De Menigte is het nieuwe boek van Toni Negri en Michael Hardt en de opvolger van het geruchtmakende Empire. Hier een zeer uitgebreide samenvatting.

Bij de Bezige Bij is onlangs de Nederlandse vertaling uitgekomen van: De Menigte. Oorlog en democratie in de nieuwe wereldorde. Dit boek is het vervolg op Empire van Michael Hardt en Antonio Negri. De auteurs stellen dat het een filosofisch boek is. De lezer krijgt geen pasklare antwoorden of concrete actieprogramma's voorgeschoteld. Kennelijk is ook tot de auteurs doorgedrongen dat veel lezers Empire een moeilijk boek vonden. In het voorwoord geven ze aan dat "we ons uiterste best hebben gedaan in een taal te schrijven die voor iedereen begrijpelijk is: we definiëren technische termen en verklaren filosofische begrippen".
Voor een groot deel zijn de auteurs daar in geslaagd. Het boek is in vergelijking met Empire veel toegankelijker geschreven en filosofische beschouwingen worden dikwijls gevolgd door anekdoten of illustratieve voorbeelden uit de geschiedenis. Naomi Klein heeft overigens het volledige script gelezen en becommentarieerd.
Hieronder volgt een samenvatting. Over enige tijd volgen meerdere besprekingen van het boek. Eerder plaatsten wij al een interview met Toni Negri.

1. OORLOG

A. SIMPLICISSIMUS

Uitzonderingen

De schrijvers geven aan dat oorlog een algemeen mondiaal verschijnsel is geworden waar geen eind meer aan komt. De soevereiniteit van de natiestaten raakt in verval en in plaats daarvan ontstaat een mondiaal Empire. We lijken te belanden in de nachtmerrie van een voortdurende, onbeperkte staat van oorlog. Het internationale recht is opgeschort en er is geen duidelijk onderscheid meer tussen vredeshandhaving en oorlogsdaden.

Legitiem geweld.

De oorlog wordt het voornaamste organisatieprincipe van de samenleving.
Het dagelijkse leven is doortrokken van de dreiging en het geweld van de oorlog.
We zijn uitgekomen bij oorlogen tegen schimmige, immateriële vijanden. De oorlogen tegen drugs en terroristen. De tolerantie wordt op dramatische wijze ondergraven. Op weg naar een "zero tolerance" samenleving. De oorlog tegen een begrip of tegen bepaalde praktijken heeft geen grenzen meer in ruimte en tijd. De oorlogsvoering is dan ook bijna niet meer te onderscheiden van politieoptreden.
De Verenigde Staten leggen anderen juridische sancties op, maar onderwerpen zichzelf niet aan andere gerechtelijke instanties. Het lijkt erop dat het geweld van de sterken automatisch gelegitimeerd is, terwijl het geweld van de zwakken direct als terrorisme wordt bestempeld.
De soevereine functies van de natiestaat raken in verval, en geven talloze ideologieën, religies en identiteiten aanleiding tot conflicten. In al die gevallen bestaat de tendens dat de grenzen tussen legitiem geweld, criminaliteit en terrorisme vervagen.
Samuel Huntington meent dat de oorlog is te herleiden tot een botsing der "beschavingen".
Beschavingen blijkt hij te definiëren aan de hand van raciale en religieuze criteria.
Spinoza noemde dat heel toepasselijk bijgeloof, bijgelovige angst die altijd leidt tot de ultieme barbarij van voortdurende oorlogsvoering en vernietiging.
De Amerikaanse regering heeft sinds 11 september herhaaldelijk benadrukt dat haar mondiale strategie niets met een botsing tussen beschavingen heeft te maken. Mogelijk zijn de Amerikaanse politieke leiders wel gevoelig voor de racistische implicaties van Huntington, maar het Empire heeft een grootsere visie. De hele mensheid moet onder de heerschappij van het Empire gaan vallen. Huntingtons denkbeeldige beschavingen en hun scheidslijnen zijn louter obstakels.

B. MAATREGELEN TER BESTRIJDING VAN VERZET

Het ontstaan van de nieuwe Oorlog.

Men zou kunnen zeggen dat er sinds het begin van de twintigste eeuw geen werkelijke vrede op de wereld heeft geheerst. De Eerste Wereldoorlog (1914-1918) speelde zich voornamelijk in Europa af en leidde na een schijnvrede direct tot de Tweede Wereldoorlog (1940-1945).
Meteen begon de koude Oorlog, in zekere zin de Derde Wereldoorlog, die rond 1990 gevolgd werd door de huidige imperiale oorlog. (Vierde Wereldoorlog). De overwinnaars van de Tweede wereldoorlog, de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie werden de bepalende partijen in de Koude Oorlog. De meeste natiestaten werden gedwongen zich bij een van beide partijen aan te sluiten. De ontwikkeling van de moderne oorlogsvoering is gelijk opgegaan met die van de moderne industrie. Deze oorlogsvoering is gebaseerd op mobiliteit en flexibiliteit, ze omvat informatie en immateriële arbeid.

