Eva Rovers heeft een boek geschreven met adviezen over actievoeren. Ze wil dat mensen in opstand komen tegen onrechtvaardige zaken, en geeft daarvoor aanwijzingen. Het is lang geleden dat er zo’n tekst in de boekwinkels is gekomen. Helaas zijn de aanwijzingen niet altijd even revolutionair. Zo maakt ze een dogmatische claim dat de activiteiten alleen ‘geweldloos’ mogen zijn, anders zouden ze niet werken. Het is een claim die niet alleen onterecht is, maar die onder de huidige omstandigheden ook enorm contraproductief kan zijn.

(Foto van website linksjugend)

Eva is van beroep filosofe en schrijfster. Eerder schreef ze een pamflet in boekvorm Ik Kom in Opstand Dus wij Zijn (nieuw licht op verzet) dat als een soort opstap geldt voor het huidige boek Practivisme, een handboek voor heimelijke rebellen. Ik heb dat laatste nog niet gelezen, maar Christiaan Verwey wel, en die schreef er een welwillende recensie van op globalinfo. Eerder recenseerde ik wel haar pamflet.

In de recensie van Practivisme wordt al beschreven hoe ze (stap 7) geweldloosheid aanbeveelt. Of is de term ‘verordonneert’ beter op zijn plaats? Misschien gebeurt het daar genuanceerder en onderbouwder dan in haar publieke optredens. Daar valt immers op hoe verbeten ze de lans breekt voor acties die alleen maar keurig de voorgeschreven regels volgen. In haar publieke optredens (ik maakte haar mee op het verjaardagsfeest van XminY) en interviews stelt ze onomwonden dat acties echt alleen kunnen werken als ze ‘geweldloos’ zijn. Want anders zou je mensen tegen je in het harnas jagen. Ook in een recent interview van de Correspondent komt ze uitgebreid met deze stelling voor de dag.

Laten we dat interview als leidraad nemen om kort te benoemen wat er nu zo problematisch aan is.

Geen definitie

Het probleem met de stelling is ten eerste dat ze nergens ingaat op wat nu wel en geen geweld is. Dat wordt natuurlijk heel vaak gedaan in conservatieve hoek, maar van mensen die zelf beweren aan de kant van de activisten te staan, verwacht je natuurlijk beter. Dus waar hebben we het precies over? Is sabotage ook geweld? Begint het bij schreeuwen tegen de politie, of moet je meer doen om in de categorie terecht te komen? Het aanrichten van schade bij een multinational, terwijl er verder geen mensen gekrenkt worden? Buitenreclame van een vervelend bedrijf neerhalen? Wat vindt ze van het beschermen van een bezetting tegen aanvallen van politie of beveiligingspersoneel? Of pogingen om de schade te beperken als de politie je demonstratie aanvalt? Maken de omstandigheden überhaupt nog uit? Is bij een dictatuur/politiestaat/bezetting gewapend verzet ook verboden? En waar ligt de grens dan?

Dat ze al die nuanceringen niet aan bod laat komen, zou wel eens kunnen komen doordat ze geen ervaringsdeskundige is. In het interview met de Correspondent staat dat ze behalve een keer een actie voor zeehondjes op de kleuterschool, ‘afgezien van een enkele demonstratie’ nooit zelf in opstand is gekomen. Dat is misschien niet erg, maar misschien hebben je adviezen dan toch minder gezag dan je in je interviews meent te hebben.

