Door te spreken over de onderlinge verbanden tussen alle vormen van strijd ­– feministisch, ecologisch, antiracistisch… – stelt het ecofeminisme het hele overheersende systeem ter discussie’. Aan het woord is de Franse universitair geschoolde filosofe en yoga-lerares Jeanne Burgart Goutal, tevens specialiste op het vlak van het ecofeminisme. Vorig jaar kwam haar boek uit, getiteld Het zijn van ecofeministe : theorieën en praktijken (Parijs, 2020).

(Door Thom Holterman, reporterre/Libertaire Orde)

In een vorig item over deze strijdbeweging kwamen we al tegen dat die geboren werd in de jaren 1970. In een vraaggesprek eveneens te vinden op de Franse ecologische site Reporterre en gepubliceerd in maart 2021 (Online) gaat Jeanne Burgart Goutal dieper op de inhoud van die strijd in. Hieronder de vertaling van het vraaggesprek. [ThH]

Reporterre: We horen veel over ecofeminisme, maar het concept lijkt nog steeds slecht te worden begrepen, zowel door milieuactivisten als door feministen. Wat is uw definitie?

Jeanne Burgart Goutal: Ecofeminisme is geen modeverschijnsel, maar een beweging gedragen door collectieven in concrete strijd rond verschillende thema’s. Wat zij gemeen hebben is de overtuiging dat er een onlosmakelijk verband bestaat tussen de ecologische crisis en het patriarchaat in het bijzonder. Volgens ecofeministen hebben de uitbuiting van de natuur en de overheersing door mannen diepe wortels gemeen, en passen zij vergelijkbare mechanismen toe (objectivering, devaluatie, geweld, enz.).

Meer in het algemeen verweeft hun analyse alle vormen van overheersing, klasse, ‘ras’, Noord/Zuid… Op dit moment wordt er veel gesproken over intersectionaliteit. Het was al een eis van het ecofeminisme om kwesties van ecologische en sociale rechtvaardigheid te verwoorden. Maar zo worden bijvoorbeeld ook afgewezen vormen van ecologie die impliciet seksistisch en neokolonialistisch zijn. Men kan daarbij denken aan de campagnes van gedwongen sterilisatie van vrouwen in India in naam van de demografische regulering.

De strijd voor gelijkheid tussen mannen en vrouwen is dus gevoerd over de ruggen van de zwakkere personen die zich met de kinderen en het huis bezighouden.

J.B.G.:  Dit is een ondoordacht mainstream feminisme. Sociologisch gezien waren de bekendste feministische theoretici vaak vrouwen uit de middenklasse of blanke vrouwen, die dachten vanuit hun sociale positie en de weerslag van de patriarchale orde reproduceerden. Ecofeminisme wil zichtbaar maken wat onzichtbaar is, maar onmisbaar voor ons leven en onze economie. Dat betreft bijvoorbeeld huishoudelijk werk (het bereiden van maaltijden, de zorg voor huis en kinderen…), het over-uitgebuite werk aan de andere kant van de wereld om de voorwerpen van ons dagelijks leven te vervaardigen, of het werk van zelfregeneratie van ecosystemen. [..]

Er is veel kritiek te lezen op het ecofeminisme: het zou te idealistisch zijn, te esoterisch…

J.B.G.:  Dit zijn kritieken die het ecofeminisme al in de jaren negentig in diskrediet hebben helpen brengen. De Amerikaanse essayiste Janet Biehl [die nauw betrokken is bij het sociale ecologie van Murray Bookchin; thh.], bijvoorbeeld, viel het ecofeminisme aan als een godinnencultus, zeggende dat het niet politiek genoeg was. Al deze kritiek is partijdig. Natuurlijk zijn er ecofeministische teksten die essentialistisch of spiritistisch zijn, maar dit is zeker niet de hele beweging. Er zijn ook teksten die duidelijk constructivistisch zijn met een marxistische analyse.

