I’m also aware of your increased enthusiasm”: alledaags neoliberalisme en het ondernemende zelf. Zes jaar in crisis en de Cult van de Ondernemer blijft de ene, ware religie. Wat houdt het neoliberale evangelie in en waarom geloven we liever dan de realiteit onder ogen te zien? Philip Mirowski probeert er de vinger op te leggen.

In de film Nightcrawler rolt de werkloze Louis, gespeeld door Jake Gyllenhaal, toevallig in het beroep van stringer. Stringers jagen op exclusief beeldmateriaal van misdaden en ongelukken om te verkopen aan TV-stations. Terwijl hij zich opwerkt in het vak, gaat hij steeds verder om de kijkcijferhijgers te geven wat ze willen. Het is geen nieuw thema – er zijn raakvlakken met Network en Natural Born Killers – maar Nightcrawler is een film van deze tijd. Louis heeft zijn eerste opdracht nog niet binnen of hij presenteert zichzelf als een onderneming: ‘Video Production News: A Professional News Gathering Service’. Zijn woorden klinken door de hele film alsof hij een duf handboek voor ondernemers voorleest.

“Last year, I took an online business course. And I learned that you have to have a business plan before starting a business. Why you pursue something is equally as important as what you pursue. The site advised you to answer a question before you decide where to focus your abilities. The question was: what do I love to do? The site suggested you make a list of strenghts and weaknesses. What am I good at? What am I not good at? I recently remade my list and I’m thinking: television news might be something I love, as well as something I happen to be good at.”

 Hoewel hij nog geen geld heeft, neemt Louis iemand in dienst. Dat wil zeggen, hij biedt Rick, een wanhopige dakloze, een stageplaats aan. En Rick, bij gebrek aan beter, is bereid te werken voor een stagevergoeding. Compleet met functioneringsgesprek tijdens een nachtelijke autorit:

“I’m inviting you to be part of the team that pounces on this opportunity. I’ve been seeing a great improvement in your overall focus and order-following. Given complex problems, you’ve been able to find clear and simple solutions. I’m also aware of your increased enthusiasm. I hope you will inspire us with your innovating thinking for years to come.”

 Louis geeft Rick een promotie tot ‘Executive Vice President’ van het tweemansbedrijf. Hiermee hoopt hij Rick over te halen om samen achter een stel moordenaars aan te gaan, een riskante klus waarvoor Rick een aandeel van vijftig procent van de opbrengst van het videomateriaal onderhandelt. Ook Rick heeft zich intussen de zakentaal eigen gemaakt. Opgelucht en enigszins verrast dat hij gekregen heeft wat hij vroeg, zegt hij tegen Louis:

“Well alright then, now I feel good about it. Now I’ll go the extra mile. That’s what you never understood. You’ve got to bring people in, Lou, seriously, you’ve got to talk tot them like they’re fucking human beings. I’m saying this for you, for the future, to help you.”

Het is 2014 en we bevinden ons in het neoliberale universum.  

Het evangelie  

Economisch historicus Philip Mirowski beschrijft neoliberalisme in dertien geloofsartikelen van wat hij pesterig betitelt als het Neoliberale Gedachtecollectief (Milton Friedman, Friedrich Hayek, Wilhelm Röpke en consorten).