Bovenstaande voorbeelden zijn niet gekozen om flauw te doen, maar omdat ze in de praktijk vaak voorkomen en ondernomen worden door mensen die in het geweer komen. Neem het voorbeeld van je demonstratie of actie, meestal uitermate geweldloos, die door de politie uit elkaar geslagen wordt omdat de burgemeester (of soms de politiechef zelf) heeft besloten dat die niet mag. Ervaring heeft geleerd dat er een hele reeks van antwoorden op mogelijk zijn, van wegrennen en opgeven, tot ‘passief beschermen’ (met touwen en lichaamsbescherming) en terugvechten, of later in de nacht je gram gaan halen. Ze hebben allemaal voor- en nadelen en meestal wint de staat. Maar als we allemaal zouden afspreken dat we bij de minste dreiging van staatsoptreden gaan wegrennen (of het enige andere alternatief: ons met kinderen en al in elkaar laten slaan) dan zou er nauwelijks nog een actie of demonstratie plaatsvinden. Dan zal elke burgemeester overgaan tot de Malieveld-constructie: daar en daar heb je een veldje waar je met je spandoek mag staan en toedeledokie verder. Wie zich er vervolgens niet aan houdt wordt genadeloos vervolgd, met instemming van mevrouw Rovers. Het is een situatie die we al dicht genaderd zijn.

Tactische naïviteit

In het interview met de correspondent zegt Eva Roovers:

(Het stuk daarvoor gaat over het feit dat je bij acties niet alleen kwaad moet worden maar ook humor moet hebben. En dat je zoveel mogelijk moet samenwerken. Zo heeft ze bedacht dat de anti-racisme-betogers rond het Zwarte Piet thema het niet goed hebben gedaan omdat het publiek zich door hen aangevallen voelt. “En dat terwijl ze, als je ze op een andere, positievere manier zou benaderen, waarschijnlijk begrip voor je standpunt zouden hebben.’”) Maar dan komt het:

‘Wanneer de woede bovendien omslaat in geweld werkt het bij het publiek bijna altijd averechts. Kijk bijvoorbeeld naar wat er gebeurt bij de G20, dat is super zonde. De boodschap van de activisten is positief en gaat iedereen aan, maar juist het beeld van die paar relschoppers gaat de wereld over. Dat is ook aan de meeste media te danken, die pas aandacht schenken aan protesten als het uit de hand loopt. Hoe dan ook: geweld is slechte publiciteit.’

De interviewer probeert daarover een discussie te ontlokken door de vraag te stellen:

Er zijn vast activisten die daar anders over denken. Hoe zijn de reacties uit hun hoek?

Waarop Rovers antwoordt:
‘Ik heb een paar lezingen gegeven voor zalen waarin ook veel activisten zaten. Het gebruik van geweld vormt een tweedeling: de meesten verwerpen het principieel, maar volgens sommigen is het noodzakelijk om aandacht te krijgen, of omdat je kwaad alleen met kwaad zou kunnen bestrijden. Dan kan je tien onderzoeken aanhalen die laten zien dat geweldloos verzet twee keer zo vaak succesvol is, maar die groep heeft daar weinig boodschap aan.’

Wat hier gebeurt is een klassiek staaltje framing, gevolgd door een stropop. Zo wordt hier meteen maar even gesteld dat zelfs in dat soort zalen de meerderheid het met haar eens is. Degenen die haar visie aanvechten zijn een kleine minderheid. Maar ze geeft die minderheid dan twee argumenten in de mond, die haar betoog nog eens moeten versterken. Het argument voor ‘geweld’ zou zijn dat je ‘kwaad allen met kwaad’ zou kunnen bestrijden. Of omdat je anders geen aandacht krijgt. Bovendien is die kleine minderheid niet voor rede (en de feiten: tien onderzoeken!) vatbaar: “Dan kan je tien onderzoeken aanhalen die laten zien dat geweldloos verzet twee keer zo vaak succesvol is, maar die groep heeft daar weinig boodschap aan.” is de verzuchting van onze expert.

Ik denk dat dat pure demagogie is. Tegenover die tien onderzoeken, die ze waarschijnlijk niet heeft, zijn er honderd die aantonen dat ‘geweld’ soms heel effectief kan zijn. En andersom (hoewel daar natuurlijk nauwelijks onderzoek naar wordt gedaan, want ook in de sociale wetenschappen regeert tegenwoordig het kapitaal): dat een geritualiseerde geweldloze aanpak niets oplevert. Hoe vaak hebben we niet lusteloos achter een spandoek door de straat gesjokt of machteloos ludiek lopen doen tegenover waarlijk criminele praktijken van multinationals of overheden, zonder dat we die praktijken daadwerkelijk wisten te stoppen. Of is dat dan geen probleem, omdat we ‘toch wat gedaan hebben’?