 

Wat Maria Mies of Rosemary Ruether betreft, zij nemen de concepten van Marx vanuit een feministische invalshoek over, door de seksuele arbeidsverdeling tot de grondslag van het patriarchaat te maken. Ook al zijn zij geïnteresseerd in de ideologische, culturele en symbolische constructies die aan het patriarchaat ten grondslag liggen, toch doen zij dit binnen een materialistisch kader, gebaseerd op de analyse van de relatie tussen productie en reproductie. In zo’n geval bevinden weß ons buiten het spectrum van het idealisme!

Alle mensen die kritiek hebben op het ecofeminisme zouden de ecofeministen moeten lezen. Bovendien, wat het ecofeminisme het meest fascineert, is juist datgene waarvoor het bekritiseerd wordt: de spirituele kant met de rituelen, en de heksen. De media en de mensen zijn erin geïnteresseerd omdat het origineel, ‘verkoopbaar’ en verleidelijk is.

Is deze kritiek niet een manier om het ecofeminisme ongevaarlijk te maken?

J.B.G.:  Zoals Ève Chiapello en Luc Boltanski goed uitleggen in hun Le Nouvel Esprit du capitalisme (Parijs, 2011), herstelt het systeem alles wat het probeert te vernietigen. Hier probeert het kapitalisme het ecofeminisme te zuiveren, het te ontdoen van alles wat het teveel heeft in de zin van politiek, subversief en andersglobalistisch. Wij zien dit zelfs op het niveau van de internationale instellingen.

Tegenwoordig is het opnemen van de woorden als ‘gender’ en ‘milieu’ een manier om subsidies te krijgen. Het is het nieuwe politiek correcte discours dat ons in staat stelt het ‘ontwikkelings’-beleid op mondiaal niveau te verfraaien, met de financiering van vrouwencoöperaties of microkredieten in India of Afrika bijvoorbeeld. Maar dit verandert het systeem niet fundamenteel, zoals het ecofeminisme wenst.

Het ecofeminisme verbindt de verschillende vormen van uitbuiting: die van de man over de vrouw, die van de mens over de natuur. Houdt het ook rekening met kwesties van koloniale overheersing?

J.B.G.:  Ja, ecofeministische theorieën hebben altijd een verband gelegd tussen seksisme, racisme, patriarchaat en kolonisatie. Hoewel de kwestie van ras en kolonialisme centraal staat in de ecofeministische geschriften, is het in werkelijkheid moeilijk om de kloof tussen de antiracistische beweging en de ecologische beweging te overbruggen. [..]

Zou u zeggen dat het ecofeminisme radicaler is dan het zogenaamde ‘liberale’ feminisme van de twintigste eeuw, dat pleitte voor gelijkheid tussen mannen en vrouwen zonder vraagtekens te plaatsen bij de structuren die tot deze overheersing hebben geleid?

J.B.G.:  Ja, want het ecofeminisme spreekt over de onderlinge verbanden tussen verschillende strijdpunten en wil het systeem in zijn geheel aanvechten. Dit is een groot verschil met liberaal feminisme. Het is geen strijd voor meer vrouwen om bedrijven te leiden die de hulpbronnen plunderen, of om in het parlement te zitten om vrijheidsvernietigende wetten aan te nemen, of voor de opwaartse mobiliteit van een paar bevoorrechte vrouwen. Het idee is niet om de top van de piramide te bereiken, maar juist om die structuur te veranderen en in plaats daarvan een meer coöperatief, circulair en democratisch systeem op te bouwen.

In de geschiedenis van de sociale strijd hebben vrouwen vaak in de voorste linie gestaan. Hun aanwezigheid wordt echter zeer vaak verdoezeld in de geschiedenisboeken. Hoe kan dit veranderd worden?