Een revolutie in militaire zaken.

In Amerika gaan de "technologen" er vanuit dat nieuwe technologieën een nieuwe vorm van strijd mogelijk maken. Gevechtseenheden moeten klein zijn en op verschillende missies zijn voorbereid. De Amerikaanse militaire operaties verlopen volgens een nieuwe standaardformule, waarbij het bijna absolute luchtoverwicht wordt uitgebuit. De inlichtingen- en informatietechnologie kunnen wapens op efficiënte wijze en met een gering risico, doel laten treffen. De grondtroepen opereren in kleine mobiele groepen. Men gaat ervan uit dat de oorlog voor de Amerikaanse soldaten vrijwel geen risico meer met zich meebrengt, doordat ze beschermd worden tegen de bedreigingen van de tegenstander. De "traditionalisten" in het leger zetten vraagtekens bij die opvattingen van de "technologen". Ze menen dat de oude oorlogswetten nog altijd van kracht zijn.
De tegenzin om Amerikaanse grondtroepen in gevaar te brengen maakt dat steeds meer gebruik wordt gemaakt van "particuliere militaire contracten". Daardoor bestaat de tendens dat de scheidslijn tussen ingehuurd ondersteunend personeel en huursoldaten vervaagt. De Amerikaanse soldaten zelf zijn in grote meerderheid uit de armste bevolkingslagen afkomstig.
Het lijkt erop dat in de postmoderne oorlog huurlingenlegers de belangrijkste gevechtstroepen worden. Gewapende huurlingen zijn echter een ontaard leger. Machiavelli meende dat in de strijd vrije mannen belangrijker waren dan de kannonen. Kunnen we overeenkomstig de klassieke theorieën, huurlingenopstanden verwachten?
Moet de aanval van Al-Qaeda op de Twin Towers en het Pentagon als een huurlingenopstand worden beschouwd? En Sadam Hoessein die vroeger in loondienst was van de Amerikaanse regering en vervolgens in opstand kwam tegen zijn voormalige meesters?

De Huurling.

Als de strijdkrachten niet langer zijn opgebouwd uit vertegenwoordigers van de gewone bevolking, en het leger is niet langer een volksleger, dan is het met de imperia gedaan.
De grote angst is dat een huurling zich tegen de imperiale aristocratie zal keren. Saddam Hoessein deed dit nadat hij tegen de dreiging van het islamitische Iran was opgetreden.
Osama Bin Laden deed dit nadat hij Afghanistan van de russen had bevrijd.

Ongelijkheid en dominantie.

Tegenwoordig hebben de Verenigde Staten, in militair opzicht de onbetwiste supermacht, een ongelijke verhouding met alle potentiële tegenstanders, en dat maakt hen kwetsbaar voor guerillatacktieken en onconventionele aanvallen van alle mogelijke kanten.
Zelfs in ongelijke conflicten is een overwinning in de zin van volledige overheersing niet mogelijk. Haalbaar is een voorlopige en beperkte toestand van controle en orde, die voortdurend met politiële middelen instandgehouden moet worden. Bestrijding van verzet is een dagtaak. De vijanden van de imperiale orde zijn niet meer gecentraliseerde soevereine natiestaten, maar gespreide netwerken. Netwerken zijn ongrijpbaar, vluchtig en voortdurend in beweging. De macht van een netwerk gaat niet van een centraal punt uit, maar is in wisselende, ongelijke en onbeperkte mate gespreid. De krijgsmacht moet te allen tijde bedacht zijn op onverwachte dreigingen en onbekende vijanden. De netwerkvijand is echter niet volkomen nieuw. De guerrillabewegingen zijn mobiel en hun commandostructuur beschermt hen, zodat ze in kleine groepen kunnen opereren. Het guerrillaleger moet dan ook door speciale troepen worden opgespoord.
Uiteindelijk zal de Amerikaanse strijdmacht een netwerk moeten worden. Alleen wanneer de macht de vorm van een netwerk heeft, kan hij momenteel orde scheppen en die orde handhaven.
Door de noodzaak dat de macht de vorm van een netwerk aanneemt kunnen de Verenigde Staten geen compleet eigen koers inslaan, en Washington moet met andere dominante netwerken samenwerken. De Verenigde Staten moeten voor de bekostiging van de oorlogen een beroep doen op andere landen. Die landen zijn alleen bereid de oorlogen te financieren als hun wensen en belangen worden meegewogen in het besluitvormingsproces.
We koersen dan ook af op een oorlogssituatie waarin de netwerkstrijdkrachten van de imperiale orde aan alle kanten tegenover netwerkvijanden staan.