Geweld is natuurlijk een probleem

Natuurlijk is geweld een enorm maatschappelijk probleem. We leven in een veel te gewelddadige wereld, die ons grotendeels als ‘normaal’ wordt verkocht. Vanaf je eerste stap de straat op word je elke ochtend geconfronteerd met brullende motoren die je naar het leven staan, schreeuwende reclame, en een regering die weerloze Syriërs bombardeert of wapens verkoopt aan moorddadige regimes. De politie regeert de straat en bepaalt wat daar wel en niet mag met een almacht die niet zo lang geleden ondenkbaar was. Als je daar wat tegenover wilt stellen, of aan wilt doen, moet je goed nadenken of je middelen wilt gebruiken die daar nog meer geweld aan toevoegen. Bovendien, Rovers merkt dat ook op, heb je te maken met media die juist dat zullen oppikken en uitvergroten.

Maar dat wil allemaal niet zeggen dat je die middelen nooit zou mogen overwegen en zou mogen gebruiken. Natuurlijk niet. Als je dat denkt, verandert er nooit wat. Alle progressieve veranderingen zijn bereikt doordat mensen de wetten en regels overtraden, soms in vergaande militante mate en met gevaar voor eigen en andermens leven. Zelfs de grootste apologeten van geweldloosheid (zoals Gandhi en ML King) hebben vaak zeer genuanceerd gedacht over hun tactiek. Zo zijn er interessante uitspraken van King over de rellen in de VS als reactie op het optreden van de racistische overheid, waarin hij stelt dat ze “de stem zijn van degenen die geen officiële stem hebben” (The Language of the Unheard). Die uitspraak is tevens de titel van een recent en aan te bevelen boek over “why militant protest is good for democracy” (Stephen D’Arcy, Languages of the Unheard, Zed Books 2014).

Een goed voorbeeld van een beweging die veel wist te bereiken met wat Rovers ‘geweld’ zou noemen, is de kraakbeweging in de jaren 1980. Zo is er een heel officieel onderzoek van politicologe Virginie Mamadou waarin de voor sommigen nogal contra-intuitieve werkelijkheid wordt onthuld dat de beweging de meeste resultaten wist te bereiken op het moment dat ze het meest militant was (Virginie Mamadou (1992), Stad in eigen hand. Provo's, kabouters en krakers als stedelijke sociale beweging. Amsterdam: SUA).

Daar zijn natuurlijk veel meer voorbeelden van. Alleen al van bewegingen en campagnes waar ik zelf aan deelgenomen heb, zou ik er zo een serie op kunnen lepelen die hun doel bereikt hebben door massale of kleinschalige militante acties. En meestal: door een onvoorspelbare brede mengelmoes - van geweldloos tot openlijke militant, aangevuld door nachtelijke prikacties die alle grenzen te buiten gingen. Zo heeft de Duitse anti-kernenergie-beweging uiteindelijk de atoommaffia op de knieën gekregen. In de tussentijd werden verschillende miljardenprojecten met die combinatie tegengehouden, waarbij mandenlang massaal gereld werd. Overal in de geschiedenis kan je dat soort voorbeelden vinden. Denk je echt dat we het nog over Mei ‘68 zouden hebben als er toen niet massaal de straat opengebroken was, gebouwen waren bezet, barricades waren opgericht en auto’s op hun kop waren gezet? Een andere onderzoeker die Rovers eens zou moeten bestuderen, is George Katsiaficas, die zijn levenswerk heeft gemaakt van het bestuderen van dergelijke opstanden, en een magistraal boek over 1968 heeft geschreven (The Imagination of the New Left) Zie zijn website http://www.eroseffect.com