J.B.G.:  De school moet in het middelpunt van dit grote project staan. Zeker sinds de jaren zeventig zijn er veel feministische werken verschenen die de rol van de vrouw in de geschiedenis, de prehistorie, de Middeleeuwen, in verschillende niet-patriarchale culturen of in de artistieke creatie voor het voetlicht brengen… Deze werken bestaan, maar worden noch in de populaire cultuur, noch in de scholen doorgegeven. Ze blijven alleen bekend bij gepolitiseerde mensen. In de mainstream media wordt bijvoorbeeld veel gesproken over heksen, maar zwijgt men over de geschiedenis van de strijd tegen het extractivisme [winning, onttrekken aan, van natuurlijke hulpbronnen uit de aarde; thh.] of tegen de ontbossing. Dat wordt vaak door vrouwen wordt geleid, maar dat is te activistisch om daarover te schrijven.

Wie zijn de ecofeministes van vandaag die je inspireren?

J.B.G.:  In Frankrijk duikt het antikernenergie vraagstuk weer op, met name in Bure [een Frans plaatsje aan de Maas waar een gigantische ondergrondse kernafval opslagplaats wordt gepland; het ecofeminisme vernieuwde daar de strijd tegen kernenergie; thh.]. Het is te zien als een manier om opnieuw aan te knopen bij de eerste problemen van de ecofeministische beweging. Sommige ZAD’s belichamen ook, op hun eigen manier, utopieën die dicht bij het vroege ecofeminisme staan, met zijn zeer ‘alternatieve’ kant. We zien ook dat het ecofeminisme meer en meer deel gaat uitmaken van het dagelijks leven.

Een belangrijk strijdtoneel vormt bijvoorbeeld ook de sfeer van de intimiteit, de kwestie van het lichaam en de seksualiteit: jonge vrouwen streven naar een ontpatriarchalisering van de intieme relaties. Ook voedsel staat vandaag in het middelpunt van de beweging, bijvoorbeeld bij de oudervereniging ‘Front de Mères’ die campagne voert voor een vegetarisch alternatief in schoolkantines in Seine-Saint-Denis. Maar het lijkt erop dat vooral in Zuid-Amerika de strijd van vrouwen voor het milieu springlevend is, ook al noemen zij zichzelf niet noodzakelijkerwijs ecofeministes.

U bestudeert het ecofeminisme nu al zo’n tien jaar. Hoe verklaart u de recente belangstelling voor dit onderwerp?

J.B.G.:  Er is een sneeuwbaleffect geweest, met de samenloop van de klimaatmarsen en #MeToo. De ecologische noodsituatie ligt voor iedereen steeds gevoeliger en tegelijk zijn we getuige van een terugkeer van het feminisme, dat lang als oubollig werd beschouwd. Bovendien is er sinds de periodes van huisarrest (‘lockdown’) een soort algemeen verlangen naar een verandering van systeem. Er bestaat de indruk dat men het einde van de weg heeft bereikt.

De politieke elites nemen hier geen notie van en horen niet wat er uit de burgermaatschappij komt. Geconfronteerd met het enge technocratische beleid van die elites is het begrijpelijk dat de utopische verleiding onweerstaanbaar wordt. [..]

Tussen het succes van het boek van Alice Coffin, Le génie lesbien, en het boek van Pauline Harmange, Moi les hommes je les déteste, krijg je het gevoel dat de mannenhaat bij sommige feministische activisten in opmars is.

J.B.G.:   In zekere zin begrijp ik hen, want na het lezen en ontleden van de mechanismen van het patriarchaat in al zijn gewelddadigheid, is het soms moeilijk om kalm te blijven. Maar ik denk dat deze strategie contraproductief is. Het ecofeminisme is ontstaan in de jaren zeventig, in het kielzog van de vredelievende tegencultuur en de hippies die vrede en verzoening wilden.

Mannenhaat kan een eerste stap zijn naar een soort ontwaken, maar kan geen doel op zich zijn. Wij kunnen niet voor altijd in de strijd en de oppositie blijven. Een van de assen van het ecofeminisme is nu juist het overwinnen van deze dualiteit en deze tegenstellingen. Ik ben meer geïnteresseerd in hoe we kunnen leren om vreugdevol samen te leven. [..]

[Jeanne Burgart Goutal in een vraaggesprek met Reporterre; vertaling Thom Holterman; Franse tekst integraal te raadplegen op de site van Reporterre.]

[Beeldmateriaal overgenomen van Reporterre.]