C. VERZET

We zullen moeten onderzoeken wat de sterkste en meest wenselijke vormen van rebellie en revolutie zijn in het heden en in de toekomst. Dat zal ons inzicht verschaffen in de manier waarop de belangrijkste opgave voor het verzet van dit moment, het verzet tegen de oorlog, moet worden vervuld.

Het primaat van het verzet

Militaire vraagstukken kunnen nooit op zichzelf worden behandeld. Ze zijn steeds nauwer met sociale, culturele, economische en politieke kwesties verweven.
Om een indruk van het verzet te kunnen geven moeten we bekijken wat voor werk mensen doen en wat ze produceren. In hoofdstuk 2 zullen we laten zien dat de huidige wereld van arbeid en productie verandert onder de hegemonie van de immateriële arbeid. Dat wil zeggen, arbeid die immateriële producten als informatie, kennis, ideeën, beelden, relaties en affecten voortbrengt. Dit betekent niet dat er geen fabrieksarbeiders en landarbeiders zijn, of dat het aantal van dergelijke arbeiders wereldwijd is afgenomen. De arbeiders die zich met immateriële arbeid bezig houden vormen nog steeds een kleine minderheid van de wereldbevolking. Maar de eigenschappen en kenmerken van die immateriële arbeid vertonen de neiging de andere vormen van arbeid en zelfs de gehele samenleving te transformeren. Dergelijke arbeid vertoont de neiging zich niet tot de sfeer van de economie te beperken maar wordt ook een sociale, culturele en politieke kracht.
Ook vertoont immateriële arbeid de neiging om op communicatie en affectieve relaties gebaseerde netwerken aan te nemen. Dit vermogen om in alle aspecten van de samenleving en zijn coöperatieve netwerkvormen in te grijpen, kenmerkt de sociale samenstelling van de menigte die de verzetsbeweging tegen de permanente mondiale oorlogssituatie op gang brengt.
In hoofdstuk 3 zullen we de politieke oriëntatie van de menigte analyseren. We kunnen nu alvast daarop vooruitlopen door te stellen dat de verzets- en bevrijdingsbewegingen uit de moderne tijd gedreven werden door de behoefte om ellende en armoede te bestrijden en door een diep verlangen naar democratie. Een waarachtige democratie van een bewind over iedereen door iedereen. In het volgende gedeelte zullen we ingaan op de geschiedenis van de vrijheidsstrijd.

Van volksleger naar guerrillastrijd.

In het begin van de zestiende eeuw braken overal in Europa boerenopstanden uit, voornamelijk in reactie op de overgang naar het kapitalisme. Het kolonialisme buiten Europa veroorzaakte aanhoudende conflicten en opstanden. Groepjes gewapende boeren groeiden uit tot legers. Bij alle grote opstanden tegen koloniale machten formeerden gewapende bendes, partizanen, guerrilla's en rebellen volkslegers. Het moderne volksleger was een leger van fabrieksarbeiders, terwijl de guerrillatroepen in de eerste plaats boerentroepen waren.
Het volksleger voerde niet altijd tot wenselijke politieke resultaten. Het zegevierende volksleger moest of de macht zelf gaan uitoefenen (wat meestal gebeurde), of een burgerlijke regering aanstellen. Het volksleger vormt geen garantie voor democratie. Het ondemocratische karakter kan in de oorlogsfase getolereerd worden, maar niet wanneer het de aard van de naoorlogse politieke structuur gaat bepalen.

De ontwikkeling van de netwerkstrijd.

Aan het eind van de jaren zestig en zeventig ging de guerrillastrijd zich steeds meer in de grote steden afspelen. De technieken van de guerrillastrijd werden aangepast aan de nieuwe condities van de productie, overeenstemmend met informatiesystemen en netwerkstructuren.
De netwerkstrijd berust op creativiteit, communicatie en zelfgeorganiseerde samenwerking.
De zapatista's die in de eerste plaats een inheemse boerenbeweging zijn gebleven, gebruiken het internet en de andere communicatietechnologieën als structureel element binnen hun organisatie. De protestbewegingen tegen de globalisering zijn tot op heden het best ontwikkelde voorbeeld van het netwerkorganisatiemodel.

2. DE MENIGTE

Laten we voor een beter begrip van het concept van de menigte dit concept tegenover het concept van het volk plaatsen. Het volk is een. De menigte is samengesteld uit verschillende singulariteiten. Onder singulariteit verstaan we hier een sociaal subject waarvan de verschillende aspecten niet tot een gelijkvormigheid kunnen worden herleid. De verschillen zijn van blijvende aard. De samenstellende delen van een volk worden een, door hun verschillen overboord te zetten. De menigte is in staat tot gemeenschappelijk handelen en kan dus zelf regeren. De menigte is het enige sociale subject dat in staat is democratie, de regering van iedereen door iedereen, te verwezenlijken.

