Raoul Vaneigem heeft zich in een openbare brief (van 31 januari 2020) gericht aan de opstandelingen in Chili. Het is een antwoord op een vraag om verduidelijking van het begrip ‘openbaar goed’. Die brief is in verschillende talen verspreid. Onlangs heeft onze Belgische kameraad Geert Carpels daarvan een Nederlandse vertaling gemaakt. Hieronder treft u de tekst aan. [ThH]

(Door Raoul Vaneigem, vertaling door Geert Carpels, eerder verschenen op Libertaire Orde)

In de verbeelding van revoluties heeft Frankrijk een bijzondere plaats bekleed, en dat doet het nog steeds. Het is het land waar voor het eerst in de geschiedenis een revolutie erin is geslaagd het immobilisme en het obscurantisme te doorbreken. Dat legde de overmacht op van een economie die hoofdzakelijk was gebaseerd op de landbouw. De overwinning betekende niet de triomf van de vrijheid, ze duidt slechts op de overwinning van een vrije handelseconomie die zeer snel de verzuchtingen naar een ware vrijheid heeft weten te doven.

De echte vrijheid is de geleefde vrijheid. De filosofen van de Verlichting waren er zich van bewust. Diderot, d’Holbach, Rousseau, Voltaire hebben de vanzelfsprekendheid ervan in het universele geheugen gebeiteld, en vóór hen de belangrijkste denkers uit de Renaissance, Montaigne, La Boétie, Rabelais, Castellion (aan wie we de volgende uitspraak danken ‘Een mens doden is niet hetzelfde als een doctrine verdedigen, het is een mens doden’.).

Alhoewel aanwezig in heel wat landen van Europa, wijst de strijd voor de vrijheid in Frankrijk op een buitengewoon inzicht. Reeds in de elfde en twaalfde eeuw vermenigvuldigden zich gemeentelijke opstanden en intensiveerden die zich. Ze hadden tot doel de steden te bevrijden van de tirannieke autoriteit van de aristocratische klasse die haar inkomsten voornamelijk betrok bij de landbouwers, de lijfeigenen die hun gronden bewerkten. De edelen hadden niet de bedoeling om hun greep op deze ‘communes’ (gemeenten) te laten vieren. Die wekten namelijk nieuwe bronnen van inkomsten op. Ambachtslui, handelaars, wevers, kleine producenten zijn het ferment van het opkomende kapitalisme. Ze komen dan ook in aanvaring met de edelen en met het feodale regime dat hun uitbreiding tegenwerkt.

Een gerucht verspreidt zich als een lopend vuurtje: ‘stadslucht maakt vrij’. Het draagt bij tot de identificatie van de burgerij, het woord komt van burg (stad), met een vrijheidsideaal, dat in feite een ideologie is. Want het blijkt snel dat deze burgerij op haar beurt een klasse van arbeiders onderdrukt door ze onverbiddelijk uit te buiten, zoals blijkt uit La complainte des tisseuses de soie (De klaagzang van de zijdeweefsters) van Chrétien de Troyes (1135-1190).

            De val van de Bastille

Alhoewel de macht van de bourgeoisie onophoudelijk groeit en de arbeidende klasse uitgebuit blijft, onderhoudt haar strijd – goedschiks en kwaadschiks – tegen de aristocratische arrogantie een geest van subversie en van eisen. Dat deelt harde klappen uit tegen het pantser en de muren van het regime naar goddelijk recht. Het doet de citadel van de aristocratische macht wankelen. Dit verklaart het tegenstrijdige karakter van de Franse revolutie van 1789: enerzijds de geweldige vlucht van een vrijheid die de ware bestemming van de mensheid blijkt te zijn; anderzijds de verschrikkelijke misleiding die erin slaagt de vrijheid te beperken tot de vrije circulatie van goederen en personen, die zonder onderscheid als handelswaar worden behandeld.

Na het onthoofden van de monarchie naar goddelijk recht, begint de vrije handel een monarchie van het profijt die nog onmenselijker is dan het feodale despotisme. Girondijnen en Jakobijnen banen de weg voor een soort ontheiligde monarchie, een bonapartisme van de vooruitgang van de industrialisering die de slavernij van de meerderheid tot gevolg heeft. In deze lijn bevinden zich de twee regimes die het best de barbarij van onze geschiedenis aantonen: het nazisme dat van de Mens een zuiver object maakt; het bolsjewisme dat, in naam van de emancipatie van de Mens, de communistische droom in een nachtmerrie verandert.

