In snel tempo is de mondiale beweging van andersglobalisten aan het veranderen in een mondiale burgerbeweging. Vakbonden, maatschappelijke organisaties en linkse partijen staan te dringen om mee te kunnen doen in dit dynamische strijdperk van mondiaal debat en activisme. Behalve Nederlandse bonden en partijen. Die zijn nog vrijwel afwezig. Een enorme vergissing en een gemiste kans.



Dit stuk is gescherven door de hoofdredacteur van maandblad OnzeWereld en verscheen in het decembernummer 2003

Zijn we burgers of zijn we consumenten? Allebei, zult u zeggen. Dat klopt - binnen nationale grenzen. We consumeren en spenderen, en we doen ook mee aan het debat over de gewenste inrichting van onze samenleving. Bezuinigingen op de WAO en op de zorg in verpleeghuizen, de integratie, de toekomst van de landbouw: het zijn onze zaken. Politieke partijen zijn de katalysatoren in het debat, ze nemen stelling en proberen burgers aan zich te binden. Eens per vier jaar wordt de balans opgemaakt, de score vereffend.
Op mondiaal vlak echter, zijn we geen burgers, maar eerst en vooral consumenten. Open grenzen en internationalisering van financiële markten maken van de wereld vooral een marktplaats. In onze mondiale burgerzin is niemand geïnteresseerd, zeker het internationale bedrijfsleven niet. Daar zullen we zelf werk van moeten maken. Kortgeleden hield de Amerikaanse schrijver Samuel Barber zijn Europese gehoor deze nieuwe taak voor ogen: zorg dat je weer een burger wordt, een mondiaal burger. Praat mee over de vraag waar we met de wereld naar toe willen.

Het goede nieuws is dat dit proces alweer enkele jaren gaande is - en veel vlotter verloopt dan Barber zich waarschijnlijk realiseert. Maar hier te lande dringt het nog niet zo door. Misschien heeft dat iets te maken met de terminologie. We praten nog steeds over de andersglobalisten. Een woord dat een verkeerde indruk maakt. Beter zou zijn: mondiale burgerbeweging. Of nog beter: mondiaal burgernetwerk. Want dat is het: een netwerk van tienduizenden organisaties van burgers van over hele wereld, die snel in omvang en in reikwijdte groeit. Het aantal internationale allianties binnen dit netwerk groeit nog sneller. En daarmee wordt hun macht onontkoombaar. Bij de Verenigde Naties mogen de grote niet-gouvernementele organisaties (ngos) al komen meepraten over belangrijke zaken. Andere instellingen als Wereldbank, WTO en IMF hebben aan den lijve ondervonden dat de macht van deze burgerlijke organisaties niet te onderschatten is. Ook vele vakbonden en politieke partijen vooral de linkse, maar ook gematigde christelijke sluiten zich aan. Overigens tot groeiende weerzin van veel anti-autoritaire, autonome, libertaire en antimilitaristische groeperingen, die zich juist willen afkeren van de staat en daaraan verbonden instellingen. Het lijkt er op dat de antiglobalisten van het eerste uur inmiddels naar de marge van deze mondiale beweging zijn gedrukt.

Maar terwijl buitenlandse politieke organisaties en vakbonden en masse opgaan in de bonte gelederen van deze burgerbeweging, schitteren hun Nederlandse collegas door afwezigheid. Zeker, bij elke top van de andersglobalisten, zoals ook vorige maand weer tijdens het Europese Social Forum in Parijs, lopen Nederlandse spionnen rond die erop uit zijn gestuurd om voor het thuisfront te onderzoeken wat zich hier afspeelt.
Tot iets concreets heeft dat nog niet geleid: alleen de SP heeft zich aan de kant geschaard van de andersglobalisten. De rest houdt zich stil, bang als ze kennelijk zijn om geassocieerd te worden met bivakmutsen en spandoeken. Ook het salonsocialistische GroenLinks, een partij waarin toch nog bloed zou moeten stromen van pacifisten, groenen en communisten, houden zich afzijdig.
Dat is niet zomaar jammer- het is erger. Het debat over het mondiale burgerschap snijdt namelijk vrijwel dezelfde onderwerpen aan die binnen de nationale grenzen de politieke agenda bepalen: integratie, de grenzen van de verzorgingsstaat, milieu, hulp aan de zwakken, stedelijke ontwikkeling, enzovoorts. Op het globaliseringstoneel blijft de Nederlandse inbreng beperkt tot die van enkele ngos, zoals Novib (overigens dan nog vooral als zuster van de internationale Oxfam-organisatie).
De Nederlandse afwezigheid bij deze vorming van een nieuwe mondiale burgerbeweging is een gemiste kans die zich niet meer zal voordoen. Want het feit dát ze er bij zouden dienen te zijn, staat buiten kijf. Waar het burgerschap internationaliseert, dienen politieke partijen mee te gaan in de schaalvergroting, al was het maar om ook op dat niveau haar visie op burgerschap uit te dragen. Het politieke podium staat immers steeds minder vaak in Den Haag, dat dient nu toch zo langzamerhand doorgedrongen te zijn in de achterkamers van de macht. De hamvraag is dan: hoe kunnen politieke partijen zich het beste manifesteren in zon multitude van burgerorganisaties?

