Bespreking van het boek van Abhijit V. Banerjee en Esther Duflo: Een dollar per dag – Hoe economie de wereld kan redden.

(Door Lou Keune)

Extreme armoede

De uitdrukking ‘Een dollar per dag per persoon’ speelt een belangrijke rol in het internationale debat over armoede en ontwikkelingshulp. Want de armen die het met dat inkomen moeten doen, die zijn de echte armen. Het is de maatstaf van ‘extreme armoede’ zoals die door de Wereldbank is ontwikkeld en sinds decennia door alle internationale organisaties en instellingen (met kleine aanpassingen) wordt gebruikt. Voor velen van hen heeft die een haast mythische betekenis. Al jaren wordt betoogd dat de extreme armoede in de wereld aan het afnemen is. Dat zou blijken uit de dalende cijfers over die armoede.

Maar ja, zoals altijd is ook deze beoordeling (mede) een kwestie van definitie. Neem het “mandje” aan bestaansmiddelen dat de basis vormt voor de berekening van wat extreme armoede is. Daar zitten allerlei middelen in als voedingsmiddelen die inderdaad nodig zijn om onder de huidige omstandigheden te kunnen bestaan. Geen luxe maar het puur fysieke bestaan. Maar de omstandigheden waaronder mensen tegenwoordig leven, en de eisen waaraan voldaan moet worden wil men hier en nu kunnen bestaan, zijn nogal verschillend van de oorspronkelijke definities.

Om maar eens wat te noemen: kun je in de huidige tijd echt bestaan in de zin van voldoen aan de tegenwoordige bestaanseisen zonder een mobieltje? Misschien wel in de fysieke zin van het woord ‘bestaan’. Maar niet in de feitelijke zin van beantwoorden aan de hedendaags gestelde eisen van maatschappelijk functioneren. Want zonder een mobieltje kun je veel minder communiceren. En communicatie met de wereld om ons heen is een essentiële eis van bestaan. Hoe kun je anders goed weten wat de mogelijkheden zijn op de arbeidsmarkt, of tegen welke prijs je je geproduceerde mais kunt afzetten? Mij lijkt dat als je het mobieltje en andere moderne communicatiemiddelen toevoegt aan het mandje van bestaansmiddelen, dat dan blijkt dat er meer extreme armen zijn dan door de Wereldbank berekend. En dat je de norm moet verhogen.

Dalende cijfers

Is dat nu werkelijk een belangrijke en relevante kwestie in de kringen van ontwikkelingswetenschappen en -beleid? Ik vind van wel. Want te gemakkelijk kan aan de nieuwste en dalende getallen van extreme armoede een zekere tevredenheid ontleend worden die schadelijk is voor het gevoel van urgentie over de noodzaak van bestrijding van de armoede. En dat gevoel is dringend noodzakelijk. Miljarden mensen leven immers onder onaanvaardbare condities van bestaan. Onaanvaardbaar alleen al op grond van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Hoe dan ook, er blijft hoe je armoede ook definieert grote en urgente noodzaak die te bestrijden. Maar hoe doe je dat? Daarover hebben de twee winnaars van de Economie Nobelprijs 2019 Abhijit V. Banerjee en Esther Duflo een werkelijk nuttig en leesbaar boek geschreven dat ik zou willen aanraden aan al diegenen die werkzaam zijn of willen zijn in de bestrijding van armoede in Afrika, Azië en Latijns Amerika.

Sachs versus Easterly

Een enorme veelheid van projecten en programma’s gericht op armoede bestrijding wordt besproken. Aan een flink aantal daarvan hebben de auteurs zelf deelgenomen, bijvoorbeeld als onderzoeker. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van rapportages van onderzoekingen verricht door anderen. Rode draad in al die beschrijvingen is de vraag hoe het komt dat zoveel projecten en programma’s mislukken en andere juist slagen.

Het boek begint met een verhelderende beschrijving van enkele discussies in de literatuur over dit onderwerp. Zij zetten drie auteurs tegenover elkaar. De eerste is Jeffrey Sachs, onder meer adviseur van de VN die stelt dat veel gebieden en mensen zich niet kunnen ontwikkelen zonder een flinke investering van buitenaf. Sachs pleit dan ook voor meer ontwikkelingshulp. In zijn standpunt voel je de erfenis van het aloude debat over deze kwestie. Het meest duidelijke althans meest besproken ‘model’ was in de jaren zeventig van de vorige eeuw dat van W.W. Rostow: ‘Take-off into selfsustained growth’. Die bepleitte om ontwikkelingslanden te helpen in juist de take-off fase opdat zij daarna zelf de verdere ontwikkeling ter hand konden nemen. Daartegenover stellen de auteurs van dit boek de benadering van William Easterly en Dambisa Moyo die vinden dat ontwikkelingshulp meer kwaad dan goed doet. Hun standpunt komt er op neer dat het beste is om de vrije markt zijn werk te laten doen. En de mensen moeten het uiteindelijk zelf doen.

Lokale praktijken

Banerjee en Duflo vinden in beide standpunten wel iets van hun gading. Maar zij leggen in dit boek het accent op de vele praktijken van mensen, projecten en programma’s. Wat wordt er gedaan, ging het goed of niet, en waarom. En dat is echt de grote kracht van dit boek. Zij gaan bij de beantwoording van deze vragen tot op het laagste niveau, namelijk dat van de armen zelf. Daarbij worden probleemsituaties beschreven, en vervolgens gekeken wat daar aan ontwikkelingsinitiatieven wordt ondernemen en of die tot positieve resultaten leiden.