Tussen de fascinatie voor deze beide extremen, behoudt het westelijke politieke ideaal een kleurloze vorm van dat Jakobinisme dat de overwinningen van Napoleon zowat overal in Europa heeft verbreid. Het gaat over een mengelmoes van een bureaucratie met wijdverspreide tentakels en een dagelijks aangepaste mise-en-scène in een burgerlijk theater van enerzijds de vooruitstrevendheid en anderzijds het conservatisme. Het volk in opstand moet weten dat het, bij het verstoren van het spektakel, geen plaats voorbehouden krijgt, behalve dan als kadaver.

Noch absolute dictatuur, noch uitdrukking van de wil van het volk, wat is deze miskraam opgewekt door de financiële graaizucht als het geen democratisch totalitarisme is? Met uitzondering van een vluchtige regering van het volk door het volk, die de Commune van Parijs heeft gepoogd aan te moedigen, heeft het kapitalisme zijn omarming nooit ontspannen, het heeft zijn greep alleen gemoderniseerd. De vele sociale opstanden zijn redelijk doeltreffende tirades om de beheerders van het profijt te bewegen tot het uitdelen van enkele aalmoezen aan de opstandelingen maar onvoldoende om ze te doen huiveren onder de dreiging van een totale uitroeiing.

                    Olympe de Gouges

Robespierre laat Olympe de Gouges (1748-1793), die streed voor de rechten van de vrouw, onthoofden terwijl de Franse revolutie met haar befaamde Déclaration een formele versie van de Mensenrechten uitvaardigt. Het feit dat die rechten werden geschonden, en nog steeds worden geschonden door de meeste regeringen, heeft ze omhuld met een aureool, een geest van subversie waardoor de Staat zich haastte ze af te zwakken en te institutionaliseren.

Tijdens de guerrilla in Frankrijk tegen de nazi-bezetter en zijn vele collaborateurs, vormt zich de Nationale Raad van het Verzet, le Conseil national de la résistance. Dit organisme heeft de opdracht om de verschillende opstandige bewegingen te coördineren, over de grenzen van alle politieke overtuigingen heen. In die raad zitten vertegenwoordigers van de pers, van de vakbonden en van leden van de partijen die vanaf half mei 1943 de Vichy regering vijandig gezind zijn. Zijn programma wordt in maart 1944 aangenomen, het voorziet een onmiddellijk in werking te treden actieplan (de acties van het verzet als dusdanig) maar het bevat ook een lijst sociale en economische hervormingen die vanaf de bevrijding moeten worden uitgevoerd in heel Frankrijk.

Laten we wel zijn, wegens de bewapening van opstandige groepen hebben die hervormingen als doel een mogelijke revolutionaire opflakkering te voorkomen. De Franse communistische partij zet zich in om de revolutionaire besluiteloosheid van het gewapende volk te breken en geeft het, om het te sussen, een aantal voordelen die recht in de lijn liggen van het res publica, de publieke zaak, afkomstig uit de eerste Franse republiek. Dit wordt voor de Fransen het ‘openbare goed’ dat tot doel heeft het bestaan van het grootst mogelijke deel van de bevolking te verbeteren.

Deze maatregelen op het gebied van de volksgezondheid, de familiehulp, de werklozensteun, de bescherming van de arbeiders, de kwaliteit van het voedsel, de scholing voor iedereen, werden zeer vlug aangenomen door de meeste Europese landen. Ze bestaan niet in Chili, noch in de meeste andere landen van de wereld. Het toppunt van de ongerijmdheid is dat deze afwezigheid, deze humanitaire leegte, door de Franse overheid, gehoorzamend aan de wereldwijde wetten van het profijt, nu wordt gezien als een te imiteren model, een te bereiken doel.

Ze doet afstand van de sociale verworvenheden om ze te verkopen aan privébelangen, ze ruïneert openbare ziekenhuizen, schaft treinen en scholen af, steunt de landbouw- en de voedingsindustrie die het voedsel vergiftigen, dringt, in volledig misprijzen van het volk, schadelijke energieën en bureaucratieën op, spoort aan tot meer en meer consumptie die de verpaupering vergroot. En vooral, ze verplettert de levensvreugde onder het gewicht van een trieste wanhoop. Het profijt bepaalt overal het ritme van de dodendans van een gerentabiliseerde dood.

Een onverhoopt antwoord is spontaan zowel in Chili als in Frankrijk opgedoken. Het is nu eenzelfde volk dat, de verschillen in de historische evolutie overstijgend, zich geconfronteerd ziet met dezelfde problemen, met dezelfde vragen. Zijn het overigens niet de vragen in verband met het verzet en met de opstandige zelforganisatie die in de meest diverse landen geïnteresseerden vinden? Overal wordt de bevolking zich bewust van het leven dat ze in zich draagt en van de dood waartoe ze wordt veroordeeld door de Staat, ‘het koudste monster van al’.