  1. Neoliberalisme is een constructivistisch project: het moet actief tot stand gebracht worden door menselijk ingrijpen en ontstaat niet spontaan.
  2. De rol van de markt wordt nieuw gedefinieerd: als ultieme informatieprocessor – de enige manier om te bepalen wat mensen werkelijk willen (Hayek), als door de staat georganiseerde competitie (Röpkes ‘ordoliberale’ bloedgroep in het Collectief) of meer in lijn met de neoklassieke opvatting (Friedman en de Chicago School), waarbij vaag blijft wat de markt is en men zich concentreert op wat de markt zou moeten doen.
  3. Ongeacht het constructivisme wordt de markt voorgesteld als best passend bij de menselijke natuur, wat leidt tot versmelting van economische theorie en andere wetenschappen in vormen als evolutionaire psychologie, neuro-economie en netwerksociologie. De markt is het instrument dat elke vorm van informatie verwerkt, niet alleen consumentenverlangens.
  4. Het neoliberale project wil de staat niet terugdringen maar zijn vorm en functie herscheppen. Democratie is een obstakel wanneer het een meerderheid de gelegenheid biedt keuzes te maken die ingaan tegen het neoliberalisme.
  5. Burgerschap betekent slechts clientèle van overheidsdiensten – ook politiek wordt behandeld als niet meer dan een markt.
  6. Ieder mens is een ondernemer die zichzelf als menselijk kapitaal uitbaat.
  7. De markt kent geen dwang, dus hoe meer markt, hoe meer vrijheid.
  8. Kapitaal heeft een natuurrecht om te gaan en staan waar het wil, wat supranationale instituties nodig maakt om het kapitaalverkeer soepel te laten verlopen (IMF, Wereldbank, WTO).
  9. Ongelijke economische middelen en politieke rechten zijn geen onfortuinlijk bijproduct maar natuurlijk en noodzakelijk als motor voor vooruitgang.
  10. Grote, marktdominerende bedrijven zijn geen probleem. Pogingen ze in te dammen zijn een aanslag op de rechten van de onderneming-als-persoon (in de Amerikaanse wetgeving) en monopolies zijn een voortvloeisel van misplaatst staatsingrijpen, niet van de interne dynamiek van kapitalisme.
  11. Elk probleem heeft een marktoplossing, ook problemen die door markten veroorzaakt worden.
  12. Criminaliteit van de armen moet bestreden worden met strafrecht, terwijl de rijken zo veel te verliezen hebben dat civielrecht en financiële boetedoening volstaat.
  13. Neoliberalen zoeken naarstig naar een morele code om hun politiek-economische theorieën in te bedden en proberen religieuze denominaties daarvoor te engageren, zoals in het verbond met christelijk rechts in de Verenigde Staten. [53-67]

Dit verzamelprogramma verhult onderlinge tegenstellingen, die Mirowski uitgebreid behandelt. Ook beschrijft hij hoe deze opvattingen ontwikkeld werden binnen de Mont Pelerin Society en zich verspreidden door instituties zoals universiteiten, denktanks, lobbygroepen en media. Interessanter vind ik echter wat Mirowski betitelt als ‘alledaags neoliberalisme’.  

Essentieel voor het diepe doordringen van neoliberale principes is punt 6 uit het evangelie: het ondernemende zelf. Volgens Mirowski weten de ideologen van het neoliberalisme hun leer daarbij voor te stellen als rebels, een opstand tegen de heersende orde. Dit is hoe ze door de crisisjaren na 2008 kwamen – en dat is het centrale thema van Never let a serious crisis go to waste: hoe kan het dat het neoliberale gedachtegoed ongeschonden en zelfs gesterkt een crisis doorstond die het zelf veroorzaakt had?  

Michel Foucault  

De filosoof Michel Foucault is de man als het gaat om de analyse van de manier waarop neoliberalisme onze opvattingen over onszelf vormgeeft (‘biopolitiek’). Mirowski noemt zes punten die Foucault begin jaren ’80 onderscheidde om het veranderende model van het zelf en de wereld in kaart te brengen:

  1. Fragmentatie van het zelf door het ondernemende zelf.
  2. Ondernemerschap als model voor alle sociale relaties, niet alleen economische.
  3. Calculatie van eigenbelang krijgt een nieuw aanschijn als een bezielde morele economie. Keuzevrijheid is een noodzakelijke voorwaarde om goed en kwaad te onderscheiden; de verzorgingsstaat gaat ten koste van religieuze liefdadigheid.
  4. Kneedbaarheid van het zelf tot op het elementaire niveau van bestaan (genetische manipulatie).
  5. Het ondernemende zelf aanvaardt beloning en straf als uitkomst van risicoberekening.
  6. Onwetendheid is de natuurlijke staat van de mens en garandeert de neoliberale orde. [95-96]