A. GEVAARLIJKE KLASSEN

Het gemeenschappelijk worden van de arbeid

De menigte is een klassenconcept. Klasse is een collectiviteit die gemeenschappelijke strijd levert. Het concept van de menigte heeft de bedoeling om het politieke project van de klassenstrijd van Marx, nieuw leven in te blazen. De vraag luidt niet "wat is de menigte" maar "wat kan de menigte worden".
We kunnen bij wijze van benadering de menigte opvatten als al diegenen die onder de heerschappij van het kapitaal werken en dus potentieel als diegenen die de overheersing van het kapitaal afwijzen. Het betreft niet alleen fabrieksarbeid, alle vormen van arbeid zijn maatschappelijk productief. In de laatste decennia van de twintigste eeuw raakte de fabrieksarbeid zijn hegemonie kwijt en in plaats daarvan kwam de immateriële arbeid op:
arbeid die immateriële producten als kennis, informatie, communicatie, relaties en emotionele reacties voortbrengt. Een aanwijzing voor het toenemend belang van de affectieve arbeid , in elk geval in dominante landen, is de tendens dat werkgevers opleiding, instelling, karakter en positief sociaal gedrag als de belangrijkste vaardigheden van hun werknemers gaan beschouwen. Huishoudelijke arbeid omvat naast taken als schoonmaken en koken ook affectieve arbeid. De vroegere fordistische economie werd gekenmerkt door stabiele, langdurige werkgelegenheid. Het post-fordisme wordt gekenmerkt door flexibele, mobiele en onbestendige arbeidsverhoudingen. De gedachte hierachter is dat de efficiency wordt vergroot door productiesystemen die snel kunnen reageren en door marktstrategieën die zich op gespecialiseerde markten richten.

Het verval van de boerenstand.

Toen Stalin zijn collectivisatieprogramma begon, meende het sovjetregime dat de landbouwproductie door economische schaalvergroting zou worden verhoogd, en dat het gebruik van geavanceerde hulpmiddelen en technologieën erdoor zou worden vergemakkelijkt. Op korte termijn was die collectivisatie geen succes door het heftige verzet van de boeren. Uiteindelijk heeft de socialistische modernisering van de landbouw de boerenklasse als economische klasse geëlimineerd. Het heeft geen zin de benaming boer te blijven gebruiken voor de landarbeider die op een groot collectief bedrijf werkt en geen land bezit.
In de kapitalistische landen kwam men via andere wegen op eenzelfde eindpunt uit. Zo was aan het begin van de twintigste eeuw in de Verenigde Staten de kleinschalige landbouwproductie volgens de kapitalistische markt niet meer levensvatbaar, en dit leidde tot een grote volksverhuizing van het platteland naar verstedelijke gebieden.
In de ondergeschikte kapitalistische landen worden kleinschalige landbouwproducenten systematisch van hun recht op grond beroofd, omdat steeds meer grond toevalt aan grote bedrijven.
Volgens de neoliberale ideologie is kleinschalig, op de eigen consumptie gerichte landbouw achterlijk en inefficiënt, ook vanwege zijn handelsbetrekkingen. In deze visie kan de landbouw alleen overleven door te concentreren op een artikel, dat men beter dan anderen kan produceren en dat men grootschalig kan distribueren. De daaruit voortvloeiende op de export gerichte monocultuur noodzaakt tot grootschalige productie en een concentratie van grondbezit.
De kapitalistische collectivisatie heeft dan ook geleid tot een feitelijk monopolie op de grond met grote productie-eenheden waarop hele legers landarbeiders voor de wereldmarkt produceren.
De boer is dan ook een bijfiguur in de landbouweconomie geworden.
De meest vernieuwende huidige verzetsvormen van landbouwers, zoals die van de Franse Confédération Paysanne en de Braziliaanse Movimento Sem Terra, openen voor iedereen nieuwe perspectieven op het terrein van ecologie en duurzame economische oplossingen.

De rijkdom van de armen.

De uitspraak dat het gemeenschappelijk worden van de arbeid een noodzakelijke voorwaarde voor de vorming van de menigte is, zou kunnen suggereren, dat zij die van betaalde arbeid zijn uitgesloten -de armen, de werklozen, de daklozen- per definitie ook van de menigte uitgesloten zijn. Dit is echter niet het geval, want die klassen zijn wel degelijk opgenomen in de maatschappelijke productie. De armen geven voorturend uiting aan een enorme levenskracht en productieve kracht. We moeten beseffen dat de armen slachtoffers zijn van de mondiale orde van het Empire. Echter de armen zijn niet alleen slachtoffer, maar ook een politieke machtsfactor. Ze maken deel uit van de maatschappelijke circuits.
De term "lompenproletariaat" heeft bij tijd en wijle zelfs gediend om de armen als groep te demoniseren.
De armen zijn potentiële dwarsliggers.
Migranten vormen een speciale categorie onder de armen. De rijkdom van migranten wordt deels gevormd door hun verlangen naar iets beters, hun weigering om een bestaande toestand te accepteren. Natuurlijk migratie komt meestal voort uit de noodzaak om aan geweld, hongersnood of extreme armoede te ontsnappen, maar daarbij komt een positief verlangen naar rijkdom, vrede en vrijheid.
De immigranten besmetten de hele samenleving met hun subversieve verlangens. Vluchten is een soort training voor het verlangen naar vrijheid.
Migranten demonstreren de gemeenschappelijkheid van de menigte door alle geografische barrières over te steken en ze zodoende gedeeltelijk te ondermijnen.
De mobiliteit en de gemeenschappelijkheid van werkenden in de immateriële sfeer, de fabrieksarbeiders, de landarbeiders, de armen en de migranten zijn gevaarlijk.
Ze dreigen voortdurend de mondiale hiërarchieën en de verdelingen waarvan het mondiale kapitalisme afhankelijk is, te destabiliseren. Ze sluipen over grenzen en graven verbindingstunnels die muren ondermijnen.

