Korte recensie van Eva Rovers: Ik Kom in Opstand Dus wij Zijn (nieuw licht op verzet) In de reeks filosofische pamfletten van uitgeverij Ambo/Anthos, nieuw licht, heeft schrijfster Eva Rovers een tekst uitgebracht over politiek verzet in tijden van sociale media. Daarin staat een herontdekking van De Mens in Opstand van Albert Camus centraal. Eindelijk iemand die Camus als revolutionair politiek denker weer serieus neemt.

Rovers heeft twee serieuze biografieën op haar naam staan, waaronder Boud, over Boudewijn Büch. De teksten in de serie nieuw licht zijn noodgedwongen beknopt. Maar Rovers slaagt er wel in heel wat aan te stippen. Ze begint haar pamflet gloedvol met een beschrijving van de snelle escalatie van de opstand van de bevolking in Egypte in 2010 en de rol die sociale media daar toen bij speelde. Een van de hoofdrolspelers (tevens lokale marketingmanager van Google), Wael Ghonim, staat centraal in Rovers betoog. Hij deed na het slagen van de opstand enthousiast verhaal op internationale podia over de fantastische vermogens van die sociale media. Maar een paar jaar later is hij gedesillusioneerd. Op een TED-talk geeft hij toe dat: “‘Ik zei ooit dat wanneer je een land wilt bevrijden je niets anders nodig hebt dan een website’. Na een korte stilte vervolgt hij: ‘Ik had ongelijk.’ De Arabische lente had de grote kracht van sociale media laten zien, maar ook hun grote zwakte. Dezelfde platforms die waren ingezet om te informeren en coördineren werden na verloop van tijd gebruikt om geruchten en valse informatie te verspreiden, mensen zwart te maken en tegen elkaar op te zetten.”

Rovers gaat verder met te waarschuwen tegen het ‘blinde geloof’ in die media. “Dat geloof laat mensen vergeten dat een groot netwerk niet hetzelfde is als een hecht netwerk, dat de stem van velen niet hetzelfde is als een eensgezinde stem, dat een medium - hoe krachtig ook - slechts dat is: een medium, een middel. En een middel alleen is niet voldoende om een opstand te laten slagen”. Om vervolgens ook naar andere opstanden in de wereld te kijken (occupy, Maidan, Gezi Park, black lives matter in de VS) waar ze dan wat te snel overheen analyseert dat die “uiteindelijk verzanden in  verdeeldheid, chaos en teleurstelling”.

Misschien zijn we volgens de schrijfster vergeten wat een opstand is. Dat zal voor de westerse occupy-hipster wellicht treffen, maar zal voor de strijders in Egypte of Istanboel vermoedelijk toch niet echt het probleem zijn. Wel weer raak is het uitstapje dat de auteur vervolgens maakt naar (onderzoek) naar verschillende eerdere protestgolven, om een sociologe in de VS aan te halen die daaruit heeft geconcludeerd dat “elkaar zien, horen, vis-à-vis gedachten uitwisselen en discussiëren vóórdat er massaal wordt geprotesteerd essentieel is om een protest de lange adem te geven die nodig is om grote sociale veranderingen teweeg te brengen.” Zoals bij de burgerrechtenbeweging in de jaren vijftig en zestig in de VS. En dan is er nog de factor van onderlinge verbondenheid van demonstranten, kortom alles dat niet ontstaat bij de virtuele media.

Dat is het moment voor Rovers om over te schakelen naar een boekwerk dat volgens haar die “verbondenheid als wezen van iedere opstand” minutieus heeft beschreven. Eva Rovers neemt ruim de tijd om de ideeën van Camus uit zijn waarlijk diepgravende boek De Mens in Opstand te beschrijven. Hij stelde dat verzet het wezen van het menselijk bestaan is: Opstand is wat de mens tot mens maakt. Maar tegelijkertijd gaat hij uitgebreid in op de gevaren van geweld, en de ongewenstheid van macht, die onder andere tot schijnverbondenheid zal voeren. Volgens Rovers stelt Camus dat de mens geneigd is de aanvankelijke bevrijding van de opstand te laten “verstarren tot ideologieën” en is het einde van de grote ideologieën dus een goede zaak.

Rovers gaat in haar tekst verder met een mooie beschrijving van de opkomst van het neoliberalisme, een ideologie die zich juist heeft vermomd als niet-ideologie. Ze stipt daarbij het fenomeen aan van de bureaucratie (zonder Graeber aan te halen, zoals ze Morozov ook niet lijkt te kennen als het om kritiek op sociale media gaat) en de ingebakken verheerlijking van economische groei. En eindigt met de constatering dat nu consumeren de nieuwe ideologie is geworden. Waarbij enigszins stoort dat ze in nogal absolute termen beweert dat iedereen daarin getrapt is (‘we hebben ons in slaap laten sussen’). Alsof er geen bewegingen zijn geweest die zich met hand en tand verzet hebben - en nog steeds - tegen neoliberaal kapitalisme. Die kom je in ieder geval in het boekje niet tegen.

Wat ook jammer is, is de keuze van Rovers om Camus’ boek vervolgens te versmallen tot kunst als alternatief voor het opwekken van het volgens Camus zo cruciale ‘klaarlichte denken’. Daarmee verdwijnt het expliciet politieke en revolutionaire verhaal van Camus nogal achter de gordijnen, en lijkt het vooral een artistiek en filosofisch verhaal. Het boekje besluit ook met een vertaald fragment uit Camus’ boek dat vooral over kunst gaat. Rovers zelf besluit haar betoog aanvankelijk wel weer sterk met het oprakelen van de zwaktes van de nieuwe media-middelen, die individualiseren en geen helder alternatief laten ontstaan. Maar vestigt dan om onduidelijke redenen toch weer hoop op diezelfde technische middelen, door een deskundoloog te voorschijn te toveren die oppert dat we nog moeten leren goed met ze om te gaan. Dat is natuurlijk nogal een sisser. Jammer ook dat we nu weinig advies krijgen over hoe we in deze duistere tijden kunnen komen tot, wat de achterflap wel beweert, “echt verzet”. Maar het is in ieder geval wel een sterk pleidooi voor ‘autonoom denken’. En wat het boekje in ieder geval ook doet, is zin geven om het werk van Camus weer te gaan lezen.

Voorpublicatie en clip bij NRC

Eva Rovers, Ik kom in opstand dus wij zijn
10.00 Ambo/Anthos januari 2017