De intensieve veehouderij moet worden omgevormd tot een dier-, mens- en milieuvriendelijk systeem dat tegemoetkomt aan de natuur en behoeftes van alle levende wezens. Dit staat in een manifest dat al door 135 hoogleraren is ondertekend.

De tekst van het manifest is hieronder te lezen en is afkomstig van de website van de campagne.
Een lange versie vol links en bronnen.
Item op nova in filmpje.

PLEIDOOI VOOR EEN DUURZAME VEEHOUDERIJ
EINDE AAN DE GEORGANISEERDE ONVERANTWOORDELIJKHEID


Noord-Brabant legt een beperking op aan de bouw van nieuwe megastallen. Hoewel dit besluit van historische betekenis kan zijn, is het niet meer dan een aarzelend begin. Demissionair minister Gerda Verburg drukte het optimisme direct de kop in door te verklaren dat er in andere delen van het land "nog best ruimte" kan zijn voor megastallen. Dit illustreert de hardnekkigheid van de problemen in onze veeindustrie. Maar het Brabantse besluit illustreert ook het begin van een omslag. Dat is hoopgevend, in het licht van de opmerkelijke stilstand in de afgelopen tien jaar.

“De intensieve veehouderij moet ingrijpend worden veranderd. Dieren moeten meer ruimte krijgen voor natuurlijk gedrag, zoals het buiten rondscharrelen. Het transport van levende dieren moet worden beperkt en het fokken van vee moet niet uitsluitend gericht zijn op toename van de productiviteit.” Dit adviseerde een commissie onder leiding van Herman Wijffels aan de minister van landbouw in 2001. Toenmalig minister Brinkhorst noemde de plannen “helder, hard en onontkoombaar”. In 2010 zou het afgelopen zijn met de fabrieksmatige, mens- en dieronwaardige vleesproductie. “De overheid kiest er voor om in internationaal verband een voorloperspositie in te nemen bij het vormgeven van een diervriendelijke en maatschappelijk aanvaardbare veehouderij”, aldus Brinkhorst.

Alle redenen voor de noodzaak van deze ommekeer stonden in het bijna voorspellende rapport van de commissie-Wijffels: de massaliteit, de minimale leefruimte, dieren die nauwelijks buiten komen, de stank, de milieubelasting, genetische versmalling, de schade aan omringende natuur, transport van dieren over grote afstanden, hormoon-schandalen, varkenspest en andere dierziekten, gesubsidieerde overproductie. Een veehouderij-systeem “dat a-moreel omgaat met dieren en dat de exploitatie van dieren heeft opgevoerd tot een niveau waarop een storing desastreuze gevolgen heeft.”

Sindsdien zijn we geconfronteerd met Q-koorts, vee-gerelateerde MRSA, ESBL, dreiging van een H5N1-pandemie, en de effecten van de veeindustrie op de uitstoot van broeikasgassen zijn nog duidelijker geworden. Anno 2010 blijkt dat er nauwelijks iets is gedaan met de aanbevelingen. De sector is alleen maar intensiever en grootschaliger geworden; er worden nog steeds op grote schaal gezonde dieren geruimd, dierziekte-crises vormen een bedreiging voor de volksgezondheid, en de leef- en slachtomstandigheden van honderden miljoenen dieren in ons ‘beschaafde’ land zijn nog steeds beschamend.

Vlees en zuivel zijn onverantwoord goedkoop; zo kost een ei in de winkel nu net zoveel als 60 jaar geleden. De prijs wordt betaald door dieren, natuur en milieu – en daarmee door onszelf en komende generaties. De veeindustrie trekt diepe sporen in ons milieu, de biodiversiteit, de wereldvoedselvoorziening, de mineralenbalans, de zoetwatervoorraden, de volksgezondheid en vooral ook in het welzijn van dieren.

Dierenwelzijn. De veeindustrie brengt een sterke ‘verdingelijking’ van het dier met zich mee. Dieren worden letterlijk verbouwd en verminkt om aan de productie-eisen te voldoen. Tanden worden gevijld, snavels gekapt, koeien worden gevriesbrand of onthoornd; er worden koeien gefokt die niet via natuurlijke weg een kalf kunnen werpen, varkens met aangeboren poot- en hartproblemen die mager vlees leveren, en kippen die voortijdig door hun poten zakken en aan hartfalen bezwijken door hun enorme gewicht; kalveren worden direct na de geboorte bij hun moeder weggehaald, eendagshaantjes worden levend versnipperd. De dieren komen nooit buiten en hebben nauwelijks mogelijkheid tot natuurlijk gedrag zoals rondsnuffelen, wroeten/pikken, rennen, nestelen en stoeien. Overheid, boeren, winkeliers en consumenten wijzen naar elkaar, en omdat geen van de partijen iets doet, denkt iedereen dat deze gang van zaken kennelijk aanvaardbaar is.