Camus

Rovers baseert haar stellingen wat betreft geweld onder andere op Camus. Daar heeft ze natuurlijk een sterke medestander mee. En hij heeft inderdaad baanbrekend filosofisch en literair werk op dat gebied afgeleverd. Maar je kunt ook hem niet misbruiken voor een legalistische instelling zoals Rovers die wil verkopen. Camus schreef zijn ‘De Mens in Opstand’ in 1951, vlak na de 2e Wereldoorlog. Zijn afwijzing van geweld was dan ook vooral een reflectie op dat soort militaire vormen van geweld. En ook op die van bevrijdingslegers. Maar het ging over moorden en martelingen, niet over het terugduwen van een agent of het ingooien van een ruit. Bovendien stierf Camus helaas al op 46-jarige leeftijd in 1960. We zouden graag willen dat hij zijn licht zou laten schijnen op de politieke perspectieven van deze tijd. Hij zou waarschijnlijk eerst verbijsterd in een hoekje kruipen en daar dagen lang niet uitkomen, mocht hij ineens in het nu wederopstaan. Maar daarna zou hij vooral nadenken over mogelijkheden voor opstand tegen deze waanzin, om uit de doeken te doen hoe we ook nu weer in de positie komen om “beul noch gehangene” te worden, om maar een vermaarde tekst van hem aan te halen.

Populair worden

Het andere argument van Rovers is dat je door geweld te gebruiken het publiek van je zou vervreemden. Ook dat is onzin. Natuurlijk komt dat voor, zoals er ook genoeg voorbeelden te vinden zijn dat militant activisme contraproductief is geweest. Het is goed dat daarover nagedacht wordt.

Maar weerzin tegen geweld is vaak eerder een reflectie van je eigen positie, in dit geval die van een witte goedverdienende onderzoekster. In de werkelijke leefsituatie van veel mensen, met name in de zogenaamde Derde Wereld maar helaas ook in onze eigen achterbuurten, is geweld een redelijk normaal fenomeen. Dat maakt het niet beter, maar maakt het filosofische argument tandeloos. Veel mensen snappen juist het ludieke geïnstitutionaliseerde activisme van betaalde NGO-mederkers niet. Ze hebben daar - en terecht - veel meer kritiek op dan als er een keer iemand wat terugdoet tegen een rij ME-ers. Het zijn vervolgens de media die het beeld gaan bepalen dat iedereen (waaronder Rovers) krijgt die er niet bij is geweest. Daarom moet er ook in het nadenken over opstand en activisme veel meer aandacht komen voor strijd tegen mediamacht (en voor alternatieve media, dank voor de donaties!).

Bovendien is niet elke actie altijd bedoeld om zoveel mogelijk sympathie van iedereen te krijgen. Soms wil je gewoon koste wat kost iets tegenhouden. Of is het vooral de bedoeling om een taboe te doorbreken en iets op de agenda te krijgen. Neem de Zwarte Piet-acties. Helden zijn het die tegen alle racistische mainstreamstromen op hebben moeten roeien en daarbij alles hebben moeten doorstaan; vernedering, ernstige repressie, ontslag. Ze hebben daarmee ook bereikt dat wat eerder normaal geacht werd en niet eens als probleem werd gezien, nu plotseling bijna overal omstreden is geworden en op veel plekken niet meer voorkomt.

Of neem de G20-rellen, die ze steeds aanvoert om haar gelijk te halen. Ook bij een korte discussie op de XminY-verjaardag probeerde ze dat aan te voeren als ‘bewijs’ dat ‘geweld’ slecht is. Gelukkig waren er mensen in de zaal die deelnemer waren geweest van het gebeuren in Hamburg, of anderszins op de hoogte waren, die er fel tegenin gingen. Sommigen verklaarden zelfs openlijk dat ze “blij waren dat er rellen waren geschopt”. Ze voerden ook allerlei argumenten aan waarom in zo’n setting überhaupt geen andere optie geweest was dan allerlei vormen van verzet te ontplooien. Maar Rovers recyclet die argumenten in het interview vervolgens tot een karikatuur van een dogmatische minderheid die alleen maar graag met de politie knokken wil. Dat is wat je noemt een gesprek tussen doven, voor haar staat de uitkomst al vast.

