De titel van het boek over geografie van de Franse oud-hoogleraar in de geopolitiek, Yves Lacoste (Universiteit Parijs-VIII) is duidelijk. Die luidt La Géographie, ça sert, d’abord, à faire la guerre of te wel ‘De geografie, die dient in de eerste plaats voor oorlogvoering’. Het is verschenen in 1976. Na veertig jaar is het als vermeerderde uitgave herdrukt in 2012 en in 2014 als pocket. De vermeerdering in de nieuwe uitgave is tweeledig. In de eerste plaats is er een ruime, nieuwe inleiding door Lacoste geschreven en aan diverse hoofdstukken heeft hij, ter actualisering, commentaren toegevoegd. Is hij na veertig jaar, gelet op de titel, van inzicht veranderd?. Het antwoord luidt volmondig neen.

(Oorspronkelijk verschenen op Libertaire Orde)

Oorlog in Vietnam

De oorsprong van de titel van het boek ligt bij hetgeen Lacoste in zijn jonge jaren als geograaf zelf heeft aanschouwd. In het voorjaar van 1972 begon de Amerikaanse luchtmacht opnieuw Noord-Vietnam te bombarderen en wel mede heel gericht op de dijken van de Rode Rivier. Die bombardementen werden zo uitgevoerd, dat op vitale punten dijkdoorbraken konden ontstaan. Het doel was dan ook die dijken zodanig te verzwakken, dat bij een hoge(re) waterstand het hele achterland van de delta zou volstromen. Dat zou dan oppervlakkig beschouwd niet te wijten zijn aan de bombardementen, maar aan de hoge waterstand in de rivier. Zou de opzet slagen, dan kwam dit neer op een ware genocide omdat in deze delta zo’n 15 miljoen mensen leefden.

Natuurlijk ontkende het Witte Huis deze (indirecte) strategie. Als bewijsmateriaal voor het tegendeel zou kunnen dienen een nauwkeurige beschrijving van de inslagen in de dijken en een gedetailleerd inzicht in het dijkenstelsel zelf. De vaardigheid om dat te analyseren en beschrijven is de geograaf gegeven.

In juni 1972 had Lacoste over die bombardementen een opiniestuk in het Franse dagblad Le Monde geschreven. Tijdens zijn zomervakantie van 1972 ontving hij een telefoontje met het dringende verzoek naar Hanoi te komen om in het gebombardeerde gebied onderzoek te doen. Dit is vervolgens ook door hem verricht. Het wees uit dat er sprake was van ‘clandestiene’ bombardementen op de dijken van Rode Rivier.

Het ging namelijk om precisiebombardementen ten behoeve waarvan ook een precisiecartografie voorhanden moest zijn geweest om dat te kunnen uitvoeren. Het zijn bij uitstek geografen die zoiets kunnen leveren. Uiteraard volgde publicatie van het door Lacoste verrichte onderzoek. Tegelijk had hij een bevestiging van de titel van zijn boek, waarin hij ook uitgebreid de gang van zaken vanaf het eerste telefoontje tot en met het onderzoek beschrijft.

Armerika

Geopolitiek

Ook al dient de geografie, in de eerste plaats, voor oorlogvoering, het heeft ook andere functies, zoals ideologische en politieke. Het is in de context van het pangermanisme, zo legt Lacoste uit, dat de Duitse geograaf Friedrich Ratzel (1844-1904) die functies uitwerkt. Daarmee beïnvloedt hij, tot in het heden, de humanistische geografie, door de verbinding van de antropogeografie met de politieke geografie. Vele concepten van hem, zoals Lebensraum, geven kort na de Eerste Wereldoorlog een beslissende impuls aan wat toen geopolitiek is gaan heten. Het is de Duitse nazi generaal Karl Haushofer (1869-1946) die wat de toenmalige geopolitiek betreft, daar veel van heeft overgenomen.

