Zes jaar na zijn monsterhit 'Kapitaal in de Eenentwintigste Eeuw' komt Frans econoom Thomas Piketty met zijn tweede worp. 'Capital et Idéologie' (nog niet vertaald) combineert zorgvuldige analyse met visionair denkwerk om onweerlegbaar de bewijzen te leveren dat elk economisch systeem, van de Romeinse slavernij tot het huidige neoliberalisme, een ideologie uitvindt om zichzelf te rechtvaardigen. Jan Blommaert recenseert.

(Door Jan Blommaert, overgenomen van DeWereldMorgen)

De verschijning in 2013 van Le capital au XXIe siècle, vertaald als Kapitaal in de Eenentwintigste eeuw (zie Thomas Piketty: de recensie) maakte van Thomas Piketty een wereldwijde vedette. Dat was merkwaardig, want het boek was bijna 1.000 pagina’s lang, behoorlijk technisch en dus niet altijd even vlot leesbaar.

Het centrale argument ervan sloeg echter in als een bom. Piketty toonde aan hoe sinds de jaren 1990 een nieuw soort kapitalisme zorgde voor een spectaculair toegenomen ongelijkheid, waarbij grote fortuinen (verworven hetzij door industrieel initiatief, hetzij door erfenis – of combinaties van beide) veel sneller groeiden dan elke andere vorm van inkomen.

Vijf jaar na de val van Lehman Brothers, de economische ramp die dit veroorzaakte, en de keiharde besparingsmaatregelen die erop volgden in heel wat landen, was die boodschap duidelijk welkom, zeker omdat ze vergezeld ging van een pleidooi voor meer herverdeling.

Een enorme ruimte

Het is in deel drie van Le capital au XXIe siècle dat we de wortels moeten zoeken van Capital et idéologie. In een bespreking van de manier waarop miljardairs zoals Bill Gates bejubeld worden in magazines zoals Forbes merkt Piketty haast terloops op dat deze nieuwe cultus van de gefortuneerde ondernemer een uiting is van “le besoin irrépressible des sociétés démocratiques modernes de donner un sens aux inégalités” (p. 709). Het nieuwe boek opent met de these “Chaque société humaine doit justifier ses inégalités” (p. 13), en doet dit door middel van ideologische rationaliseringen. Daarover gaat Capital et idéologie.

De cultus van de gefortuneerde ondernemer is een uiting van “de niet onderdrukbare drang van democratische maatschappijen om zin de tegen aan de ongelijkheid”.

Piketty neemt ruim de tijd om zijn stelling uit te werken. Capital et idéologie is nog langer dan z’n voorganger – bijna 1200 pagina’s in nog kleinere druk – en de radius ervan is adembenemend. De “sociétés démocratiques modernes” zijn immers vervangen door “chaque société humaine” en de eerste helft van het boek biedt een aantal indrukwekkende analyses die zowel historisch als ruimtelijk een veel ruimer bereik hebben dan Le capital au XXIe siècle.

Historisch overloopt Piketty een reeks transformaties in het economische stelsel en de manier waarop dit leidde tot nieuwe vormen van economische organisatie en – onvermijdelijk – de rationalisering van ongelijkheden. De tijdsdiepte beslaat verschillende eeuwen en wordt bepaald door de beschikbaarheid van betrouwbare gegevens.

Ruimtelijk behandelt hij uiteraard de hedendaagse “Global North” samenlevingen die eerder al centraal stonden (Frankrijk, Groot-Brittannië, De VS, Zweden, Japan) maar ook postkoloniale samenlevingen zoals India, communistische en postcommunistische landen zoals Rusland en China, samenlevingen waarin slavernij wijdverspreid was, zoals Brazilië, de VS en Rusland tot de late 19de eeuw, en landen zoals Iran waar een deel van het sociale en economische leven door de Islam wordt beregeld.

Echte vooruitgang is nooit het effect geweest van grote concentraties van rijkdom, maar van een streven naar gelijkheid en toegang tot onderwijs.

De eerste conclusie van deze gigantische comparatieve oefening is dat ongelijkheid effectief geglobaliseerd is en de vorm aanneemt (en aannam) van verschillende “ongelijkheidsregimes”. De tweede conclusie, duidelijk geworteld in het vroegere werk van Piketty, is dat echte vooruitgang nooit het effect is geweest van grote concentraties van rijkdom, maar wel van een streven naar gelijkheid en toegang tot onderwijs.