In de voetsporen van Marx

Marx heeft zich afgezet tegen idealistische filosofieën die uitgaan van onafhankelijke, transhistorische, theoretische kaders die op alle maatschappelijke werkelijkheden van toepassing zijn. Hij legt uit dat ons inzicht op de huidige maatschappelijke omstandigheden moet zijn afgestemd, en dus in de loop van de geschiedenis moet veranderen. Voor de nieuwe werkelijkheid hebben we dus nieuwe theorieën nodig. Nu de kapitalistische productiewijze en de kapitalistische samenleving als geheel zijn veranderd, moeten we een nieuw theoretisch kader ontwikkelen voor de huidige situatie. Toen Marx de industriearbeid en de kapitalistische productiewijze bestudeerde, was de landbouw nog dominant. Maar Marx herkende in het kapitaal en de industriearbeid een tendens die als aanjager van toekomstige transformaties zou fungeren. We stelden al eerder dat in de huidige economie de immateriële arbeid aan alle andere vormen van arbeid, een tendens heeft opgelegd. Zo heeft in de huidige economie immateriële arbeid een positie van hegemonie verkregen.

De huidige kapitalistische productiewijze wordt gekenmerkt door een verschuiving van de hegemonie van de industriearbeid naar de immateriële arbeid.
Elke periode wordt gekenmerkt door gemeenschappelijke vormen. Het berust volgens Foucault niet op toeval dat de gevangenis op de fabriek lijkt, de fabriek op de school, de school op de kazerne, de kazerne op het ziekenhuis. Al deze instituten hebben een gemeenschappelijke vorm.
Tegenwoordig zien we overal netwerken: militaire organisaties, sociale bewegingen, zakelijke instellingen, migratiepatronen, communicatiesystemen, taalkundige verbanden en zelfs persoonlijke verhoudingen.
Voor Marx is de arbeidstijd de basis van de waarde meting. Deze opvatting is echter niet langer houdbaar nu de werkdag en de productietijd onder hegemonie van de immateriële arbeid diepgaand zijn veranderd.
Een theorie over de verhouding tussen arbeid en waarde moet tegenwoordig op het gemeenschappelijke gebaseerd zijn.
Immateriële arbeid wordt onder de heerschappij van het kapitaal nog net zo uitgebuit als materiële arbeid. Arbeid wordt nog altijd gecontroleerd door kapitalisten die zich de geproduceerde rijkdom toe-eigenen.
Doordat de relatie tussen arbeid en waarde veranderd is, moet ook ons begrip van de uitbuiting worden bijgesteld.
Bij Marx stemt de mate van uitbuiting overeen met de overtollige arbeidstijd. Dat wil zeggen, dat deel van de werkdag dat de tijd te boven gaat die de werkende nodig heeft om een waarde te produceren die gelijk is aan het uitbetaalde loon.
Tegenwoordig echter moeten we trachten de uitbuiting als de onteigening van het gemeenschappelijke op te vatten. Uitbuiting is de private toe-eigening van waarde die gemeenschappelijk is geproduceerd.
Geld is niet alleen een algemeen betaalmiddel, maar ook de ultieme representatie van het gemeenschappelijke. De winsten van het financieringskapitaal zijn waarschijnlijk de zuiverste vorm van onteigening van het gemeenschappelijke.
Het beheer over de mondiale verdeling van arbeid en macht is een van de wapens waarmee het kapitaal de macht over de mondiale productie en rijkdom kan behouden.

B. DE CORPORE

Mondiale apartheid.

We bevinden ons in een overgangsperiode, waarin de soevereiniteit van de natiestaten afbrokkelt en een overvloed aan nieuwe machtsstructuren ontstaat. Het enige wat constant aanwezig blijft, is de macht zelf.
Staten blijven een doorslaggevende rol spelen bij de bepaling en handhaving van de wettige en economische orde, maar hun handelen, richt zich steeds minder op nationale belangen en steeds meer op de opkomende mondiale machtsstructuur.
Economische rijkdom en macht zijn nog altijd ongelijk over de wereld verdeeld en de verdelingen tussen geografische gebieden en bevolkingen verschuiven steeds.
De mondiale verdelingen zijn het resultaat van een machtsstrijd.