Die vraag is niet eenvoudig te beantwoorden we komen er een volgende keer uitgebreider op terug. Zeker is wel dat het inpluggen in dit netwerk van politieke partijen een cultuuromslag en tevens een volstrekt andere wijze van politiek bedrijven vergt. Een belangrijk aspect van dit netwerk is dat het, zoals Naomi Klein het noemde, een niet-hiërarchische structuur heeft. In haar Dagboek van een Activisme duidt ze het netwerk als een losse verzameling organisaties die, zo autonoom als ze zelf willen, acties voeren, campagnes beginnen en ook de mate van hun eigen organisatiegraad bepalen. wat ze samen delen is een hardnekkige weigering om mee te doen met de klassieke machtsstrijd, zegt Klein. Hun doel is niet om zelf de macht te grijpen, maar om principieel de centralisatie van macht te bestrijden.
Elke groepering in deze bijenkorf van activisme is autonoom, koestert haar eigenheid en accepteert geen opgelegd leiderschap. Juist de dingen die met oude politiek worden geassocieerd, zoals machtsdenken, het claimen en uitventen van een eigen politieke agenda, het dogmatisch hanteren van een éénduidige ideologie waaraan elk lid zich dient te committeren, al deze aspecten van traditionele politiek worden in de wereld van de burgerglobalisering met groot wantrouwen bejegend. Het is een feit dat veel kleine politieke splinters uit vaak zeer linkse of ouderwets-marxistische en leninistische hoek zich nadrukkelijk in deze kringen laten zien, vooral bij demonstraties. Maar schijn bedriegt. De vlaggenzwaaiende kameraden en fellow-travelers worden door de grote meerderheid van organisaties als de pest gemeden, hun aanwezigheid getolereerd, maar niet veel meer dan dat. Zowel in Florence, vorig jaar november bij het eerste Europese Social Forum als in Porto Alegre begin dit jaar, bij het World Social Forum, waren de rode vlaggen niet van de lucht en hadden de linkse diehards veel supporters meegenomen, maar ze werden met merkbare argwaan bejegend. Hoe hun wereld er uit ziet hebben we de vorige eeuw kunnen ervaren, zei een van de andere aanwezigen tegen me, toen er weer eens heftig met rode vlaggen werd gezwaaid en socialistische liederen werden gezongen. In die wereld zou ik niet willen leven. Hij sprak voor de grote meerderheid.

De partij die met haar volledige ideologische agenda op zak wil meedoen, zal daarom altijd aan de buitenranden van de mondiale beweging blijven hangen. Over de vraag hoe ze dan wel kunnen inpluggen in dit burgerdomein, hebben verscheidene schrijvers zich al het hoofd gebogen. Eén advies komt steeds in vrijwel dezelfde bewoordingen terug het is trouwens ook niet specifiek bedoeld voor politieke partijen, maar voor alle groeperingen die nadenken over hun rol in dit netwerk van burgerinitiatieven. In Kleins Dagboek van een Activiste duikt het op, evenals in het recentere boek Ya Basta! Globalisering van onderop, vorig jaar verschenen van de hand van een Belgisch trio. Allemaal pleiten ze voor een diffusie, een opnieuw uiteen vallen van die grote beweging in duizenden kleine, lokale initiatieven, in activiteiten op microniveau, in tijdelijke, niet-autoritaire verbanden. Ironisch genoeg leidt juist deze versnippering, - diffusie - tot sterke en onverwacht grote allianties. De beweging bevat een brede baaierd aan doelstellingen, de actie-agenda is uitgebreid. Elke organisatie kan hier een paar speerpunten uitkiezen en zich op basis van gelijkwaardigheid aansluiten bij de groepen die dezelfde keuze hebben gemaakt. Het keuzemenu lijkt eindeloos lang, maar is in wezen betrekkelijk eenvoudig. De mondiale burgeragenda laat zich nog het beste lezen als een toegepaste vorm van de Universele Rechten van de Mens: het recht op arbeid, op onderwijs, op gezondheidszorg, op huisvesting, op werk, op zelfontplooiing, op gelijke kansen voor mannen en vrouwen, en tegen het militarisme. Juist omdat de grote politieke agendas ontbreken, kunnen de organisaties gemakkelijk samenwerken. Op mondiaal niveau, maar zeker ook op het microniveau van buurt en wijken: zowel veraf als heel dichtbij, dat is de essentie.
Uit deze aanpak spreekt een vorm van pragmatisme, die in de vaderlandse politiek in een enigszins kwade reuk staat. Omdat er een element van wispelturigheid in zit, van tijdelijkheid, opportunisme. Echter, het sterke van zon structuur is nou juist dat organisaties die het op veel fronten niet met elkaar eens zijn, samen in een grote alliantie kunnen stappen op slechts één gezamenlijk agendapunt, bijvoorbeeld de strijd tegen tariefmuren voor landbouwproducten. Juist door het ontbreken van traditionele machtsvragen (wie is hier de leider?) is de mondiale burgerbeweging veel sneller gegroeid en krachtiger geworden dan zelfs twee jaar geleden nog mogelijk leek. Ook zonder een merkbare inbreng van Nederlandse politieke partijen. Want inmiddels is wel duidelijk dat dit mondiale burgernetwerk de traditionele nationale politiek niet nodig heeft om vooruitgang te boeken. Het omgekeerde echter, is beslist wel het geval.



(Dit artikel was oorspronkelijk op GlobalInfo gepubliceerd door John Verhoeven, OnzeWereld.)