Maar dit is niet de kern van het boek, wel de ruimte van extrapolatie die Piketty schetst voor een nieuw argument: “capital” is nu vergezeld van “idéologie”. Zoals gezegd ziet Piketty in de grote concentratie van rijkdom (dus: grote ongelijkheid) weinig goeds.

Maar we leven net in een tijd waarin de concentratie van rijkdom zelden geziene proporties heeft aangenomen en ook een enorme concentratie van macht inhoudt. Hoe wordt zoiets uitgelegd? En hoe wordt daarop gereageerd? Deze vragen vormen de grote structuren van het boek en Piketty pakt ze aan met een reeks boeiende stellingen en begrippen.

Hyperkapitalisme uitgelegd

Laat me beginnen bij de vraag hoe ongelijkheidsregimes uitgelegd worden. De ongelijkheidsregimes zijn telkens gestoeld op twee ideologische pijlers: een regime voor de verdeling van bezit en een regime van grenzen aan wie toegang heeft tot bezit en rechten. De twee gaan hand in hand: elk ongelijkheidsregime wordt ideologisch verklaard via een reeks mechanismen die de toegang tot en de verdeling van bezit begrenzen – door middel van de natiestaat, regio’s, etnische of religieuze groepen, sociale klassen en zo meer.

In een geglobaliseerde wereld wordt het ideologische debat over de grenzen waarbinnen bezit verdeeld kan worden steeds scherper. In de 20ste eeuw vielen oude ongelijkheidsregimes uiteen en werden ze, zeker na de Tweede Wereldoorlog, vervangen door een regime waarin herverdeling centraal stond, en waarin de categorie van wie aanspraak kon maken op de vruchten van de vooruitgang verruimd werd – denk aan de dekolonisatie, het kiesrecht voor vrouwen en de spectaculaire verbreding van de toegang tot voortgezet onderwijs.

Maar in de huidige fase van globalisering, die sinds het einde van de Koude Oorlog en met behulp van het Internet z’n gang gaat, neemt het ideologische antwoord slechts een enkele vorm aan: die van “hyperkapitalisme”. En dat antwoord zorgt zowat overal voor problemen en instabiliteit want het leidt tot de terugkeer van een samenlevingsmodel dat in de 20ste eeuw stilaan uitdoofde: een samenleving waarin de vermogende klasse het voor het zeggen heeft en waarin we opnieuw een vorm van “hyperongelijkheid” kennen die de verwezenlijkingen van een eerdere periode ongedaan maakt.

Het voorbeeld bij uitstek: de EU

Een voorbeeld dat Piketty herhaaldelijk uitwerkt is de EU: een politiek antwoord op globalisering dat noodzakelijk is, maar in de feiten enkel opereert als een zone van “veralgemeende concurrentie tussen gebieden en mensen en van het vrije verkeer van goederen, kapitaal en werkenden, zonder een poging om gemeenschappelijke instrumenten te ontwikkelen voor een grotere sociale en fiscale rechtvaardigheid” (p990).

Het regime van bezit ligt vast – de EU is boven alles een vrijhandelszone – en bevoordeelt de grote vermogens die de fiscale en sociale concurrentie tussen lidstaten kunnen uitspelen en groot genoeg zijn om correcties hiervan tegen te werken. Goed beleid is dus beleid dat zich binnen de Maastricht-norm voor begrotingstekorten houdt, in functie daarvan voluit privatiseert en bespaart, en de private ondernemingen en fortuinen fiscaal beschermt en stimuleert.

De individuele EU-lidstaten hebben nauwelijks nog impact op de grote economische hefbomen en dus blijft er maar één soort macht meer over: de macht over de grenzen, met migratie, identiteitspolitiek en de morele orde van de samenleving als brandpunten.

De taxshift van de regering-Michel is er een uiting van. En terwijl er tot voor kort in de Unie nog een streven naar Europees federalisme bestond is dit sinds het Verdrag van Lissabon in 2007, en zeker na de crisis vanaf 2008, vervangen door een uitgesproken economisme: de Europese Unie is in feite terug de Europese Economische Gemeenschap geworden.

