Ik heb net een dik boek zitten lezen over de geschiedenis van de eerste Nederlandse vakcentrale, het Nationaal Arbeids-Secretariaat (NAS). Wat me daarbij opviel, was dat de discussie over de taken van de vakbeweging er één van alle tijden is. En dat veel van de discussies uit de jaren rond 1900, ook nu nog spelen. Kennelijk gaat het om een wezenskenmerk van de vakbeweging. (Door Herman Pieterson, oorspronkelijk verschenen op solidariteit.nl)

Kort gezegd: voor de directe materiële belangenbehartiging, voor een verder en breder doel, of voor allebei en in dat geval in welke verhouding? Daardoorheen liep en loopt de discussie over de verhouding tot de staat. In die tijd ging het om de eerste aanzetten tot de verzorgingsstaat (uitvoering sociale wetten, overleg met werkgevers en overheid), nu gaat het om de aanvallen van de neoliberalen op wat rest van die verzorgingsstaat.

Verschillen

Grote verschillen zijn er ook. De eerste globaliseringsgolf van de late negentiende eeuw heeft Nederland de moderne tijd in getrokken, de vorm daarvan was vooral nationaal, met 'eigen' koloniën als wingewest. De huidige globaliseringsgolf is internationaal van aard en is veel verder gegaan in de richting van internationaal gespreide productie. De vorm van de globalisering is voor ons Europees, met multinationals die over de hele wereld actief zijn. Onze tegenstander is daarmee een stuk minder grijpbaar.

En nu hebben we te maken met een neoliberaal offensief dat verder teruggrijpt dan het begin van de twintigste eeuw. Toen waren het linkse liberalen die gas, licht, water en openbaar vervoer in gemeentehanden brachten. Nu is ook de PvdA voorstander van de privatiseringen. Toen waren het de sociaaldemocraten die opkwamen voor een premievrij staatspensioen, nu is het de PvdA die de pensioenen helpt afbreken.
Maar het belangrijkste verschil is wel de sociale beweging zelf. Honderdtwintig jaar geleden kwam de arbeidersbeweging op en zocht naar vormen om directe belangenstrijd en strijd voor een betere toekomst te combineren. Nu is de linkse beweging grotendeels verzand geraakt in het meebesturen van het kapitalisme en is strijd voor een radicaal andere maatschappij in diskrediet geraakt. Tegelijk maakt de komende klimaatverandering duidelijk dat die radicale verandering wel degelijk nodig is. Maar voorstanders van radicale duurzaamheid houden vaak weinig rekening met de materiële situatie van het deel van de bevolking voor wie het geen keuze is om meer geld aan duurzaam voedsel of kleding uit te geven. Een houdbare en duurzame toekomst moet ook sociaal zijn.

Geen neutraliteit

De vakbeweging is door de regeringsdeelname van de PvdA en de steun van de FNV-leiding rond Agnes Jongerius aan de verhoging van de AOW leeftijd in een crisis terechtgekomen. De FNV heeft grote moeite om daar uit te komen. Nog steeds lijkt het er op dat tenminste een deel van de 'werkorganisatie' het meedoen met overleggen en druk uitoefenen op de regering het belangrijkste vindt. En dat bij het kiezen van een nieuwe voorzitter slechts uit één kandidaat gekozen kan worden, verhoogt de geloofwaardigheid van de FNV niet. Ook is de vergrijzing van het ledenbestand van de FNV niet tot staan gebracht.

Er is aandacht voor duurzaamheid, het klimaat en de energietransitie, maar de uitwerking is mager. En natuurlijk zijn er meer thema's dan alleen de sociaaleconomische. Juist met de decentralisaties van deze regering, waarbij bezuinigingen naar de gemeenten over de schutting zijn gegooid, wordt de vakbeweging geconfronteerd met taken op terreinen waar eerder op de rijksoverheid werd vertrouwd.
Racisme en discriminatie en seksisme spelen helaas nog steeds een belangrijke rol. Niet alleen door Wilders, maar ook in de dagelijkse uitingen op straat of op sociale media. En ook door de blindheid bij witte Nederlanders, mannen vooral, voor hun bevoorrechte positie. Voor de vakbeweging is hier geen neutraliteit mogelijk. Eenheid en solidariteit zijn alleen waar te maken als we ons niet tegen elkaar laten opzetten.

Perspectief

De vakbeweging heeft daarom ook politieke doelen. Juist omdat ze aan belangenbehartiging doet, maar ook omdat het altijd moet gaan om een breder perspectief, om de bevrijding van de werkenden, van vrouwen, van uitkeringsgerechtigden en van minderheden. De vakbeweging heeft in Nederland altijd het terrein van de parlementaire politiek aan de partijen gelaten. Maar het is ons niet om het even wie er in de Tweede Kamer zitten.
Als de FNV een perspectief nastreeft, dan moet ze dat zowel voor maatschappijverandering als voor de dagelijkse strijd bieden. De verkiezingsprogramma's van de partijen moet ze daaraan afmeten. Alleen op die manier geeft de FNV een alternatief aan de cynici die ons willen doen geloven dat het antwoord op het neoliberalisme vooral meer deregulering, dus meer neoliberalisme is. En een alternatief voor de schreeuwlelijk die zodra er een serieuze oplossing wordt gevraagd de schuld neerlegt bij recent aangekomen Nederlanders. Als de vakbeweging zich weer laat temmen tot een bijwagen van één of meer ‘linkse’ partijen zal de achteruitgang voortduren en de slagkracht verder afnemen. De schreeuwlelijk krijgt dan de ruimte.