Mirowski levert een interessante kritiek op Foucault, die hij verwijt te veel meegegaan te zijn in het neoliberale wereldbeeld. Terwijl Foucault links en rechts sociale constructies uit elkaar ploos, lijkt het erop dat hij de sociale constructie van de markt naturaliseerde – met name viel Foucault voor het idee van de markt als ultieme informatieprocessor. [98] Misschien ligt dat aan Foucaults focus op de staat als centrum van de macht, waarbij staat en markt tegenover elkaar komen te staan. De staat maakt de markt als machtsinstrument onzichtbaar: Und man siehet die im Lichte, die im Dunkeln sieht man nicht.

‘De’ markt bestaat niet, zegt Mirowski, en al helemaal niet als de ultieme waarheidsmachine. Markten zijn geen correctie op de staat, maar daar diep mee verweven. De opmars van markten gaat gepaard met grote uitbreiding in de bevoegdheden en (marktgunstige) wetgeving van de staat. De crisis is geen gevolg van een terugtredende overheid die iets te enthousiast dereguleerde, maar een pathologie van het systeem. (Met ‘systeem’ doelt Mirowski in navolging van Yves Smith en anderen op neoliberaal kapitalisme, niet de kapitalistische productiewijze op zich). [101]  

Gefragmenteerde persoonlijkheid  

Het ondernemende zelf is subject, object en toeschouwer tegelijkertijd. Het is een bijeengeveegde hoop beelden uit het productieproces: grondstof, bedrijf, eindproduct, afnemer, klant. [108] Het ziet eruit als Louis in Nightcrawler: een wezen met vaag menselijke contouren, dat is ondergescheten door Management voor Dummies. Werknemer zijn betekent niet meer alleen een contract afsluiten om te werken tegen betaling:

Rather, one commits to a willingness to alter one’s very quiddity in an ongoing adjustment of agency to the requirements of social and physical adaptability to shifting market forces.” [110]

Neoliberalen vertrouwen erop dat het zelf, onze persoonlijkheid, tot in het oneindige gekneed kan worden om aan de verlangens van de markt te conformeren. Je kunt zijn wie je wilt, worden wat je wilt, en lukt dat niet, dan wilde je het niet graag genoeg. Het is geen raadsel hoe die ideeën in de hoofden van werknemers en hun managers terechtkomen: daarvoor zijn de verplichte cursussen en ingehuurde consultants. Dit is geen hersenspoeling maar een upgrade van het zelf. Een consultant die door Mirowski aangehaald wordt, zegt:

It’s expanding their choices and options. So there is no false self. There’s just limited awareness and the options we have at any one time… It’s not false, it’s out of date. So they just come in for an upgrade. My job is to create an upgrade of their life that is structured in such a way […] that it will have an inbuilt self-updating ability.” [111]

Zijn de hersentjes eenmaal besmet, dan houdt het neoliberale virus zichzelf in stand door ervaring in de dagelijkse praktijk. Waar de upgrade niet goed pakt, hebben we te maken met een rigide zelf, dat een nieuwe behandeling met de Cult van Ondernemerschap behoeft – of, indien ongeneeslijk, zich uit de markt prijst en beter ergens anders naar passend werk kan omzien. In Noord-Korea of zo.  