Ik ga hier niet opnieuw oplepelen welke politiestaat daar in Hamburg op straat gebracht was om dat machtsvertoon dat G20 heet er door te drukken, ik moet zo ook weer gaan vakken vullen in de supermarkt om de deurwaarder op afstand te houden, maar onder de tag ‘G20’ op globalinfo staat nogal wat te lezen. Dan wordt onmiddellijk duidelijk dat het grote probleem hier de politiestaat is en de repressie die ook nu nog voortduurt, en dat de enige manier om dat te voorkomen was geweest dat we dat theater geheel ongestoord hadden laten verlopen. Want elk protest en verzet wordt in zo’n situatie genadeloos aangepakt. Aangezien zo’n soort politiestaatachtige aanpak steeds meer realiteit wordt in heel Europa en elders, moeten we daar juist dringend antwoorden op vinden. Bij voorbaat op de rug gaan liggen en alleen nog symbolische acties doen in goed overleg met de autoriteiten is geen antwoord. Dat maakt de brave new world alleen erger. Het is dan ook geen wonder dat de NGO-professionals in mijn ‘sociale media’ netwerk het handboek van Eva Rovers enthousiast lopen aan te prijzen. Het komt immers vooral hen uit: laat het organiseren van acties voortaan over aan gelikte commerciële NGO’s die er voor opgericht zijn en hun goedbetaalde profi's, en ga vooral niet zelf in de weer en al helemaal niet in een “radicale subcultuur die geen contact heeft met de buitenwereld”.

Voorspelbaar

Een van de grootste problemen met het dogmatisch inperken van de eigen middelen, versus een gewelddadige overheid/tegenstander, is de voorspelbaarheid die dat oplevert van onze acties. Dat is bijvoorbeeld ook een van de grootste manco’s van zo’n campagne als Code Rood, die momenteel een intern debat voert over de mate van inperking. We hebben dat eerder aan de hand gehad met de drie blockupy-acties tijdens de euro-crisis toen we de ECB in Frankfurt gingen blokkeren.

Doordat de autoriteiten - overigen in Frankfurt een regering met de Groenen, over geweldloosheid gesproken - van tevoren verzekerd was dat we alleen geweldloze middelen zouden gebruiken, konden we tot twee keer toe gemakkelijk door de politie omsingeld en urenlang vernederd worden. Ze hoefden toch geen echt verzet te verwachten. De derde keer kwamen er een paar duizend extra activisten opdagen die lak hadden aan de onderlinge afspraken en de boel flink gingen opschudden.

De ‘les’ van dit alles is dat je een speelbal van de overheid en de brave new NGO-world wordt als je alleen nog binnen de lijntjes mag kleuren. Dat wil niet zeggen dat je wel wat bereikt met het ritualiseren van geweld, zoals bepaalde ‘insurrectionalistische’ kringen graag doen. Maar het ritualiseren van geweldloosheid is in ieder geval uitzichtloos, zeker als je niet eens goed omschrijft wat dat geweld dan is.

Wat daarbij natuurlijk nodig is, is dat mensen elkaar opzoeken en zelf nadenken hoe je de boel op zijn kop zet en ten goede verandert en welke middelen ze daarbij kunnen benutten. Dat hoeven ze zich niet voor te laten schrijven door filosofen of andere bemoeiallen zoals schrijver dezes. Ze mogen zich natuurlijk wel laten inspireren door eerdere revolutionairen en hun verhalen. Wat dat betreft is er weinig leerzamer en inspirerender dan een keer rond het kampvuur zitten sterke verhalen uitwisselen na een gewonnen slag tegen de Krachten der Duisternis, terwijl de walm van traangas en pepperspray nog uit de - al dan niet zwarte - kleren slaat. Hopelijk overkomt Eva Rovers dat ook eens een keer en komt ze daarna met andere boodschappen.

------

*) Eerder hebben we een keer, in een gratis krant die we toentertijd probeerden te maken, gesteld dat handboeken voor actievoeren zowiezo niet echt werken. Zoals je voetballen niet kunt leren uit een boekje, kan dat met opstand ook niet. Het zou misschien veel effectiever zijn om een inspirerende roman te schrijven. Voorbeelden daarvan stonden in dit stuk.