Een reisje naar Davos.

In de Zwitserse stad Davos komen elke winter de financiële, industriële, en politieke oligarchieën van de wereld bijeen. Davos illustreert dat de economische, politieke en bureaucratische elites van de wereld voortdurend met elkaar moeten samenwerken.
Als men onder een vrije markt een autonome, spontane markt verstaat, die vrij is van politieke controle, bestaat er niet zoiets als een vrije markt. De vrije markt berust simpelweg op een mythe.
Diegenen die bepleiten dat markten van staatscontrole worden bevrijd, vragen in werkelijkheid niet om minder politieke controle, maar alleen om een andersoortige politieke controle.
Als er geen politieke regulering bestond, dat wil zeggen geen geweldsrelatie om arbeidsconflicten op te lossen, zou er geen kapitalistische markt bestaan. Alle voorstanders van de vrije markt weten in hun hart dat alleen politieke regulering en geweld de vrije markt mogelijk maken.
Internationale zakelijke overeenkomsten worden gedekt door natiestaten die voortdurend met sancties kunnen dreigen. Sommige natiestaten kunnen een overweldigend gezag laten gelden.
Op die manier biedt het recht niet aan iedereen gelijke kansen.
Net als andere grote bureaucratische organisaties bezitten de Wereldbank en het IMF een mate van autonomie en fungeren ze als mondiale instituten.
Het basisproject van het IMF bestaat er uit om dwang uit te oefenen op staten om keynesiaanse sociale programma's te laten varen en voor een monetaristisch beleid te kiezen.
Het legt zieke en zwakke economieën een neoliberale formule op die minimale uitgaven aan sociale voorzieningen, privatiseringen van staatsbedrijven en hulpbronnen, en het terugschroeven van de staatsschuld omvat.
We moeten voortdurend bedenken dat deze instituties de mondiale economie reguleren.
Afschaffen van het IMF of de Wereldbank zou de mondiale hiërarchieën niet verzwakken.
Een andere organisatie zou hun rol overnemen, of er zou, erger nog sprake zijn van minder regulatie van de dominante bedrijven en staten, een gevaarlijke situatie voor het kapitaal en een gegarandeerde catastrofe voor ons allemaal.

De terugkeer van de krachtige overheid.

Zeker na 11 september is de krachtige overheid wat meer op de voorgrond getreden. De Verenigde Staten hebben sinds die datum verschillende projecten geleid, gericht op de mondiale veiligheid en het waarborgen van de mondiale economische orde.
De krachtige overheid die de marktorde waarborgt, moet voor een deel op militaire macht berusten. Het kapitaal moet soms een beroep op de krijgsmacht doen om onwillige markten open te breken en bestaande markten te stabiliseren.
De nieuwe behoefte aan een krachtige overheid houdt echter geen terugkeer naar het keynesiaanse denken in.
Onder het keynesianisme ondersteunde de natiestaat de economische stabiliteit en groei door te voorzien in mechanismen om tegemoet te komen aan de belangen van de arbeidersklasse, en daardoor werd de maatschappelijke vraag naar productie verhoogd.
Nu wordt volledig de kant van het kapitaal gekozen en zijn er geen mechanismen meer om in de conflictueuze relatie van kapitaal en arbeid te bemiddelen.
Het is misschien niet verbazend dat in dit overgangstijdperk de corruptie algemeen om zich heen grijpt.
Telkens wanneer er een overgang van het ene naar het andere regime plaatsvindt, wanneer de oude regels niet meer gelden en de nieuwe nog niet stevig hebben wortelgeschoten, zegeviert de corruptie.
De verzwakking van nationale wettige regelingen, de voorkeur voor ongeschreven regels, en het zwakke overheidsbestuur betekenen dat jagers op winst vrijuit hun gang kunnen gaan.
We zullen in elk geval niet verrast zijn wanneer zich tijdens de langdurige processen van "nation building" vormen van corruptie zullen manifesteren.

Het leven op de markt.

