‘Duurzame Daadkracht - Actieprogramma duurzame ontwikkeling’ heet de nota waarover vijf kamercommissies, vier ministers en één staatssecretaris op maandag 19 april de hele dag met elkaar in debat gaan. De uitkomsten van de wereldtop over duurzame ontwikkeling in 2002 in Johannesburg worden in deze nota vertaald in een internationale en een nationale strategie.

Dit stuk verscheen in dagblad Trouw van maandag 19 april 2004

Een van de hoofdonderwerpen van de internationale strategie is ‘handel, investeringen en maatschappelijk verantwoord ondernemen’. Het bevorderen van markttoegang voor producten uit ontwikkelingslanden én van maatschappelijk verantwoord ondernemen aan de hand van de OESO Richtlijnen voor bedrijven is daarvan de kern. Bij maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) worden als belangrijke instrumenten genoemd: verantwoord inkopen en aanbesteden door de overheid, het Kenniscentrum MVO en uitbreiding van de jaarverslagen van bedrijven met duurzaamheidsaspecten.

Hoe zit het met de duurzame daadkracht in de praktijk? Op 5 december 2000 nam de Tweede Kamer, op initiatief van het CDA, een motie aan waarin de regering werd verzocht om een gedragscode voor haar eigen inkoop- en aanbestedingsbeleid op te stellen. Aangezien de overheid jaarlijks voor ongeveer 30 miljard euro inkoopt en aanbesteedt, kan dat een belangrijke bijdrage leveren aan duurzame ontwikkeling. Het CDA vond - terecht - dat de overheid van bedrijven niet kan vragen om verantwoord te ondernemen als de overheid niet zelf als belangrijke marktpartij het goede voorbeeld geeft.
Het sinterklaascadeau van de Kamer is echter door de regering nooit uitgepakt. Tot vandaag is er geen aanpak voor verantwoord inkopen, ondanks tal van debatten in de Kamer en beloftes van bewindslieden. Nadat voormalig staatssecretaris Wijn van EZ eind 2002 nog plechtig beloofde om medio 2003 met een plan van aanpak te komen, liet zijn opvolger Van Gennip de Kamer begin van dit jaar bijna terloops weten dat zij het dossier overdroeg aan het Ministerie van VROM in het kader van het actieprogramma duurzame ontwikkeling. Na enig stevig aandringen van de Kamer deed zij de belofte dat er in juli 2004 daadwerkelijk een plan ligt.

Het actieplan voor duurzaam inkopen is een zeer belangrijke testcase voor de gevolgen van verantwoord ondernemen voor de handel met ontwikkelingslanden, waar voor vele miljarden wordt ingekocht door de rijksoverheid, provincies en gemeenten. De vraag is vooral hoe je meer toegang van arme landen tot onze markt combineert met maatschappelijk verantwoord ondernemen. Het stellen van eisen aan producten op het gebied van arbeid, milieu, e.d. kan nieuwe barrières opwerpen voor producten uit ontwikkelingslanden. Maar afzien van verantwoord inkopen betekent het continueren van milieuvernietiging (neem hout voor de bouwsector), slechte arbeidsomstandigheden (neem natuursteen voor bestrating van gemeenten of dienstkleding) en andere vormen van onverantwoord ondernemen.

Een coherent beleid dat beide doelen combineert is alleen mogelijk door een actief beleid op het gebied van verduurzaming van de producten die Nederland uit ontwikkelingslanden importeert. Geef exporteurs in ontwikkelingslanden enige tijd en voldoende technische ondersteuning bij het verbeteren van hun arbeidsomstandigheden en milieuzorg. Analyseer bijvoorbeeld per sector de problemen en zet alle partijen (van overheid, exporterende en importerende bedrijven tot maatschappelijke organisaties) bij elkaar om aan oplossingen te werken, gebruik makend van bestaande goede voorbeelden.
Een van de mogelijke plekken voor zo'n aanpak is het nieuwe Kenniscentrum voor verantwoord ondernemen. Het centrum lijkt eindelijk dit najaar eindelijk van start te gaan. Eind 2001 lag er al een goede opzet en taakstelling voor het kenniscentrum. De begroting 2002 van Economische Zaken meldde dat het centrum in dat jaar operationeel zou zijn. Van duurzame daadkracht op dit punt was de afgelopen jaren echter niets te merken. Keer na keer werd de oprichting van het centrum door de regering uitgesteld.

Verantwoord inkopen door de overheid en het MVO kenniscentrum zijn symptomatisch voor de tergende slakkengang waarmee het regeringsbeleid voor internationaal verantwoord ondernemen de afgelopen vorm heeft gekregen en het gebrek aan samenhangend beleid.

Een ander voorbeeld daarvan - ook maandag op de kameragenda - is de verslaggeving van bedrijven over duurzaamheid. Van de consument wordt verwacht dat deze een belangrijke bijdrage levert aan duurzaam ondernemen. Noodzakelijke voorwaarde is dan wel dat je als consument weet waar en hoe de producten die je koopt zijn gemaakt. Vandaar het voorstel van de Consumentenbond voor een Wet Openbaarheid Ketens (WOK), die producenten verplicht om informatie te verschaffen over product en de productiewijze. De regering wil echter niet verder gaan dan het stimuleren van vrijwillige maatschappelijke jaarverslagen door bedrijven. Afgezien van de kwaliteit van de verslagen, die nu vaak slecht is: voor de consument en geïnteresseerde burger zijn deze verslagen onbruikbaar en te weinig concreet. Ondanks alle gepraat over transparantie en de rol van de consument, is het nu absoluut onmogelijk om te beoordelen of bedrijven internationaal verantwoord ondernemen. Uit een recent geanonimiseerd onderzoek in India blijkt dat Nederlandse bedrijven nog nauwelijks begonnen zijn met verantwoord ondernemen, zeker als het om de ‘uitbestedingsketen’ gaat.

Hoe weinig daadkrachtig het beleid van de regering is op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen blijkt ook uit een vergelijking met de voorstellen van de commissie Tabaksblat voor goed ondernemingsbestuur. De voorstellen van Tabaksblat cs worden wettelijk verankerd en gekoppeld aan het principe ‘pas toe of leg uit’. De facto betekent dit een rapportageplicht. De uitvoering van de principes voor verantwoord ondernemen , die vastliggen in talloze internationale verdragen en de OESO Richtlijnen, zijn echter puur gebaseerd op vrijwilligheid. Als de regels voor good governance wettelijke verankering behoeven om te zorgen dat ze in de praktijk gebracht worden, waarom zou dit dan niet gelden voor de verantwoordelijkheden van bedrijven die voortvloeien uit internationaal overeengekomen arbeidsrechten en milieuverdragen?

Maandag zal in de Kamer blijken of de duurzame daadkracht, die zeer dringend nodig is om maatschappelijk verantwoord ondernemen internationaal in de praktijk te brengen, bij de kamerleden en de bewindslieden aanwezig is.

Gerard Oonk
Woordvoerder MVO Platform*

* het MVO Platform is een samenwerkingsverband van 35 maatschappelijke organisaties die zich bezighouden met internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen


(Dit artikel was oorspronkelijk op GlobalInfo gepubliceerd door Gerard Oonk.)