Zij verzetten zich duidelijk tegen het standpunt van veel mensen die vinden dat het aan de armen zelf ligt dat zij niet vooruit komen. Integendeel, hun conclusie is dat armen zeker rationeel handelen, er zit rationaliteit in hun gedragingen en opvattingen. Bijvoorbeeld: waarom zijn er zoveel armen die niet gebruik maken van de vele krediet programma’s (microkredieten) en wel van lokale geldschieters die een veel hogere rentevergoeding vragen. Dan blijkt dat de officiële programma’s nogal bureaucratisch functioneren terwijl de lokale geldschieters veel elastischer zijn in bijvoorbeeld de voorwaarden die zij hanteren of de momenten waarop het krediet wordt verleend, en hoeveel geld. Of: waarom maakt een boer in Kenya niet gebruik van de financiële hulp voor aanschaf van kunstmest? Omdat die bij de lokale distributeur slechts in grote zakken zijn te krijgen en daar kan de boer met zijn kleine akker niet mee overweg. Het boek is een continu pleidooi voor goed kijken naar de lokale omstandigheden en praktijken. Het is een soms felle kritiek op de vele keren dat goed bedoelde initiatieven van buitenaf worden geleid door inzichten en overtuigingen van deskundigen die evenzeer van buitenaf zijn.

Economische groei?

Er zitten in dit boek ondanks alle goeds ook nogal wat zaken die ik nu niet bepaald toejuich. Een daarvan is dat onbeargumenteerd wordt uitgegaan van de bijdrage die de ontwikkeling van de armen zou kunnen betekenen voor de (macro) economische groei. Die groei wordt nergens besproken. Die is er gewoon, of niet. Er is geen duidelijke verwijzing naar het inmiddels mondiale debat over die economische groei. Want die wordt gedefinieerd op grond van het begrip bruto-binnenlands product (BBP) dat door steeds meer economen als fout en achterhaald beschouwd wordt. Bovendien is het sinds decennia al de vraag of er niet grenzen gesteld moeten worden aan die groei. Het  is niet zo dat de auteurs in dit boek een echte bespreking van hun opvatting over economische groei geven. Het wordt steeds weer genoemd zonder verdere beschrijving en bespreking.

De markt?

Daarnaast worden er posities ingenomen die de dominante economie niet verder problematiseren. Ik wil er een tweetal bespreken. Zo wordt er onuitgesproken van uitgegaan dat boeren en andere producenten  moeten zorgen voor een betere positie op ‘de markt’. Wat die markt dan is, dat wordt niet verduidelijkt. Ingeval het zou gaan om de verbetering van de positie van een individuele producent op een gegeven markt, kan niet anders geconcludeerd worden dan dat een andere individuele producent op diezelfde markt in een moeilijkere concurrentiepositie komt. Tenzij het gaat om een groeimarkt. Dan kan er juist behoefte zijn aan meer producenten. Maar ook dan is het de vraag wie er iets mee opschiet.

Want zeker onder condities van ‘vrije markt’ ontwikkelen zich steeds weer grote producenten en handelaars die de kleinen van de markt concurreren. Heel de wereldgeschiedenis laat zien dat grote agribusiness bedrijven markten gaan overheersen en dat kleine producenten worden weggeconcurreerd. Dat geldt ook voor bedrijfjes en bedrijven die worden ondersteund met microkrediet. In dit verband valt mij op dat nergens het belang van de zelfvoorzienende productie wordt besproken, en dat terwijl steeds weer kleine producenten gedwongen zijn tot een overlevingseconomie waarbinnen zelfvoorziening een essentieel onderdeel is.

Ontwikkelingshulp?

Een ander onderwerp dat mij echt stoort in dit boek is dat van de omgekeerde ontwikkelingshulp. Ik heb over dit onderwerp zelf regelmatig onderzoek gedaan. En er zijn meer studies daarover. Waar het in dit boek om gaat is dat steeds gesproken wordt van ontwikkelingshulp. Daarbij wordt gesuggereerd dat ontwikkelingslanden echt hulp ontvangen. En dat er dan een discussie loopt of het wel of niet verstandig is hulp te geven, zie Sachs en Eagerly. Maar nergens zie ik een verwijzing naar de omgekeerde stromen.

Bij deze kwestie gaat het er onder andere over in welke mate de financiële stromen richting ontwikkelingslanden (als giften, particuliere en publieke leningen, en private investeringen), gecompenseerd worden door daaraan gekoppelde terugstromen (als rente betalingen, aflossingen afgevloeide winsten, belastingontduikingen, de financiële gevolgen van systemen van over- and underpricing, en zo meer). Mijn verschillende malen herhaalde onderzoekingen maar ook die van anderen laten zien dat door de bank genomen de terugstromen groter zijn dan de heenstromen. En dat is natuurlijk een heel belangrijk gegeven. Want dat overwoekert alle initiatieven van hulporganisaties en van de armen zelf om uit hun zeer benarde leefsituatie te komen. Een groot gemis in dit boek.

Kortom een zeer leerzaam maar ook discutabel boek.

-------

Een Dollar Per Dag, Abhijit Banerjee en Esther Duflo, Thomas Rap 2020, 19,99