Ga naar de inhoud

Guy Debord (1931-1994) En De Situationistische Internationale

“Sinds ik Debord in 1989 ontdekte, bewonder ik zijn solitaire en argwanende geluid, zijn voortdurende strijd tegen wat hij noemde ‘de krachten van de spectaculaire overheersing’. Ik heb lang geweigerd te geloven dat die overwonnen hadden. Maar, of zijn Parijse volgelingen het aanstaat of niet, Debord heeft de oorlog verloren. Dat is de reden dat ik dit boek heb geschreven”, zegt Andrew Hussey in zijn inleiding bij de onlangs uitgekomen Franstalige editie van zijn biografie over Guy Debord.

12 min leestijd

(Oorspronkelijk verschenen op Libertaire Orde)

De Engelstalige versie is uitgegeven in 2001, onder de titel The Game of War. The Life and Death of Guy Debord. De titel van de Franse vertaling luidt Guy Debord. La société du spectacle et son héritage punk (De spektakelmaatschappij en zijn punk erfenis). De auteur (1963) begon zijn carrière als journalist, hij promoveerde in de Letteren en was decaan van de University of London Institute in Parijs.

Tijdsdocument

Het boek van Hussey telt ruim 500 pagina’s. Het is naast een biografie over Guy Debord, een beschrijving van de geschiedenis van de Situationistische Internationale (SI), gevat in wat ik een tijdsdocument noem. Ik had steeds momenten van herkenning van de historische situaties. Echter, hoewel de maatschappelijke situatie in de loop van de tijd verandert, is de kapitalistische en consumentistische matrix van die maatschappij gelijk gebleven, zo die zich niet heeft verdiept. Eigenlijk verandert alleen de naamgeving van de elementen waaruit het Debordiaanse spektakel is opgebouwd.

Dit betekent dat de noodzaak tot subversiviteit, van verzet en opstand tegen de druk die het spektakel uitoefent, onverminderd aanwezig is. Jongeren moeten de oude strijd kunnen herkennen (het historisch perspectief) en ook weten deze voort te zetten. Uit het boek kunnen zij de strijdmethoden opdoen, die een (Franse) regering deed wankelen. Het is in dit subversieve perspectief, dat ik mijn volgende opmerkingen over deze tekst maak.

Historisch perspectief

De dagen van de woede, mei 1968, het doorpakken van de stormachtige tijd in de enkele jaren daarna, het haalde veel overhoop maar bracht niet de maatschappijverandering waarop was gerekend, gehoopt. Toch was duidelijk geworden wat een gedreven beweging in een maatschappij teweeg kon brengen. Voor Debord komt dan, in 1974, de omkering die zich aandient, voor hemzelf en zijn generatie die in 1968 de revolutie hebben willen ontketenen.

Andrew Hussey beschrijft de tijd waarin Debord nadenkt over ‘Wat nu?’ (nà 1968 en voor 1974). Debord geeft zich rekenschap ervan dat hij inmiddels veertig jaar is. Dat is vijftien jaar ouder dan het merendeel van de andere situationisten. Hussey: ‘Zijn hang naar luxe, goede wijn, het mooie leven, de kunst, de Renaissance literatuur graven een diepe geul tussen hem en zijn veel jongere kameraden in hun leren jacks. Zoals het merendeel van hun generatiegenoten, zijn zij meer geïnspireerd door Jimi Hendrix, The Who, de hash en de speed dan door Marx, Hegel en Machiavelli’. Aldus graveert Hussey het generatieverschil. Dit is het historisch perspectief dat Hussey in zijn tekst heeft gebruikt.

Debord heeft met behulp van een beperkt aantal mensen aan die opstand en het verzet zijn bijdrage geleverd (de SI is bij schatting van de omvang van zijn kern nooit veel groter geworden dan zo’n zestig personen). Hij heeft die mensen steeds gewogen, of ze wel tot die groep konden worden toegelaten. En zij die waren toegelaten, konden ook zomaar door hem geroyeerd worden (als ze niet zichzelf al eerder hadden teruggetrokken). Voor dit soort gedrag had hij grote voorbeelden, zoals Karl Marx en André Breton. De banvloek werd bijvoorbeeld over leden zoals de Nederlandse architect en kunstschilder Constant Nieuwenhuys (‘Nieuw Babylon’) uitgesproken en over de Belgische maatschappijcriticus Raoul Vaneigem. Wat maakt dan toch dat Debord de aandacht weet vast te houden? Ik denk dat het zijn voortdurende beroep is om de wil tot subversiviteit te tonen. Hoe is het hem zelf vergaan?