Geen klasse  

Omdat identiteit plastisch is en iedereen op het punt staat een beter en commercieel interessanter iemand te worden, is indeling in economische klassen onmogelijk en een beetje verdacht. Iedereen is middenklasse, wat dat ook mag betekenen – op een paar halfgoden na, die onze bewondering verdienen omdat hun rijkdom hun waarde bewijst; en het plebs, dat niet zozeer een economische onderklasse vormt, maar een verzameling individuen die spot verdienen omdat ze “weigeren zichzelf te veranderen in iemand waar de markt waarde aan toekent.” [118]   In het neoliberale wereldbeeld is de ondernemer een risicojunkie. Mirowski wijst erop dat dit beeld niets te maken heeft met hoe bedrijven in werkelijkheid opereren – maar het is goed genoeg voor de loonslaaf die ondernemertje wil spelen.

“Salvation through the market comes not from solidarity with any delusional social class or occupational category; but instead bold assertion of individuality through capitulation to a life of risk.” [120]

Hoewel de beloning voor ondernemertje spelen fictief is, is het risico allerminst denkbeeldig. Het ondernemende zelf heeft niemand om de schuld te geven dan zichzelf. Risico en onzekerheid zijn niet meer van elkaar te scheiden: elke onzekerheid is een (desnoods achteraf) te calculeren risico en de markt heeft altijd gelijk. De rol van risico in neoliberale samenlevingen had een directe invloed op de recente crisis: men gokte met spaargeld en leningen op de huizenmarkt – en verloor. Men gokte met credit cards op toekomstige inkomsten – en verloor. Men gokte op een leuke baan met een lening voor een goede opleiding – maar de droom verdween en de studieschuld bleef. Men gokte op een pensioen bij een privaat beleggingsfonds – en zag jaren van sparen verdampen. Fout gekozen, verkeerde risicoinschatting, eigen schuld.  

Alledaags sadisme  

De armen hebben geen pech, zoals liberalen vroeger soms grootmoedig erkenden, maar zijn schuldig. Ze hebben hun menselijk kapitaal onverantwoord verkwanseld. Niet medelijden is het antwoord (en al helemaal niet woede over vermeend onrecht) maar sadistische haat. Twee lokale voorbeelden: kort na een vernietigende aardbeving op Haïti schreef Piet Emmer in de Volkskrant dat het land beter af was geweest als de voorouders van de slachtoffers zich twee eeuwen eerder maar neergelegd hadden bij hun status van slaaf en koloniaal onderdaan. In advertentiekrant Spits schreef Leon Verdonschot een open brief over voedselbanken:

“Beste Linda de Mol,

Ik zag een foto in de Telegraaf van een vrouw die een slipje omhoog hield. Ze was een klant van de Voedselbank. Dat is een plek waar mensen komen die te weinig geld verdienen of te veel uitgeven of allebei. Sommige mensen die wel geld verdienen en er mee om kunnen gaan vinden dat zielig voor die arme mensen en leveren er uit schuldgevoel spullen af. Zoals we vroeger pakketjes voor Polen maakten, voor de Polen hierheen kwamen.

De Voedselbankklanten halen die spullen vervolgens op, blijven zo afhankelijk van anderen en kunnen zich ongestraft tot het einde der tijden slachtoffer voelen. Theodore Dalrymple heeft boeken volgeschreven over dit gedrag. De Voedselbank is een monument van zelfmedelijden. Ik heb ooit een paar dagen in een van de inmiddels vele rondgelopen en het viel me vooral op dat de zieligheid van de klanten nooit werd bevraagd. Ik hoorde een vrouw met vier kinderen klagen dat ze te weinig geld had. Ja. Of teveel kinderen.

Ik hoorde mensen klagen dat ze de komende jaren onder financieel toezicht stonden, en uiteraard was dat allemaal de schuld van de Comfortcard. Alsof die kaart uit zichzelf plasmaschermen koopt.

Jij had mooi ondergoed geschonken aan de Voedselbank. Ook het lompenproletariaat heeft immers recht op sex. Maar die mevrouw in de Telegraaf dacht daar anders over. In plaats van een slipje had ze liever vlees gehad, zei ze, want dat had ze al maanden niet meer gegeten. En ze beklaagde zich over de maat van de slip: m. Wie past daar nou in, vroeg ze zich af. Je zou dat geruststellend kunnen noemen: ze was dus kennelijk niet sterk vermagerd door al die geldnood.

