus te nemen? Orwell meent van wel: ‘In deze bloederige dwaze vertoning waarin we ons bevinden kan niemand weten welk obscuur individu of half-waanzinnige theorie aan belang zal winnen. Ik meen bij intellectuelen, vooral bij de jongere, een tendens waar te nemen om te zwichten voor het fascisme, en dat is iets dat we in het oog moeten houden.’

Fascinatie

In scherpe bewoordigen wijst Orwell het pacifisme af. ‘Pacifisme is objectief gezien pro-fascistisch,’ zo stelt hij onomwonden. ‘Dat is elementair gezond verstand. Indien je de oorlogsinspanningen van het ene kamp belemmert, dan help je automatisch dat van het andere kamp. Evenmin bestaat er een realistische weg om buiten de oorlog zoals die nu gevoerd wordt te blijven.’

Als men hem repliceert dat volgens deze redenering een Duitse of een Japanse pacifist objectief gezien pro-Brits zou zijn, antwoordt Orwell resoluut: ‘Maar natuurlijk zou hij dat! Dat is de reden waarom pacifistische activiteiten in die landen niet toegestaan zijn (in beide landen riskeer je onthoofd te worden), terwijl zowel de Duitsers als de Japanners alles doen wat ze kunnen om het pacifisme in Britse en Amerikaanse territoria aan te wakkeren.’

Ik heb geen interesse in pacifisme als een ‘moreel probleem’, stelt Orwell.  Wat despotische regeringen vrezen is fysieke kracht. ‘Maar alhoewel ik niet erg geïnteresseerd ben in de “theorie” van het pacifisme, ben ik wél geïnteresseerd in de psychologische processen waarbij pacifisten vertrokken zijn vanuit een vermeende afschuw voor geweld en uiteindelijk sterk gefascineerd werden door het succes en de macht van het nazisme. Zelfs pacifisten die niet toegeven dat ze zo’n fascinatie kennen, beginnen te beweren dat een nazi-overwinning op zich wenselijk is.’

Het minste kwaad

Op de vraag of de tendens in de wereld in de richting van het fascisme gaat en waarom hij de oorlog steunt, antwoordt Orwell (mei 1944): ‘Het is een keuze voor het minste kwaad – ik vermoed dat haast elke oorlog dat is. Ik weet genoeg over het Britse imperialisme om er niet van te houden, maar ik wil het steunen tegen het nazisme of het Japans imperialisme als een kleiner kwaad. Op eenzelfde wijze zal ik de Sovjet-Unie tegenover Duitsland steunen omdat ik denk dat de Sovjet-Unie niet helemaal aan haar verleden kan ontsnappen en genoeg originele ideeën van de Revolutie behouden heeft om het een hoopvoller fenomeen dan nazi-Duitsland te maken. Ik meen en heb sedert het begin van de oorlog of daaromtrent de overtuiging dat onze zaak de betere is, maar we dienen het nog beter te maken, hetgeen een permanente kritiek impliceert.’

Als Orwell in 1948 terugblikt op de Europese linkerzijde, dan komt hij tot de volgende vaststelling: ‘De ervaring van de Duitse bezetting leerde Europese volkeren iets wat de koloniale volkeren reeds wisten, namelijk dat klassentegenstellingen niet het allerbelangrijkste zijn en dat er zoiets bestaat als het nationaal belang. Nà Hitler was het moeilijk om ernstig te beweren dat “de vijand zich in het eigen land bevindt” en dat nationale onafhankelijkheid van geen belang is. Maar alhoewel we dat allemaal wel weten en daarnaar handelen wanneer dat nodig is, voelen we het nog steeds aan als verraad wanneer we dat luidop zeggen.’

Geheel in deze optiek schreef de Oekraiense schrijver Serhij Zhadan uit Charkiw, die dit jaar de Vredesprijs van de Duitse Boekhandels ontving, in een open brief: ‘De Duitse intellectuelen die Oekraïne geen westerse wapens voor hun verdediging gunnen en een wapenstilstand eisen, ontkennen het bestaansrecht voor Oekraïne.’

Zo hoort u het ook eens van iemand anders.

Bron: ‘The Collected Essays, Journalism and Letters of George Orwell’, 4 delen, Penguin Books, 1977-1979.