Mijn waarnemingen van de beweging van de Gele hesjes in Frankrijk deel ik op eigen gezag. Het is niet meer dan een getuigenis waarmee mijn enthousiasme op de loop ging. Waarom? Omdat er sinds mijn jeugd geen dag voorbij ging zonder dat ik smachtte naar een dergelijk omverwerpen van de orde der dingen. Het staat iedereen vrij om in de warboel van mijn ideeën te vinden wat men er pertinent in vindt en te verwerpen wat niet past.

Met het verschijnen van de informele en spontane beweging van de Gele hesjes ontwaakt een sociaal en existentieel bewustzijn dat sinds het schot voor de boeg in Mei 1968 niet meer uit haar lusteloosheid kwam. Alhoewel de beweging van de bezettingen in Mei 1968 er niet is in geslaagd het project van het zelfbeheer van het dagelijkse leven uit te voeren, mag de meest radicale tendens er niettemin prat op gaan te hebben bijgedragen tot een echt ingrijpende verandering van de mentaliteiten en de gedragingen. Een bewustwording waarvan de gevolgen nu pas werkelijkheid worden, is in de geschiedenis van de mensheid een kantelpunt zonder weg terug. Ze heeft een situatie in de wereld geroepen die, hoe blootgesteld ze ook moge geweest zijn aan voorbijgaande regressies, niet kan worden omgekeerd; mannen laten nog even op zich wachten om het te beamen maar er is geen vrouw ter wereld die er, diep in haar lijf, niet van is overtuigd.

De welbewust onderhouden oorverdovende stilte noopt ons tot het onophoudelijk herhalen van een waarheid die het leugenachtige hameren uiteindelijk zal doorbreken. De afwijzing, door de internationale situationisten, van de welfare state – de staat van het consumptiewelzijn, van het geluk op afbetaling – heeft de doodsteek gegeven aan de waarden en gedragingen die sinds eeuwen werden opgelegd en voor onwankelbare waarheden werden gehouden: de hiërarchische macht, het respect voor de autoriteit, het patriarchaat, de angst en het misprijzen voor de vrouw en de natuur, de verheerlijking van het leger, de godsdienstige en ideologische gehoorzaamheid, de concurrentie, de competitie, de roofzucht, de opoffering, de noodzaak om te werken. Het werd duidelijk dat het echte leven niet kon worden verward met het overleven dat het lot van de vrouw en van de man herleidt tot dat van een lastdier of een roofdier.

We dachten dat deze radicaliteit was verdwenen, weggeveegd door interne rivaliteiten, machtsstrijd, opstandig sektarisme; we zagen ze verstikt door de regering en door de communistische partij, waarvan het de laatste overwinning was. Maar, het is waar, vooral werd ze leeggezogen door die enorme golf van triomfantelijk consumentisme, een golf die door de groeiende verpaupering vandaag langzaam maar zeker opdroogt.

Men moet de kolonisatie door het consumentisme recht aandoen: ze heeft de afgang van de oude waarden sneller gepopulariseerd dan de decennia van het vrije denken. Het bedrog van een bevrijding, aanbevolen door het hedonisme van de supermarkt, verspreidt een overvloed en een diversiteit aan producten en keuzes die maar één nadeel hebben, ze moeten aan de uitgang worden betaald. Daaruit groeide een democratisch model dat de ideologieën oploste ten voordele van kandidaten die hun promotionele campagne voerden volgens de meest beproefde publicitaire technieken. Het cliëntelisme en de morbide aantrekkingskracht van de macht hebben het denkvermogen van de recentste regeringen, die niet bang zijn de verbijsterende achteruitgang ervan ten toon te spreiden, de genadeslag gegeven.

Het heden

Waar brengt ons dat vandaag? Frankrijk heeft nog nooit een opstandige beweging gekend die het zo lang uithield, zo vernieuwend was, zo feestelijk ook. Men had nog nooit zoveel individuen hun individualisme zien opgeven, hun godsdienstige, ideologische, karakteriële verschillen zien overstijgen, bazen en zelfverklaarde leiders weigeren, de invloed van de vakbonden en van de politiek van de hand wijzen. Wat een vreugde om de Staat te horen klagen dat de Gele hesjes geen vertegenwoordigers hebben die men als konijnen bij de lange oren kan grijpen. De bevolking is het niet vergeten: telkens als een organisatie voorhield dat ze voor het belang van het volk opkwam, werd het volk in de val gelokt, misbruikt en vernietigd.