Dat weet iedere ouder, Linda: geef kinderen teveel cadeau en het worden verwende monsters.

Hopelijk heb je je les geleerd. En zo niet, dan weet je wat volgend jaar te schenken: een doos xl onderbroeken, vleeskleurig.”

De open brief omvat de bekende elementen van haat tegen de armen. Ze doen zielig, zijn afhankelijk en overbodig, ze presenteren zich “ongestraft” als slachtoffer, kunnen niet met geld omgaan, leven op kosten van mensen die wel genoeg geld verdienen; ze hebben te veel kinderen, ze zijn als kinderen; ze zijn veeleisend, ondankbaar, vet, smakeloos en (voor we Verdonschot als een monster beschouwen) niet eens echt arm.  

Het zijn niet alleen de rijken die hun haat op de armen botvieren; iedereen kijkt met afschuw en angst naar wie nog slechter af is. Wie nog een baan heeft, haat de werkloze die hij morgen zelf wordt, wie studeert haat de laagbetaalden die niet hun best deden zich aantrekkelijk te maken voor de markt door een marktconforme studie te volgen, enzovoort. Het sadisme krijgt de vorm van spelshows waarin kandidaten vieze dingen doen in de hoop een geldbedrag binnen te slepen en eindelijk eens ‘winnaar’ te zijn. In bekentenisprogramma’s kruipen de losers van de samenleving door het stof in de hoop op absolutie door het publiek, de markt. Sadisme tekent procedures zoals het aanvragen van een uitkering, lening of schuldhulpverlening. De aanvrager moet zijn totale gebrek aan waarde onderkennen om te bewijzen dat hij de hulp verdient. Het is meer dan een bijverschijnsel van een bruut systeem:

Shock jock or shock doctrine, it cannot be written off as merely a surefire expedient to divert attention. To paint it prematurely as a cynical sideshow forecloses the option that everyday sadism […] serves a more targeted purpose, such as teaching techniques optimized to fortify the neoliberal self.” [134]

De pedagogiek van neoliberaal sadisme leert de arme dat hij zich moet schamen om te bedelen of geen huis te hebben en de rest van ons dat we ons moeten schamen om het slechte gedrag van de losers te belonen. Bezuinigingsbeleid en disciplinering van het werkvolk (“je weet dat het goed voor je is, omdat het pijn doet”) zijn een vertaling van alledaags sadisme naar de politiek – wat Michael Perelman omschreef als sado-monetarisme.  

Kopen, kopen, risico en vertrouwen  

Markten voor mensenvlees en -bloed bestaan al: commercieel draagmoederschap, orgaandonatie, plastische chirurgie voor de opwaardering van menselijke grondstof. Maar neoliberalisme is “een permanente revolutie van het zelf”. [153] Ondernemende natuurwetenschappelijke faculteiten breiden de reikwijdte van biopolitiek uit tot in de genetische code. Essentieel voor het voortbestaan in de huidige crisis, aldus Mirowski, is de wijze waarop het neoliberalisme alle aspecten van het bestaan implodeert in het zelf.

[T]he space spanned by your consciousness becomes the perimeter of the ‘economy’, which is no longer about what you may make, but consists exclusively of the stories you tell about yourself. […] If you encounter some difficulty in comfortably inhabiting your own little cubbyhole, there is always someone else who will tell you how to succeed at it, for a modest fee. […] Let them buy cake! If only you, the consumer, would rouse yourself to spend more!” [155]

 In de woorden van de minister-president van Nederland:

“Laten we wél die auto kopen, laten we wél dat huis kopen, we moeten een beetje risico nemen en vertrouwen hebben.”