Het punt is dat individuele lidstaten nauwelijks nog impact hebben op de grote economische hefbomen in hun samenlevingen en dus blijft er maar één soort macht meer over voor hen: de macht over de grenzen, met migratie, identiteitspolitiek en de morele orde van de samenleving als brandpunten.

Bij gebrek aan economische macht krijgt macht snel de vorm van nationalisme en veiligheidsbeleid. Ik stip aan dat de EU een goed voorbeeld is van de grote naoorlogse transnationale infrastructuur die de globalisering gestalte gaf, met de VN en z’n vele instellingen, de OESO, de NAVO, de WTO en een lange reeks van mondiale of regionale handelsakkoorden, samenwerkingsverbanden en ordeningsmechanismen.

Die staan nu allemaal onder druk als vormen van “globalisme” die “nationale soevereiniteit” in de weg staan en die door lieden zoals Trump, Johnson en Bolsonaro zonder pardon aangevallen worden. We krijgen in ruil een versnelde economische globalisering zonder enige vorm van politieke inspraak of controle.

De reacties op hyperkapitalisme

Dat brengt ons tot de tweede vraag: hoe wordt hierop gereageerd? Piketty’s antwoord erop zal zonder twijfel alweer de nodige discussie veroorzaken. Om dit te snappen moeten we een paar stapjes terug.

In tegenstelling tot zijn vorige boek, waarin hij zich beperkte tot een aantal voorstellen om de toenemende ongelijkheid af te remmen, gaat Piketty in Capital et idéologie uitvoerig de politiek-analytische toer op. Het hele vierde deel van het boek (ruim 350 pagina’s) wordt gewijd aan de ontwikkeling van een politieke sociologie die, vooral met behulp van electorale gegevens, de grote lijnen van een hyperkapitalistische en geglobaliseerde politieke ruimte moet schetsen.

Piketty kijkt hierbij met veel nadruk naar de combinatie van twee parameters: inkomensniveaus en opleidingsniveaus. Wat dat laatste betreft, ziet Piketty de spectaculaire toename van hoger gediplomeerden als een van de belangrijkste verwezenlijkingen van de periode tussen ruwweg 1950 en 1980 waarin herverdeling het politieke paradigma vormde.

Die ontwikkeling heeft echter een groot politiek-sociologisch gevolg: de klassenmaatschappij waarin het herverdelingsparadigma vorm kreeg is stilaan veranderd in een samenleving waarin “meervoudige elites” hun rol spelen, en die elites hebben allebei baat bij de hedendaagse structuren van de globalisatie.

Piketty noemt ze, enerzijds, “la gauche brahmane” (hoogopgeleid links, de intellectuele en culturele elite) en anderzijds ‘la droite marchande” (welstellend rechts, de elite van het geld en het ondernemerschap). Wat die eersten betreft: de sociaaldemocratische partijen zijn en masse de partijen van de hoogopgeleiden geworden, niet meer die van de arbeiders.

Het is de opkomst van deze meervoudige elites die het oudere electorale systeem van klassentegenstellingen heeft uitgehold. Immers, de werkende klasse en de lager middenklasse zijn de grote verliezers van de huidige hyperkapitalistische globalisatie, en ze keren zich af van projecten zoals de EU die deze globalisatiegolf mee gestalte geven en van de klassieke sociaaldemocratische partijen die (onder leiding van brahmanen zoals Blair) deze golf toejuichten.

In de ruimte tussen de elitaire “gauche brahmane” en de even elitaire “droite marchande” krijgen we dan een derde grote politieke kracht: populisme, en dan vooral in z’n “sociaal-nativistische” gedaante waarin een xenofoob nationalisme en een agressieve identiteitspolitiek vermengd worden met een reeks sociaaleconomisch herverdelende programmapunten.

Sociaal-nativisme is de nieuwe gedaante van extreemrechts en ze vervangt de economisch libertaire lijn die partijen zoals die van Le Pen tevoren volgden. Het zijn deze sociaal-nativistische partijen die de verliezers van de hyperkapitalistische globalisatiegolf aantrekken en die de legitimiteit van de meervoudige elites continu in vraag stellen.