Milieu, klimaat en wereldvoedselvoorziening.
Een dier is een “inefficiënte eiwitfabriek” – grofweg: 1 kg vlees = 5 kg graan = 6 kg mest. Een derde van de landbouwgrond in de wereld wordt gebruikt om veevoer te produceren. Terwijl het huidige landbouwareaal voldoende plantaardig voedsel kan leveren voor tientallen miljarden mensen, lijden meer dan een miljard mensen dagelijks honger. Ondanks een dreigend tekort aan fosfaat in de wereld, halen wij fosfaat weg uit andere landen via het veevoer, en spoelen het hier weg in de vorm van mestoverschotten. Deze overschotten leiden daarnaast tot verzuring van de bodem en het oppervlaktewater, vervuiling van het grondwater, aantasting van de flora en fauna en de biodiversiteit, en op sommige plaatsen van de drinkwatervoorziening. De productie van vlees kost niet alleen landbouwgrond maar ook relatief veel water, waaraan in veel werelddelen al een tekort is en in andere gaat komen. Ook aan de klimaatverandering draagt de veeteelt sterk bij. De uitstoot van broeikasgassen door de veehouderij ligt wereldwijd 40% hoger dan die van alle auto’s, vrachtwagens, treinen, schepen en vliegtuigen bij elkaar.

Volksgezondheid. De gevolgen van het intensieve antibiotica-gebruik in de veeindustrie voor de volksgezondheid zijn al uitvoerig in het nieuws. Daarnaast eten Nederlanders te veel dierlijke eiwitten, met als gevolg een grotere kans op hart- en vaatziekten, darmkanker en overgewicht. Desondanks wordt de consumptie van vlees en zuivel gepropageerd door de Nederlandse overheid en de EU, om overproductie weg te werken. Minder produceren is geen optie: boeren kunnen alleen het hoofd boven water houden door steeds meer te produceren, omdat hun productie per dier te weinig oplevert.

Hoewel de inzichten zich opstapelen dat we op deze wijze niet door kunnen gaan, heeft het landbouwbeleid in de afgelopen tien jaar geleid tot verdere schaalvergroting, op grond van uitsluitend financiële overwegingen. In het licht van de ethische en maatschappelijke bezwaren die inherent zijn aan dit productiesysteem, is het de vraag of die overwegingen überhaupt relevant zijn. Zoals we in het afschaffen van slavernij en kinderarbeid onze verantwoordelijkheid hebben genomen, zo moeten we dat ook doen in onze omgang met productiedieren. Niemand zou vandaag de dag nog durven beweren dat er wel iets te zeggen is voor kinderarbeid of slavernij vanwege de economische voordelen.

Als we de financiële afweging inzake de veesector toch maken, moeten we dat op de juiste wijze doen. De veeindustrie veroorzaakt grote maatschappelijke kosten in de vorm van natuur- en milieuschade. Deze kosten worden niet doorberekend in de prijs van vlees en zuivel; ze worden deels via de algemene middelen in rekening gebracht bij alle burgers en voor een groter deel doorgeschoven naar toekomstige generaties. Daarnaast ontvangen boeren in Nederland nog jaarlijks voor bijna een miljard euro inkomenssteun. De landbouw kan alleen overleven dankzij grootschalige staatssteun. Het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid van de EU kost 40 % van het totale budget en richt zich al jaren op intensivering en schaalvergroting, ten koste van dierenwelzijn, milieu en volksgezondheid.

De Nederlandse verantwoordelijkheid is zeer groot gelet op de omvang van onze veeindustrie. Nederland is het meest veedichte land ter wereld en het tweede exportland ter wereld van dierlijke eiwitten. Nederland exporteert 75% van zijn dierlijke eiwitten tegen afbraakprijzen waarin de maatschappelijke kosten niet verdisconteerd zijn.

Het is tijd ons te bezinnen op de fundamentele uitgangspunten van onze veeindustrie, zodat politici en burgers tot morele keuzen kunnen komen. Het is tijd voor een door de overheid geregisseerde paradigmaverandering: een wisseling van een intensieve, grootschalige, door economie en technologie overheerste veeindustrie, naar een veehouderij waarin econonomie en technologie in dienst staan van het welzijn van dieren, van de mens, van de samenleving. Daarin kan het boerenbedrijf weer rendabel worden zonder subsidies. Daarin is perspectief op echte duurzaamheid. Met deze ommekeer wordt de veehouderij maatschappelijk aanvaardbaar en toelaatbaar, en hoeven we onszelf en elkaar niet langer voor de gek te houden.