De experts  

De rest van het boek is gewijd aan neoklassieke economen, die niets geleerd blijken te hebben van de crisis. Boeiend genoeg om door te lezen, maar die ontknoping kan alleen verassend zijn voor wie enig geloof hechtte aan neoklassieke economie. Neoklassieke economie (of simpelweg ‘Economie’, zoals het aan universiteiten heet, want er is er maar één) is een negentiende-eeuwse mythe die de moderne wereld verklaart en legitimeert. Wiskundige symboliek dient om een aura van wetenschappelijkheid te creëren. Net als bij astrologie. En net als bij astrologie is de voorspellende waarde nul. Onderzoek naar de beroepsgroep laat zien dat

  • economen gemiddeld economische ontwikkelingen niet beter voorspellen dan leken, en doorgaans zelfs slechter;
  • economen keerpunten in de economie niet aan zien komen;
  • geen specifieke econoom consistent eruit springt als het gaat om voorspellingen;
  • consensus onder economen over een voorspelling de accuraatheid niet vergroot;
  • de voorspellingkracht van economen niet is toegenomen over de afgelopen decennia. [249]

Mirowski geeft neoklassieken van alle fracties er ongenadig van langs; zelfs gedragseconomen worden niet gespaard. Het is een genot om al die koppen te zien rollen, al is het maar een papieren guillotine. Toch is het aan het eind van het boek alsof er iets ontbreekt.  

Eindtijd shmeindtijd  

Het komt niet vaak voor dat ik een boek drie keer lees. Als dat gebeurt is het ofwel uit verrukking, of om te begrijpen wat ik nou eigenlijk gelezen heb. Mirowski valt helaas in de tweede categorie: belangwekkend genoeg om me er nog eens (en nog eens) aan te wagen, maar te verwarrend of verward om herlezen overbodig te maken. Wat ging er mis?   De ongrijpbaarheid van Mirowski’s werk ligt denk ik in de grenzen van acceptabel debat die de auteur zichzelf oplegt. Het boek is niet bedoeld voor

[r]evenants of the Economic Rapture, who were certain that only complete and utter breakdown of capitalism would pave the way for a transition to the ascendancy of the proletariat.” [15].

Hoewel zijn sarcastische portret van het gilde der economen bijt, ziet Mirowski geen probleem met kapitalisme op zich en het probleem dat hij heeft met neoklassieke economie is dat deze gedegenereerd is tot een ondode staat [23]. Het was voor hem dus niet altijd al levenloos. Hij klaagt: “waar is de John Stewart Mill, de Alfred Marshall, de Paul Samuelson, de Tjalling Koopmans of de David Kreps van de eenentwintigste eeuw?” [25] Ja, waar zijn ze, de echte astrologen?

J.S. Mill zag gekoloniseerde volken als kinderlijke rassen die de Europeanen absolute gehoorzaamheid verschuldigd waren en onder een despotisch regime opgevoed moesten worden voor ze de verantwoordelijkheid van vrijheid aan zouden kunnen. De grote liberale denker bepleitte een huwelijksverbod voor zijn mindervermogende landgenoten. Als The Doctor hem met de Tardis naar deze eeuw kon halen, zou Mill zich prima op zijn plaats voelen aan een kroegtafel met Emmer en Verdonschot.  

Het Neoliberale Gedachtecollectief heeft “de gehele ruimte van het politieke discours opgevuld” dat de economen hebben laten liggen – zo vat Mirowski zijn these samen. [326] Daarmee zoeft Mirowski voorbij vragen over productierelaties en economische machtsverhoudingen naar het schimmenspektakel van intellectuele worstelpartijen. Hoe de Mont Pelerin Society de denkwereld veroverde – daar gaat iets te veel van het boek over.   Niet dat er iets mis is met het in kaart brengen van netwerken die ideeën verspreiden.