Sommige geografen van toen beschouwden dit als een onbetamelijkheid. Zij zagen hun ‘wetenschappelijke’ geografie verbonden met de onderneming die de nazi generaal in zijn hoofd had. Dat verandert evenwel niets aan het feit dat de Hitleriaanse geopolitiek het toppunt bereikt van de politieke en ideologische functie van de geografie. Men kan zich zelfs afvragen of de doctrine van de Führer niet in belangrijke mate is geïnspireerd door de redeneringen van Haushofer, zo nauw waren hun relaties. Dat geldt met name vanaf 1923-1924, te weten de periode dat Adolf Hitler zijn Mein Kampf in de gevangenis van München aan het schrijven was…

Na 1945 was het niet meer bon ton om over geopolitiek te spreken. Dit leidde er toe dat de universitaire en schoolse geografie (wat wij vroeger ‘aardrijkskunde’ noemden) tot maskering overging van het praktische nut van de analyse van de ruimte. Weggemoffeld werd dat de analyses de oorlogvoering kunnen helpen en dus voor de organisatie van de staat en de machtspraktijk van nut zijn. De consequenties van deze maskering zijn ernstig. Daarom vindt Lacoste het van groot belang te bevestigen dat de geografie, in de eerste plaats, de oorlogvoering dient. Dit betekent voor hem dat een van zijn essentiële strategische functies ontmaskerd moet worden. Laten we niet vergeten dat generaal Pinochet óók geograaf was, wrijft Lacoste nog eens in.

Élisée Reclus

Wie de Franse geografie behandelt, kan niet om Paul Vidal de la Blache heen (1845-1918). Hij is de eerste Franse leerstoelhouder in de geografie. De ideologische rol die Vidal de la Blache heeft gespeeld, is aanzienlijk. In zijn geografie ligt de nadruk op het regionale, op de habitat rurale en de landbouw, dat wil zeggen op wat permanent is. Er wordt weinig over steden en industrie gezegd. De politiek is als het ware verbannen. Geografie is ‘neutraal’. Maar wat ook over Vidal de la Blache is te zeggen, hij is niet de eerste grote geograaf van Frankrijk, aldus Lacoste. Hij heeft Élisée Reclus (1830-1905), de geograaf en anarchistisch denker, als voorganger te erkennen. Die publiceerde twintig jaar eerder dan La Blache zijn grote geografische werken.

Het is niet toevallig dat Lacoste dit benadrukt. Élisée Reclus heeft namelijk als geograaf de politieke inbreng in de geografie niet geschuwd. Bovendien heeft hij in zijn werk een grote plaats ingeruimd voor de stad, de industrie en hij heeft de economische, sociale en politieke problemen die speelden, behandeld. Deze invalshoek kon Reclus kiezen omdat hij aan de staat als conceptuele ruimte de voorkeur geeft, wat hem de mogelijkheid biedt inzicht te verschaffen in de ermee samenhangende problemen.

Reclus.Louis Moreau

Élisée Reclus

Dat zijn geografie niet is doorgedrongen, valt te verklaren uit het feit dat deze oud-communaard (hij nam deel aan de Commune van Parijs 1871), denker van de anarchie, vele jaren buiten Frankrijk in ballingschap leeft. In die tijd is Vidal de la Blache hoogleraar aan de Sorbonne geworden en lid van de Academie van de morele en politieke wetenschappen (en deelt hij, zo vermeldt Lacoste nog, de ideeën van Maurice Barrès (1862-1923), een rechts-conservatief die bijvoorbeeld in de Dreyfus-affaire stelling neemt tegen Emile Zola). Zo wordt Vidal de la Blache wel de eerste ‘meester’ onder de Franse geografen als docent.

Lacoste werkt aan het eerherstel van Élisée Reclus. Dit komt tot uitdrukking in wat Lacoste geopolitiek is gaan noemen. Naast geograaf wordt hij dan ook wel ‘geopoliticoloog’ genoemd. Traditioneel werd in het universitaire geografie onderwijs geen aandacht besteed aan politieke kwesties. Dat is Lacoste gaan veranderen ondermeer door op wat hij de grootste Franse geograaf Élisée Reclus van het eerste uur noemt. Die heeft nu juist wel in zijn omvangrijke werk een groot belang gezien in het behandelen van politieke problemen. En hij beschouwt deze volgens Lacoste op een uiterst interessante en oorspronkelijke wijze, omdat hij naast geograaf ook anarchist is, bevriend met Bakoenin en Kropotkin.

Omdat Lacoste het behandelen van politieke kwesties in de geografie niet schuwde, heeft hij de geopolitiek opnieuw op de kaart gezet. Onder geopolitiek verstaat Lacoste binnen het kader van zijn eigen onderzoek: de geografische analyse in politieke en militaire termen en daarmee alles wat behoort bij de rivaliteit tussen machten over een of meerdere gebieden. Onder ‘machten’ vat Lacoste niet alleen de staat, maar ook andere politieke organisatievormen (zoals stamverbanden, religieuze en etnische groeperingen). Onder zijn redactie is in drie delen (3700 pagina’s) uitgekomen Géopolitique des régions françaises (Paris, 1986). Hieraan werkten een veertigtal geografen mee.