Aanbevelingen (voor volledige versie klik hier)

Wij, wetenschappers uit uiteenlopende disciplines, verbonden aan Nederlandse universiteiten als (emeritus) hoogleraar, zijn van mening dat de intensieve veehouderij moet worden gesaneerd en omgevormd tot een dier-, mens- en milieuvriendelijk systeem dat tegemoetkomt aan de natuur en behoeftes van alle levende wezens. Wij denken dat daartoe om te beginnen de plannen gerealiseerd moeten worden die tien jaar geleden al werden geformuleerd door o.a. Wijffels en Brinkhorst. Wij pleiten daarom voor een kritische evaluatie van wat er in concreto gedaan is met de aanbevelingen van de commissie-Wijffels, en vooral wat niet gedaan is.

Daarnaast formuleren we de volgende algemene uitgangspunten die in onze visie richtinggevend moeten zijn bij de hervorming van de sector:

  1. De overheid en niet de markt moet verandering sturen. Bij het hervormen van de veeindustrie moet de overheid uitdrukkelijk een sturende rol spelen. Via regelgeving moet de overheid afdwingen dat de productie van vlees en zuivel duurzaam is.
  2. De consumptie van dierlijke eiwitten moet worden verlaagd met minstens 33 % in 2020. Dit moet een doelstelling worden van het kabinetsbeleid. De overheid kan deze doelstelling, die een gedragsverandering van de consument vraagt, deels bereiken middels voorlichting met onafhankelijke informatie over dierenwelzijn, milieu, ecologische voetafdruk en gezondheid.
  3. Alle maatschappelijke kosten van de productie van vlees en zuivel moeten worden verdisconteerd in de prijs, volgens het principe ‘de vervuiler betaalt’. Sleuteltermen voor de consumptie van vlees en zuivel moeten worden: minder en beter. Boeren die verbeteringen in kwaliteit, duurzaamheid en dierenwelzijn verwezenlijken, zullen een hoger inkomen genereren doordat de maatschappelijke kosten van hun product lager zijn.
  4. Nederland moet voortrekker van Europa worden. Maatregelen moeten waar mogelijk in Europees verband genomen worden, maar Nederland moet, gezien de omvang van de sector in Nederland, het voortouw nemen.
  5. Welzijn van dieren moet een centrale plaats krijgen in de veehouderij. De overheid moet dierenwelzijn waarborgen door welzijnsonvriendelijke methoden te verbieden.
  6. Het gebruik van antibiotica en hormonen in de veeteelt moet verboden worden. Het mag alleen in specifieke, duidelijk omschreven gevallen worden toegestaan voor individuele dieren die ziek zijn.
  7. Grondgebonden landbouw en gesloten kringlopen in de productie van dierlijke eiwitten moeten het uitgangspunt vormen. Het fokken, vetmesten en het slachten van landbouwhuisdieren alsmede de productie van grondstoffen van veevoer moet bij voorkeur binnen één regio gebeuren.
  8. De vestiging en uitbreiding van grootschalige veeindustrieën moet aan banden gelegd worden, om verdere aantasting van het landelijk gebied tegen te gaan. Er moet een grens worden gesteld aan het aantal te houden dieren per hectare, per provincie of in heel Nederland.
  9. Boeren moeten de kans krijgen het hoofd boven water te houden. Bij de door ons voorgestelde gedwongen herstructurering is duidelijk dat de sector problemen zal krijgen in de transitiefase. Er is dus flankerend beleid nodig, waarbij de overheid degenen die in de problemen komen zal moeten helpen zich aan te passen. Gezien de hoge maatschappelijke kosten van de huidige wijze van bedrijfsvoering, zal deze investering zich op termijn terugbetalen.
  10. De ontwikkeling van verantwoorde en smakelijke plantaardige voeding moet worden bevorderd. De overheid moet investeren in meer onderzoek naar efficiënte productie van plantaardige producten die voor de consument een volwaardige vervanger zijn van dierlijke producten. Een aantrekkelijk alternatief leidt vanzelf tot een lagere vlees- en zuivelconsumptie, en zal aldus alle genoemde problemen tegelijkertijd aanpakken, terwijl tevens de gezondheid van de consument erbij gebaat is.

Minder vlees. U weet nu waarom.

27 april, 2010

(Zie hier de lijst ondertekenaars)