Dit is belangrijk werk, zoals Kees van der Pijl laat zien. Maar waar Van der Pijl machtsrelaties registreert, blijft bij Mirowski duister waarom de neoliberale netwerken van denktanks, universitaire faculteiten en astroturfbewegingen het wonnen van… ja, van wat eigenlijk? Heterodoxe economische theorieën? Keynesiaanse common sense? Mirowski noemt enkele slachtoffers van de neoliberale opmars, namelijk “vele eerdere liberale doctrines” die kritiek uitten op monopolies, overdreven intellectuele eigendomswetgeving en de destabiliserende rol van de financiële sector. [51]  

Het zijn de weldenkende, binnen-de-grenzen-van-de-redelijkheid-kritische liberalen van weleer voor wie Mirowski’s boek een monument opricht. En dat was nou werkelijk niet nodig.  

Idealisme 

Never let a serious crisis go to waste presenteert een idealistische visie op de geschiedenis: de wereld van de ideeën gaat vooraf en geeft vorm aan de materiële werkelijkheid. Geen analyse zou de opkomst van de nazi’s beschrijven zonder de dwangmaatregelen, concentratiekampen, de moorden op andersdenkenden, de Wehrmacht. Geen geschiedenis van het stalinisme is compleet zonder de Goelag en de KGB.

Maar in onze liberaaldemocratische wereld gaan we kennelijk al keuvelend ten onder.   Het Neoliberale Gedachtecollectief is belangrijk en wordt prachtig in kaart gebracht in dit boek.

Maar andere methoden speelden en spelen een rol in zijn triomf, naast investering in denktanks. Van infiltratie en beroepsverboden door de BVD en soortgelijke geheime diensten tot de martelkamers van Pinochet en Obama, van massaslachting in Indonesië tot de Amerikaanse genocide in Vietnam, van CIA-frontorganisaties tot globale bewaking door de NSA, van ‘verdwenen’ demonstranten in Mexico tot de politiemoord-du-jour, van uitroeiing van de armen met kogels en bommen in Midden-Amerika tot wereldwijde uitroeiing door honger (30.000 slachtoffers per dag, tien miljoen per jaar, 150 miljoen sinds het begin van de eenentwintigste eeuw), van regimewisseling door invasie tot regimewisseling door astroturfrevolutie, laat zich een heel ander verhaal vertellen over de verspreiding van deze nieuwste incarnatie van de kapitalistische pest over het aardoppervlak.  

Ook het neoliberalisme kwam ter wereld bloed en vuil druipend van top tot teen, uit elke porie.  

De vijand  

Uiteindelijk verdient Never let a serious crisis go to waste het om gewaardeerd te worden op basis van wat het wel biedt en niet op wat ontbreekt. Wat er te halen valt is een exposé over de economen en ideologen die neoliberale ideeën bedachten en verspreidden; een overzicht en kritiek van die ideeën; een analyse van de rol van neoliberale ideeën in het dagelijks leven; en een parade aan neoklassieke economen die met grimmig genoegen op hun nummer gezet worden.  

Rondom deze thema’s cirkelen terzijdes waar heel wat inzichten uit te halen zijn voor de lezer die niet bang is de rode draad af en toe los te laten. Zo wordt Occupy Wall Street verrassend maar overtuigend gepresenteerd als neoliberaal protest tegen het neoliberalisme. Afkeer van sociale en politieke organisatie, voorliefde voor technologieën van het neoliberale zelf (Twitter, Facebook), geloof in spontane orde, verlangen naar zelfexpressie en verwarring over de exacte inhoud van de ideeën van de vijand identificeert Mirowski als de neoliberale rot die de opstand tot een voorbijgaand spektakel reduceerde.

“[W]hen people on the left are roused to action, the first qualm they must confront is that […] most conventional notions of political protest themselves have been transformed and subverted by privatization and commercialization.” [329]

Mirowski helpt ons om de vijand beter te leren kennen, inclusief de vijand die door dagelijkse interactie met een neoliberale common sense in ons zelf huist.

 ----

Never let a serious crisis go to waste

Philip Mirowski

Verso, 2013