Bescherming van het privé eigendom is een van taken van een overheid. Voor alle privé-eigendom is altijd politiebescherming nodig geweest.
Voor immaterieel eigendom zijn uitgebreidere veiligheidsmaatregelen van het gezag vereist.
Het denken over privé-eigendom gaat per traditie uit van schaarste, materieel bezit kan niet op twee plaatsen gelijk zijn. De onbeperkte reproduceerbaarheid, die een wezenstrek van de
immateriële vormen van bezit is, ondermijnt elke notie van schaarste.
Voor de legitimering en bescherming van nieuwe vormen van eigendom in het bijzonder de immateriële, zijn nieuwe en uitgebreide juridische mechanismen nodig.
Veel vormen van immateriële eigendom maken op het eerste gezicht een onrechtvaardige indruk en vereisen dan ook ingrijpende juridische vernieuwingen. Dit is bijvoorbeeld het geval met "bio-eigendom", ofwel levensvormen die privé-eigendom zijn geworden.
De nieuwe wetgeving ter bescherming van privé-eigendom berust op erkenning van immateriële arbeid. Wat we eerst als een onderdeel van de natuur en dus als gemeenschappelijk eigendom beschouwden, is in werkelijkheid een product van menselijke arbeid en vernuft, en kan daarom als privé-eigendom worden beschouwd.
Een van de meest omstreden terreinen betreft het eigendom van genetische informatie.
Het noordelijk halfrond is arm qua genetische variëteit aan plantensoorten, maar toch bezit men in het Noorden de meeste octrooien op plantenvariëteiten. Veel van de noordelijke octrooien zijn gebaseerd op informatie die is onttrokken aan genetisch materiaal van planten uit het Zuiden. De zuidelijke rijkdom levert niets op en de winst gaat naar het Noorden.
Sommigen luiden de noodklok omdat genetisch gemanipuleerd "Frankenstein- voedsel" gevaarlijk voor onze gezondheid zou zijn en de natuurlijke orde zou verstoren.
De integriteit van de natuur mag niet worden geschonden. Wij vinden dat dit riekt naar een theologisch zuiverheidsargument. Natuur en het leven als geheel zijn altijd kunstmatig.
Genetisch gemodificeerde gewassen kunnen heilzaam of schadelijk zijn. De beste veiligheidsgarantie is dat experimenten op open, democratische wijze onder gemeenschappelijke controle plaatsvinden, en dat wordt door het privé-eigendom tegengegaan.
Creativiteit en innovatie worden in toenemende mate belemmerd door privé-eigendom dat de toegang tot ideeën en informatie beperkt. De vroegere creativiteit van de cybernetische revolutie en de ontwikkeling van internet, werden mogelijk gemaakt door buitengewone openheid en toegang tot informatie en technologieën. Dit alles wordt nu op alle niveaus in toenemende mate beknot: qua fysieke knooppunten, codes en inhoud. De privatisering van het elektronische net is een obstakel voor verdere innovatie geworden.
Mogelijk zullen we ooit nog eens beseffen hoe dom we waren doordat we het privé-eigendom zo veel vormen van rijkdom hebben laten monopoliseren, vernieuwingen hebben laten tegenhouden en het bestaan hebben laten aantasten, voordat we ontdekten dat we het gemeenschappelijk leven volledig aan het gemeenschappelijke moesten toevertrouwen.

C. SPOREN VAN DE MENIGTE

De productie van het gemeenschappelijke

Werd fabrieksarbeid gekenmerkt door specialisatie en vaste activiteiten die over langere termijn steeds werden herhaald, immateriële arbeid vereist het vermogen tot voortdurende aanpassing aan nieuwe contexten.
Het feit dat het gemeenschappelijk leven kenmerkend is voor de immateriële productie, betekent nog niet dat we een vrije en democratische samenleving tot stand hebben gebracht.
We zagen al eerder dat de uitbuiting tegenwoordig via de controle van het gemeenschappelijke door het kapitaal rechtstreeks op onze uitingsvormen ingrijpt.
De wijde maatschappelijke verbreiding en de centrale economische plaats die deze praktijken van het gemeenschappelijke in onze wereld innemen, verschaffen de voorwaarden voor de creatie van een op vrije expressie en een op gemeenschappelijk leven gebaseerde democratie.

Voorbij de grenzen van het private en het publieke.

De afgelopen jaren zijn we getuige geweest van tal van juridische ontwikkelingen waardoor de maatschappelijke controle wordt vergroot ten koste van de privacy rechten. In de redeneertrant van de bestrijders van terrorisme en verzet bestaat er zelfs geen private sfeer, aangezien de veiligheid uiteindelijk voor al het andere gaat.
Anderzijds wordt het "publieke" door het neoliberalisme geprivatiseerd. Economen beweren zelfs dat elk goed privé-eigendom moet zijn, wil het in productief opzicht maximaal worden benut.
In maatschappelijk opzicht bestaat er de tendens om alles publiek te maken, zodat de overheid er toezicht en controle over kan uitoefenen; en in economisch opzicht bestaat juist de tendens alles privaat te maken en aan de eigendomsrechten te onderwerpen.
Zelfs de fanatiekste neoliberale ideoloog zal moeten erkennen dat het "algemeen belang" vormen van regelgeving vereist die de beschikbaarheid van publieke diensten garandeert, zoals een betrouwbare energielevering.
De publieke goederen en diensten vormden de basis van de moderne natiestaat.
Alles wat algemeen of publiek is moet weer toevallen aan en beheerd worden door de menigte en aldus gemeenschappelijk worden.

