Een nieuwe geschiedenis van het Nationaal Arbeids-Secretariaat (NAS). In 2016 verscheen een dikke pil over de bijna vijftigjarige geschiedenis van het Nationaal Arbeids-Secretariaat (NAS), de eerste vakcentrale in Nederland. De auteurs, Hoekman en Houkes, hebben daarvoor een gigantische hoeveelheid niet of nauwelijks eerder geraadpleegde bronnen aangeboord. En bovendien, enorm veel nieuwe gegevens verzameld over de wisselvallige en ingewikkelde geschiedenis van het NAS.

(Door Rob Gerretsen, oorspronkelijk verschenen op solidariteit.nl)

De vele actieve en strijdbare leden van de kleine en grotere organisaties die zich destijds bij het NAS hebben aangesloten, verdienen postuum een goede geschiedenis van hun vakcentrale. Bovendien blijkt bij het aandachtig lezen van dit boek dat veel vraagstukken, waarmee de leden en bestuurders van het NAS destijds worstelden, deels nog steeds actueel zijn. Dat ondanks de inmiddels zeer veranderde omstandigheden. Een integrale geschiedenis van het NAS bestond nog niet en eerdere teksten zijn vaak sterk gekleurd door wat concurrerende of soms vijandige buitenstaanders over de vakcentrale hebben geschreven. Dus deze sympathiserende en goed onderbouwde, gedetailleerde studie van het NAS is van harte welkom.

Directe actie

nas1NAS in het kielzog van NVV (cartoon)

Het NAS was in vele opzichten een bijzondere organisatie. De vele bondjes en federaties die het NAS en de vakcentrale zelf vormden, waren ten dele een belangenorganisatie voor de elementaire klassenstrijd, ze maakten óók bewust deel uit van een bredere antikapitalistische protestbeweging tegen staat en kapitaal. Dit leidde tot dynamiek, maar ook tot voortdurende spanningen en wisselende invloeden van anarchisme, syndicalisme, socialisme, communisme en revolutionair socialisme. Directe actie stond steeds hoog in het vaandel en er was dikwijls een groot wantrouwen tegenover de toenemende institutionalisering van de arbeidsverhoudingen en de sociale wetgeving. Bovendien heeft het NAS regelmatig internationale contacten en verbanden onderhouden. Een tijd lang was daarin de syndicalistische Franse Confédération Générale du Travail (CGT) van groot belang.

De auteurs bespreken ook kort de voorgeschiedenis van het NAS en van de eerste vakorganisaties en andere arbeidersorganisaties in het negentiende-eeuwse Nederland met z’n late en trage industriële ontwikkeling. Ook gaan zij kort in op de 'na geschiedenis' van het NAS dat in 1940 onder druk van de nazi's aan z’n eind kwam. Tot op zekere hoogte liet het NAS na de oorlog nog sporen na in de EVB, de EVC en het OVB.

Naar syndicalistische grondslag

In de slotbeschouwing maken Hoekman en Houkes een korte evaluatie van het karakter van het NAS met zijn ‘dubbele identiteit' (vakbond en brede politieke beweging) binnen een vijandige maatschappij en van de verschillende fasen die zij onderscheiden in de geschiedenis van de vakcentrale. Daarin onderging het NAS tal van veranderingen in de organisatie, ideologie, collectieve acties en het bestuur. Ze maken gebruik van de volgende fasen.

Als eerste, de opkomst van de onafhankelijke vakbeweging in Nederland in de periode 1860-1893 en het streven naar een ongedeelde algemene vakbeweging (met godsdienstige en politieke neutraliteit), met een invloed van de socialistische beweging (Sociaal-Democratische Bond, SDB), maar ook met de Engelse vakcentrale TUC als voorbeeld. De vroege Nederlandse vakbeweging was vooral een beweging van (klein)stedelijke geschoolde arbeiders, met een groot gewicht van Amsterdam.

Ten tweede, de vorming en organisatorische ontwikkeling van het NAS in de jaren 1893-1901. Op 27 augustus 1893 werd het NAS opgericht in Constantia, het gebouw van de SDB aan de Rozengracht in Amsterdam. Zowel de SDB als de SDAP waren in die beginperiode aangesloten bij het NAS.

Ten derde, een fase van richtingenstrijd binnen de vakbeweging in de jaren 1901-1907 die samenhing met de internationale richtingenstrijd in de vakbeweging. Het ging vooral tussen de zogenaamde moderne vakbeweging en de opkomende syndicalistische stroming, maar ook om de invloed van het anarchisme binnen het NAS. In deze periode werd het NVV opgericht en vijf van de elf bonden waarmee het NVV begon, kwamen voort uit het NAS. Het NVV was al snel groter dan het NAS.

Ten vierde, de fase van de syndicalistische grondslag van het NAS in de jaren 1907-1913.

Ten vijfde, deze fase krijgt de titel op weg naar het reformistisch syndicalisme en gaat over de periode 1913-1919. Hierin valt de Eerste Wereldoorlog en we zien de eerste cao-onderhandelingen en de werklozenkassen.

Op- en neergang

De zesde korte periode gaat over reformistisch syndicalisme en opkomend communisme in de jaren 1919-1923. Het was de tijd waarin het NAS in 1920 zijn hoogste ledental bereikte van 51.570. De nieuwe CPH speelde een rol, er was de invloed van de Amerikaanse IWW (Industrial Workers of the World) en de druk van de in Moskou opgerichte RVI (Rode Vakbewegings Internationale). De periode eindigt met een scheuring van het NAS en een daling van het ledental naar slechts zo’n 13.700, ongeveer het aantal waarmee het NAS z’n bestaan was begonnen (als we de leden van de SDB meetellen). De uitgetreden federaties vormden een eigen vakcentrale, het NSV (Nederlands Syndicalistisch Vakverbond).

Een zevende fase kent een kortstondige oriëntatie op het communisme in de jaren 1923-1927, waarin het NAS zich twee jaar aansloot bij de RVI.

De achtste fase noemen de auteurs een nieuwe koers van revolutionaire politiek en vakstrijd (1927-1933).

Tot slot is er de neergang van het NAS in de vooroorlogse crisisjaren van 1933 tot 1940. Een periode dat het NAS, met zijn voorzitter Sneevliet, het zeer moeilijk heeft in een tijd van grote crisis, werkloosheid en opkomend fascisme.

sneevlietbank

Bankbiljet Chinese Volksrepubliek met Sneevliet

Verkorte versie

Ondanks al het goede werk dat Hoekman en Houkes verricht hebben met het schrijven van dit kloeke, zeer gedetailleerde werk over de eerste vakcentrale in ons land, hebben we toch daarnaast de behoefte aan een ander boek over het NAS. Juist omdat de zeer vele lessen en ervaringen van het NAS deels nog relevant zijn voor de klassenstrijd van tegenwoordig.

We kunnen niet verwachten of verlangen van de (jonge) activisten en vakbondsleden dat zij een historisch boekwerk van 851 bladzijden, met een winkelprijs van tachtig euro gaan lezen en bestuderen. Een sterk verkorte uitgave van dit boek dat ook explicieter langs de lijnen van enkele heldere probleemstellingen is geschreven en met iets meer sociaaleconomische context, zou zeer nuttig zijn voor de nieuwe generatie strijdbare linkse activisten in de vakbonden, in sociale bewegingen en in de politiek.

(*1) Piet Hoekman en Jannes Houkes, Het Nationaal Arbeids-Secretariaat 1893-1940. De geschiedenis van de eerste vakcentrale in Nederland. Amsterdam University Press, 851 pagina’s - 79 euro 95. (terug)