De corporatistische eisen hebben een woede opgewekt die zich heeft veralgemeend. Meer dan op de repressieve barbarij, het misprijzen, de uitdagingen van een regering van oplichters, wordt er gemikt op niets minder dan het wereldwijde systeem van het profijt, dat het leven en de planeet verwoest. In de straat lopen nu naast elkaar de trein-, bus- en metrobestuurders, de advocaten, de vuilnisophalers, de operadansers, de straatvegers, de scholieren, de studenten, de professoren, de onderzoekers, de wetenschappelijke politie, een kleine groep politieagenten die de rol weigeren van moordenaar die ze van hun bazen krijgen toegewezen, de werknemers van de sectoren ‘gas en elektriciteit’, de ambtenaren verantwoordelijk voor de belastingen en de heffingen, de kleine en middelgrote bedrijven ten prooi aan de graaizucht van de fiscus, de brandweer, die zeer dikwijls op de eerste rij staat bij botsingen met de agenten van de Mobiele eenheid, de bedienden van Radio France, het personeel van de ziekenhuizen waar de budgettaire besparingen wel degelijk patiënten ombrengen die niet genoeg middelen hebben om een privaat ziekenhuis te betalen.

Buren die nog nooit met elkaar hadden gesproken, ontdekken elkaar terwijl ze de solidariteit herontdekken. Zoals tijdens de operaties van het verzet tegen het nazisme, worden ‘collaborateurs’ lastig gevallen. Zodra ministers, notabelen en hun handlangers hun holen verlaten, is er geen gevaar dat ze omkomen onder moorddadig geweervuur, maar ze worden wel bedolven onder de tomaten van het belachelijke, van de spot, van de bijtende humor.

Er is een mutatie aan de gang in de schoot van de nationale en internationale opstanden. Op de fase van de wilde woede, die frontaal botst op de ontoegeeflijkheid van de macht en de gewapende diensten, moet nu een fase van geïnspireerde woede volgen die de Staat aan de basis kan treffen. Het komt er nu op aan de autoriteit van de Staat te vervangen door de legitimiteit van de wil van het volk, die de staat geüsurpeerd heeft in de electorale klucht. Een Staat is vandaag trouwens niets meer dan het instrument van de privébelangen, beheerd door multinationale ondernemingen.

We zijn getuigen van een enorme ommekeer van perspectief. De vrijheid die eindelijk weer haar authenticiteit terugvindt, is vastbesloten de economie van de vrije handel te vernietigen, die haar vroeger onvrijwillig en formeel inspireerde alvorens ze te verstikken onder het gewicht van haar tirannie. Dit is de vergelding van de geleefde vrijheid op de vrijheden van het profijt.

De aarde waarvan we het vrije genot opeisen is geen abstractie, geen mythisch denkbeeld. Het is de plaats van ons bestaan, het is ons dorp, onze wijk, de stad, de regio waarin we strijden tegen het sociale en economische systeem dat ons weerhoudt te leven. Vermits we van de staatsinstellingen niets anders hebben te verwachten dan de leugen en de wapenstok, is het aan ons om ‘onze eigen boontjes te doppen’ en ons te ontdoen van de zakenwereld.

Het is aan ons om de sociale en existentiële basis te leggen van een maatschappij die het juk afwerpt van de gerentabiliseerde vernietiging. Het is onze plicht onze woede en onze creativiteit te durven richten op de Communes (gemeenten) waar ons bestaan opnieuw wordt uitgevonden in de gloed van de menselijke vrijgevigheid en solidariteit. Vergissingen en aarzelingen hebben geen belang! Het internationaal federeren van een groot aantal kleine collectieven die het niet te evenaren voordeel hebben om onmiddellijk op te kunnen treden waar ze actief zijn, is een taak van lange adem.

Laten we ophouden de problemen van bovenaf aan te pakken. Vanuit de hoogten van de abstractie worden slechts cijfers uitgestort die ons ontmenselijken, ons in voorwerpen veranderen, ons herleiden tot handelswaar. De politiek van het grote getal zorgt altijd voor een chaos die de zwarte orde van de dood oproept. Het volstaat dat de hemel van de ideeën de ontkenning wordt van onze geleefde realiteit.

De waarheid laat overal de zang van het levenslied horen. De menselijke dimensie is een kwaliteit, geen kwantiteit. Het individu wordt collectief wanneer de poëzie van een enkeling voor iedereen schittert.

Ons ‘openbaar goed’ is de aarde. Het is ons ware land en we zijn vastbesloten de op winstbejag beluste indringers die haar verminken en verknippen in beurswaarden, weg te jagen. Onze vrijheid is één en ondeelbaar.

Raoul Vaneigem (31 januari 2020)

[Vertaling Geert Carpels; geredigeerd en van beeldmateriaal voorzien door thh.]