De mobilisatie van het gemeenschappelijke

Overduidelijk moet zijn dat de menigte niet spontaan als politieke grootheid ontstaat en dat er ambivalente condities bestaan, condities die tot bevrijding kunnen leiden, maar die ook onder een nieuw regime van uitbuiting en controle kunnen worden gebracht.
Deprivatie kan woede, verontwaardiging en antagonisme opwekken. Revolte ontstaat alleen op basis van rijkdom, oftewel een surplus aan intelligentie, ervaring, kennis en verlangen.
Aan het begin van de negentiende eeuw verspreiden slavenopstanden zich door het Caribische gebied, aan het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw verspreidden opstanden van fabrieksarbeiders zich door Europa en Noord-Amerika, en halverwege de twintigste eeuw bloeiden de guerrilla en de strijd tegen het kolonialisme op in Azië, Afrika en Latijns Amerika. Het gemeenschappelijke was niet alleen de vijand- zoals slavernij, het industriële kapitaal of kolonialisme- maar ook de gemeenschappelijke leefwijzen, strijdmethoden, en verlangens naar een betere wereld.
Na 1968 waren er wel conflicten, zoals de strijd tegen de apartheid in Zuid-Afrika, de aanhoudende opstand tegen de Britse overheersing in Noord-Ierland, de Palestijnse Intifada, maar geen van deze revoltes leidde tot een cyclus van conflicten waarin het gemeenschappelijke over de hele wereld werd gemobiliseerd.
Aan het eind van de jaren negentig ontstond een nieuwe internationale cyclus rond de problemen van de globalisering. De eerste manifestatie van de nieuwe cyclus waren de protesten rond de WTO-topconferentie in Seattle in 1999. Opeens bleken de rellen tegen de door het IMF opgelegde begrotingsdiscipline in het ene land, de protesten tegen een project van de Wereldbank in een tweede land en de demonstraties tegen de NAFTA in een derde land stuk voor stuk tot een gemeenschappelijke cyclus van conflicten te behoren. Deze cyclus is in zekere zin geconsolideerd op de jaarlijkse bijeenkomsten van het Wereld Sociaal Forum
en de regionale sociale Fora. Het hoogtepunt in de huidige cyclus werd gevormd door de gecoördineerde protesten tegen de oorlog in Irak op 15 februari 2003.Daarbij gingen miljoenen mensen in steden overal ter wereld de straat op.
In de laatste decennia van de twintigste eeuw was bij protestbewegingen en revoltes in grote lijnen sprake van twee organisatievormen. De meest traditionele gaat uit van centraal leiderschap, zoals de partij. De tweede dominante netwerkvorm gaat uit van het recht van elke groep, om autonoom zijn eigen strijd te voeren.
Al-Qaeda is volgens deskundigen ook een netwerk, maar met tegengestelde eigenschappen: het is een clandestien netwerk met een strenge hiërarchie en een centrale bevelhebber.
Al-Qaeda valt aan om oudere regionale maatschappelijke en politieke lichamen onder controle van een religieus gezag, nieuw leven in te blazen, terwijl de bestrijders van de globalisering een vrijere, meer democratische mondiale wereld beogen.

De menigte en links.

Politiek links verkeert al enkele decennia in een crisis. Alle maatschappelijke lichamen die vroeger "het linkse volksdeel" vormden, lijken in het niets te zijn opgelost.
De voornaamste oude modellen, het staatssocialisme in sovjetstijl en de sociaal-democratische verzorgingsstaat, zijn terecht al hun geloofwaardigheid kwijtgeraakt.
Links kan alleen herrijzen en hervormen op basis van een nieuwe politieke praktijk, nieuwe organisatievormen en nieuwe concepten.
Democratie kan niet langer op liberale wijze als een beperking van de gelijkheid, of op socialistische wijze als een beperking van de vrijheid worden beschouwd, maar moet zonder reserves de radicalisering van vrijheid en gelijkheid behelzen.
Men zou kunnen zeggen dat het vermogen tot vrijheid en de geneigdheid geen gezag te aanvaarden, de gezondste en nobelste menselijke instincten zijn, de ware tekenen van de eeuwigheid.
Terwijl het Empire voortdurend van de menigte en haar sociale productiviteit afhankelijk is, is de menigte potentieel autonoom en bezit ze het vermogen zelfstandig een samenleving te creëren.
Rijkdom en macht zijn ongelijk verdeeld op de wereld, onze stelling houdt echter in dat een gemeenschappelijk project mogelijk is. We zijn allemaal in staat tot democratie.
Het is belangrijk te bedenken, dat een andere wereld, een betere, meer democratische wereld mogelijk is. De menigte is een zinnebeeld van ons verlangen naar een dergelijk wereld.

3. DEMOCRATIE

A. DE LANGE MARS VAN DE DEMOCRATIE

De samenvatting paste niet geheel in een file, en gaat hier verder.

(Dit artikel was oorspronkelijk op GlobalInfo gepubliceerd door Tijn van Beurden.)