Ze combineren een regime van bezit – herverdeling – met een regime van grenzen – Eigen Volk Eerst – en met dit ideologische verhaal halen ze vlot een kwart van het electoraat binnen, zowel in de VS en in de Europese kernlanden als in de postcommunistische EU-lidstaten in Oost-Europa. Vergelijkbare trends zien we overigens in India, het Midden-Oosten, China en Brazilië.

Piketty ziet geen heil in dit sociaal-nativisme en pleit dus voor recepten die we al kennen uit zijn vorige werk. Fiscaliteit is het centrale instrument: we hebben een politiek van herverdeling nodig die via progressieve belastingen ook de grote fortuinen en het kapitaalverkeer aanpakt en op die manier de hyperkapitalistische accumulatie aftopt.

En daarvoor hebben we een “participatief socialisme van de 21ste eeuw” nodig dat de hefbomen van de macht in handen geeft van de gehele bevolking, niet enkel z’n elites. En we hebben zo’n project nodig op een transnationale schaal – dezelfde schaal als degene waarop de accumulatiemechanismen spelen.

“De ongelijkheden in het hyperkapitalisme zijn geen wetmatigheden en evenmin een logisch gevolg van eerdere ontwikkelingen. Het zijn ideologische fenomenen di een economisch en politiek systeem rationaliseren dat de menselijke vooruitgang ten gronde tegenwerkt.”

Want zoals eerder vermeld is binnen het kader van de economisch machteloze natiestaat de tendens naar xenofoob nationalisme moeilijk tegen te gaan. Regeringen hebben nu eenmaal een programma voor machtsuitoefening nodig. Ik laat Piketty aan het woord: “van zodra men verklaart dat er geen geloofwaardig alternatief bestaat voor de huidige sociaaleconomische organisatie en voor de ongelijkheden tussen klassen, is het weinig verbazend dat de hoop op verandering zich richt op een ophemeling van de grenzen en van de identiteit” (p. 1.112). Hoe kleiner de te verdelen koek, hoe kleiner men de ruimte maakt waarbinnen de koek verdeeld moet worden.

Piketty benadrukt voortdurend dat deze ongelijkheden en het hyperkapitalisme dat ze produceert geen wetmatigheden zijn en evenmin een logisch gevolg van eerdere ontwikkelingen. Het zijn ideologische fenomenen die een economisch en politiek systeem rationaliseren dat de menselijke vooruitgang ten gronde tegenwerkt.

Dat is de grote krachttoer die hij in dit boek verwezenlijkt: de economie en haar mechanismen worden verklaard als het gevolg van ideologische keuzen, en een ervan is de weigering om na te denken over alternatieven.

Vooruitgang is fragiel

Van dat laatste zal men Piketty nooit kunnen beschuldigen. Capital et idéologie is een boek waarin puntige en zorgvuldige analyses voortdurend gecombineerd worden met visionair denkwerk – denkwerk dat niet zomaar een oplossing tot doel heeft maar een totaalvisie op hoe een rechtvaardige samenleving moet ingericht worden, met het oog op menselijke vooruitgang.

Op die visie-in-aanbouw kan men allerlei commentaren formuleren. Er zijn, bijvoorbeeld, betere analyses geschreven over Nieuw Rechts en populisme, en ook de afbakening van de “gauche brahmane” en de “droite marchande” verdient een kritisch onderzoek.

Maar de oefening op zich, het zoeken naar een grote alternatieve visie, een Groot Verhaal, is iets waarvan we nooit genoeg kunnen krijgen. Want wanneer doorheen dit lijvige boek één punt aan de oppervlakte komt, is het hoe nefast een vernauwde blik op politiek en samenleving wel is.

Wanneer men de economie voorstelt als een gedepolitiseerd mechanisme ontzegt men aan elkeen die er deel van uitmaakt (en dat is ieder van ons) de macht om de effecten van die economie in vraag te stellen en aan te pakken. De gevolgen daarvan zijn voor Piketty helder: chaos, instabiliteit, onrecht en het terugschroeven van zaken die we als vooruitgang zagen. Om het met zijn woorden te zeggen: “menselijke vooruitgang bestaat wel degelijk, maar ze is fragiel” (p. 31). Het is een boodschap die we best ter harte nemen.

Dit is een overname van Jan Blommaert (en z’n gedachten).

Thomas Piketty, Capital et idéologie. Seuil, Paris, 2019. pp. 1198 ISBN 9782021338041.