Het is dus verre van vreemd bij hem ook in de nieuwe inleiding Reclus tegen te komen. Hij constateert dat deze in de universitaire kring geheel buiten zicht is gehouden omdat de overige geografen vanuit de veronderstelling werkten, dat men ‘objectief’ moest wezen. Het was ook omdat Reclus geen ‘universitaire’ figuur was. Daarnaast zwegen communistische geografen over Reclus om een andere reden: hij heeft de ideeën van Marx durven kritiseren. Toen Lacoste zelf college ging geven, zo schrijft hij, vielen zijn lofprijzingen over Reclus in goede aarde bij de studenten, maar het was toen net na 1968…

Toegepaste geografie

Geografie is een wetenschap die, zoals alle overige wetenschappen, veel vertakkingen kent. Geografen willen ook hun brood verdienen en dat gebeurt mede via de toegepaste geografie. Het is een moderne stroming in deze wetenschap die als technocratisch kan worden aangeduid, zegt Lacoste. Diensten worden in dat geval vooral geleverd aan grote staatsapparaten en grote groepen kapitalistische instellingen en ondernemingen. De wetenschapper moet zich aldus Lacoste het volgende bewust zijn.

Sloppenwijk

 Zuid-Afrika; aan de rand van de sloppenwijk Marikana.

De geografische, maar ook antropologische en sociologische boeken die een bepaald volk, een etnische groepering, een stamverband, een regio, een sloppenwijk, beschrijven, kunnen een aanzienlijke hoeveelheid informatie bevatten voor politieke en militaire inlichtingendiensten van grote mogendheden (de CIA en het Pentagon op de eerste plaats). De informatie, voor langere tijd opgeslagen, kan worden opgedoken om ergens in de wereld snel en efficiënt in te grijpen. Meer dan ooit is heden kennis een vorm van macht (bedenk dat dit dus al in 1976 zo was). En het maakt machthebbers niet uit of de informatie nu van links of van rechts komt. Strategische kennis kan hoogst nuttig zijn en is daarmee hoogst gevaarlijk. De leiding van grote, multinationale bedrijven en van grote staatskapitalistische apparaten, zijn ook ‘realisten’. Ondanks hun ideologische afkeer van een marxistische kijk op het wetenschapsbedrijf, analyseren zij het wel op de bruikbaarheid ervan voor hen. Het gaat hen slechts om het ‘terrein’ waarop ze zich willen richten. Ze willen dat kennen en ze willen weten wie hun mogelijke tegenstanders zijn, aldus Lacoste.

Met het oog op zulke overwegingen laat Lacoste nog een hoofdstuk volgen waarin hij de geograaf opwekt in te zien dat hij, al analyserend, noterend en publicerend, aan de ‘macht’ inlichtingen verschaft over de ‘ruimte’ die hij beschrijft. Dit maakt het voor de ‘macht’ mogelijk in te grijpen in het leven van aldaar wonende mensen. Die ‘macht’ kan heel verschillende gedaantes hebben: het bestuur van het land, de leiding van grote banken, van legers… Geograaf, denk eraan dat het mannen en vrouwen zijn die ‘object’ van je studie uitmaken!

Ik loop al enkele decennia mee in het sociale, politieke en juridische wetenschapsbedrijf, maar nooit eerder heb ik bij mijn weten een op deze manier uitgewerkte en indringende waarschuwing onder ogen gehad. Overigens zal men een dergelijke waarschuwing in dit no-nonsense tijdperk niet gauw tegenkomen. Lacoste wijst er indirect zelf ook al op in zijn aanvulling van 2012: de meeste van de geografen, dat wil zeggen zij die zich graag als ‘postmodern’ zien, ontwijken de vraag ‘Waar dient de geografie toe?’.

Als leerboek zie ik het niet gauw in de faculteiten geowetenschappen opgenomen worden. Te gevaarlijk. Ik denk dat het in ons tijdperk vooral om ‘geografie van het kapitaal’ gaat, maar ik word gaarne van het tegendeel overtuigd.

Thom Holterman

LACOSTE, Yves, La géographie, ça sert, d’abord, à faire la guerre, Éditions La Découverte, Paris, 2012, 2014 (vermeerderde uitgave van de oorspronkelijke tekst van 1976), 249 blz., prijs 11 euro.

[Foto’s overgenomen uit Le Monde libertaire nummers 1719, 1733.]