Avondblad

Van lettrist tot situationist

Debord leeft in zijn jonge jaren met zijn familie in het Franse Cannes. Hij is slechts een anonieme provinciaal met een timide uitstraling, zoals Hussey hem karakteriseert. Hij ontdekt bij zichzelf een diepe verwantschap met de surrealistische kunstenaars van de jaren 1920 en 1930. Het is de herkenning van hun behoefte een algehele omvorming van de esthetiek en de moraal in de maatschappij te weeg te brengen.

Debord heeft net het lyceum afgemaakt als hij in 1951, tijdens het Filmfestival van Cannes, de Roemeense dichter Isidore Isou met zijn volgelingen ontmoet. Deze groep noemt zich lettristen. Zij houden zich met kunst bezig door terug te gaan naar letters en tekens, zonder daarmee een zinvolle betekenis te willen afleveren. Letters en tekens moeten gezamenlijk een zekere harmonie tot uitdrukking brengen.

De lettristen houden zich op in Parijs waar ook Debord zich zal vestigen (om er te gaan studeren). Hij zal tot de groep gaan behoren en de Lettristische Internationale laten ontstaan. De oorspronkelijke leider Isou weet hij aan de kant te schuiven. Enkele jaren later wordt de Situationistische Internationale gesticht (juli 1957), waarvan Debord de onbetwiste leider is (tot de opheffing in 1972). Hij was, zo schetst Hussey hem, een baanbreker, in het nuttigen van alcohol, in de kunst, in het denken. Maar wat Hussey zich toen bij het schrijven van de biografie en later ook nog voor doorslaggevend hield, is de vraag hoe Debord heeft kunnen worden: Guy Debord. ‘Het individu dus van wie het gedrag, de stijl en de ideologie reeds volmaakt en zonder discussie was uitgekristalliseerd in de periode, die ik zelf heb meegemaakt’, zo merkt Hussey enigszins verwonderd op.

Commedia del arteSituaties

De kernwoorden in zijn manier van formuleren van de sociale analyse van de maatschappij en het subversieve als reactie daarop, zijn situatie en spektakel. Het is vermoedelijk niet Debord die de term ‘situationistisch’ heeft gesmeed maar Constant Nieuwenhuys. In een tekst uit 1953 getiteld Pour une architecture de situations, laat hij zien dat de architectuur gemeenlijk de binnenruimtes identiek maakt voor een buitengewoon divers gebruik. Constant meende echter dat er ruimtes moesten worden gecreëerd, die aan specifieke ‘situaties’ aangepast waren. Hij stelde vormen voor die verschilden naar gelang de functies.

Hussey heeft nog met Constant over de oorsprong van de term ‘situationistisch’ gesproken. Maar het blijft duister. Zeker is dat de lettristen en een deel van de Nederlandse kunstenaars van de CoBrA groep, onder wie Constant, elkaar ondermeer ontmoetten in een stamkroeg in Parijs, ‘Moineau’ geheten. Hoe het ook zij, Debord maakt zich volledig meester van de term ‘situationistisch’. Hij zal die omschrijven als een ‘moment van het werkelijke leven en weloverwogen geconstrueerd’. Het gaat daarbij om een intentioneel en hartstochtelijk moment dat tegelijk revolutionair is omdat het de macht in zich draagt de middelmatigheid van het dagelijkse leven te breken en om te vormen. De praktijk van het leven is, je te laten drijven, je te laten meevoeren, op drift geraken, zwerftochten door een stad ondernemen (dérive) waarop de ‘psychogeografie’ aansluit. Dit, evenals de ‘omkering’ (détournement), levert het bewijs dat breken mogelijk is.

Spektakel

Nog belangrijker wordt voor Debord het spektakel. Dit is de andere term die Debord reeds in gebruik heeft genomen en die hij dan nog als metafoor hanteert. Het staat voor de wijze hoe krachten van de staat, het kapitaal en de media de controle van het individu over zijn bestaan in beslag nemen. Hij zal de term onuitwisbaar maken met zijn boek uit 1967 getiteld La société du spectacle (uitgegeven in het Nederlands De spektakelmaatschappij, Baarn, 1976).

De term is hier en daar al eerder door hem en de situationisten gebruikt, in het bijzonder om op de bedrieglijke vertegenwoordiging van het leven te wijzen, zoals dat in het stedelijke spektakel van het consumentisme en het kapitalisme verschijnt. Het is nadien evenwel verdiept met een politieke dimensie, als het beschrijft hoe het moderne leven individuen terugleidt naar een staat van passiviteit waar zij geheel het zicht verliezen op het potentieel van het menselijke experiment en daardoor de toeschouwers worden van hun eigen leven. Voor Debord is het concept dan niet alleen een metafoor van het moderne leven, maar ook een formulering in puur negatieve termen, die de waarde van een dialectisch strijdmiddel heeft, zo vat Hussey samen.

Hier vormt de omkering, détournement, een artistiek middel met een sterke politieke impact, een voorbeeld van een (dialectische) strijdmiddel. De omkering bewerkstelligt een hercontextualisering, het brengen van iets in een andere context (omgeving). Daardoor wordt er een doorbraak geforceerd ten behoeve van het begrijpen van de situatie. Zo worden reclameslogans geherformuleerd, bijvoorbeeld die van de aanprijzingen voor dorstlessers: ‘Drink Coca cola…dan ben je eerder dood’. Want waarom zou, om je dorst te lessen. water niet voldoende zijn?

In het eerste nummer van Internationale situationiniste (juni 1958) treft men een woordenlijst aan, die definities geeft van de terminologie – zoals die hierboven aan de orde kwam. Voor het gemak heeft Hussey deze lijst in zijn biografie op genomen.

Vrouwe justitiaSituationisten

Debord had tot doel de Situationistische Internationale een positie te geven die maakte dat het de belangrijkste ideeënleverancier van Parijs werd. Het is wat dit betreft niet verwonderlijk dat hij zich wilde bedienen van reeds bestaande tijdschriften en groepen. Zo kwam het ogenschijnlijk goed uit dat de groep rond Cornelius Castoriadis en Claude Lefort, Socialisme of barbarij, contact met hem trachtte te leggen. Hun gedachten spoorden aardig met die welke Debord had ontwikkeld in het tijdschrift Internationale situationniste. Debord is lid geworden van de groep en gesprekken hebben plaatsgevonden om te zien of en hoe een revolutionaire organisatie op te zetten. Debord vond het best dat zo’n organisatie in het leven zou worden geroepen, maar dan zonder hem, waarna hij ook zijn lidmaatschap weer opzegde.

Zo is ook de Franse socioloog, filosoof, neomarxist Henri Lefebvre (1901-1991) bij de situationisten betrokken geraakt, maar dan zonder lid te worden. Lefebrve heeft zich met name met urbanisme bezighouden. In 1947 publiceerde hij zijn Critique of Everyday Life, dat motieven heeft geleverd voor de oprichting niet alleen van de Cobra-beweging, maar ook van de Situationische Internationale. In een interview [zie Aantekeningen] zegt hij dat de SI op een sekte of een micromaatschappij leek, geleid door Debord. De Nederlandse assistent-conservator van het Stedelijk museum Amsterdam Jacqueline de Jong, is in de tijd die we bespreken, lid van SI geweest. Zij noemt Debord ‘een soort jezuïetenpriester’, lezen we bij Hussey.

Het hoogtepunt voor SI is gelegen in de revolutionaire explosie van ‘mei 1968’ (hetgeen Debord ook erkend in zijn voorwoord bij de vierde druk van de Italiaanse uitgave zijn De spektakelmaatschappij van 1979). Het is de periode die maakt dat ook de situationistische slogans in het collectieve geheugen worden opgeslagen: de verbeelding aan de macht. Hussey beschrijft met verve deze periode en hij laat duidelijk zien, dat het niet alleen de situationisten zijn maar ook vele andere groepen (trotskisten, anarchisten, enzovoort), die de studenten in beweging krijgen (en daarna ook de arbeiders). Toch moet ook hier herhaald worden, dat in Amsterdam door Provo het jeugdig opstandig elan is geboren – want zich manifesteerde in de periode 1965-1967. Maar er is ook een aantal wortels gemeenschappelijk.

Zo is een van die wortels een oudere studie, te weten die van de Nederlandse historicus (en antropoloog) Johan Huizinga (1872-1945) getiteld Homo ludens (De spelende mens) uit 1938 – met als ondertitel Proeve eener bepaling van het spel-element der cultuur. Een lid van SI bracht Debord in 1952 op de hoogte van het bestaan van dit boek, waarvan toen net een Franse vertaling was uitgekomen. De nadruk op de ludieke actie, bij Provo en bij de situationisten heeft als bron Homo ludens.

Het is het spel, de creatie van onomkeerbare situaties, die de samenlevingsorde zal veranderen, noteert Hussey. Hij verwijst eveneens naar Provo en op de situationist Constant, die op die beweging in Amsterdam zijn invloed had, bijvoorbeeld met zijn ontwerpen van ‘Nieuw Babylon’. En trouw aan de situationistische manier van doen, zegt Hussey, weet je nooit of Provo wel of niet serieus was met het ‘witte kippenplan’ om de politie in sociaal werkers te veranderen…

Zwaan

Spektakelmaatschappij

Hussey beschrijft uitvoerig de gebeurtenissen rond ‘mei 1968’, waarbinnen hij Debord en de situationisten plaats. Wel een revolutionair elan, maar wat is er fundamenteel veranderd? Dat overdenkende komt de omkering in 1974 voor Debord, waar ik hier boven al naar verwees. Aan het vervolg in de levensloop van Debord besteedt hij dan nog zo’n twee honderd bladzijden. Uiteraard behandelt hij uitvoerig de vriendschap met de uitgever Gérard Lebovici, die in 1984 vermoord werd (nooit opgelost). Hij besteedt aandacht aan Debord’s tekst uit 1988 Commentaar op de spektakelmaatschappij, waar het spektakel het ‘integrale spektakel’ zal gaan heten: het is met de maatschappij en de mensen nog erger geworden dan hij al in 1967 had opgetekend.

Vanzelfsprekend vindt men terug waarom er sprake is van een ‘Internationale’, waar de verschillende secties van SI, zoals de Nederlandse, in diverse Europese landen aan de orde komen. Onvermijdelijk zijn de repeterende verwijzingen naar het grote alcoholgebruik van Debord en menig situationist. Zo krijgen we door Hussey zelfs uitgelegd wat in Nederland een kopstoot genoemd wordt: innemen van een glas jenever gevolgd door een glas bier. Het is het recept dat Debord leert op zijn kroegentochten door Amsterdam als bijvoorbeeld Constant of Armando hem vergezellen.

Er is nog wel meer waaraan ik voorbij ben gegaan. De biografie die Hussey over Debord schreef is te rijk als tijdsdocument om naar alles te verwijzen dat hij behandelt. Het einde evenwel is sober en abrupt: Debord jaagt zich op 30 november 1994 een kogel door zijn hart. ‘De zelfmoord of de revolutie’, noteert Hussey. Op 5 december volgt de crematie van Guy in Saint-Étienne. Enkele dagen later begeven zijn weduwe Alice Debord en een aantal vrienden zich naar Parijs. Daar strooit, na een toost op Guy, Alice zijn as in de Seine, voor zijn laatste dérive.

Thom Holterman

HUSSEY, Andrew, Guy Debord. La société du spectacle et son heritage punk, uitgeverij Globe, l’école des loisirs, Paris, 2014, 541 blz., prijs 24,50 euro.

[Beeldmateriaal van de Rotterdamse dichter en illustrator Manuel Kneepkens. ]

Aantekeningen

[ 1 ] Elders op deze site vindt u nog twee andere besprekingen van teksten over Debord, een overzichtsbundel van een tentoonstelling in de Franse nationale bibliotheek, klik HIER. De andere betreft een studie over SI van Marcolini, klik HIER.

[ 2 ] Over de Internationale lettristen (in het Frans), klik HIER.

[ 3 ] Voor het interview met Henri Lefebvre, met name over Constant en diens ‘Pour une architecture de situations’, en over zijn relatie met het Internationale situationisme (in het Frans), klik HIER.