In het voorwoord van zijn boek Notre ennemi, le capital (Onze vijand, het kapitaal) wijst de Franse filosoof Jean-Claude Michéa op hetgeen Karl Marx in 1867 in de eerste Duitse uitgave van Das Kapital schreef: ‘Het doel van dit boek is economische bewegingswetten van de moderne maatschappij ontsluieren’. Michéa geeft daarbij met nadruk aan dat Marx de bedoeling had de arbeiders van zijn tijd intellectueel te wapenen tegen nieuwe vormen van knechtschap en vervreemding door een sociaal en economisch systeem dat zelf ook nieuw was. Vervolgens prent Michéa in dat Marx niet een keer – net zomin als de grote andere socialisten en anarchisten trouwens – gedacht heeft zijn politieke strijd in het teken van ‘links’ te voeren.

(Door Thom Holterman, oorspronkelijk verschenen op Libertaire Orde)

In feite heeft Michéa hiermee zijn eerste punt gemaakt: socialisme van de gewone man staat geheel los van wat ‘links’ wordt genoemd. En dan volgen nog 300 pagina’s waarin hij dit punt van verdere argumentatie voorziet en enkele andere punten scoort rond de kwestie ‘links/rechts’ in de politiek en de crisis van ‘links’.

Opzet van het boek

Michéa is geen schrijver die een centrale vraagstelling langs een liniaal uitwerkt. Hij doet dat namelijk in de vorm van een boomstructuur (structure arborescente). In dit geval wordt de top van de boom uitgemaakt door een viertal vragen, voorgelegd door de redactie van de Franse socialistische en ont-groeiingssite Le Comptoir (januari-februari 2016), en de uitgebreide beantwoording van die vragen, alles op die site gepubliceerd. Nadien heeft Michéa deze beantwoording voorzien van vetgedrukte hoofdletters tussen haken, zoals: [A]. Die verwijzen naar nadere uitwerkingen van gemaakte opmerkingen of stellingen. Deze nadere uitwerkingen kunnen weer voorzien zijn van vetgedrukte letters tussen haken en dienen als noten, zoals [a]. Al deze onderdelen laten toe ze afzonderlijk te lezen (afhankelijk waarover de lezer geïnformeerd wil worden). Aldus ontstaat de boomstructuur, die de vorm van de tekst typeert. Is er door deze caleidoscopische opzet ook nog een rode draad te herkennen?

De rode draad laat zich mede afleiden uit de behandeling van verschillende vragen van Le Comptoir. Gelet op de politiek-maatschappelijke discussie is daar de constatering dat politiek ‘links’ failliet is. Er is sprake van een ‘crisis van links’. Zijn er lijnen te ontwikkelen voor een zelfkritiek om deze nederlaag te overwinnen? Voor Michéa ligt het probleem in de manier waarop men naar politiek ‘links’ kijkt. Welke inhoud wordt eraan toegekend? Zelf heeft hij meer op met het socialisme van de gewone man waarover Orwell sprak: ‘een humanitair, populair, beetje anarchistisch socialisme, zonder lidmaatschapskaart noch dogma’s. Gebaseerd, uiteindelijk, op de broederlijke omhelzing, de warme handdruk tussen kameraden’. En laten we niet vergeten, zegt Michéa: Marx, Proudhon, Bakoenin, bij geen van hen is het ooit opgekomen zich ‘man van links’ te noemen! De rode draad in het boek is het antikapitalisme.

Onze vijand, het kapitaal

De titel van het boek is een directe verwijzing naar een uitspraak van de Franse socialist François Hollande, toen nog president-kandidaat. Op 22 januari 2012 hield die een verkiezingstoespraak in ‘Le Bourget’, een zaal in de omgeving van Parijs. Daar sprak hij de woorden: ‘Mijn echte tegenstander, dat is de financiële wereld’. Hij zou de banken hervormen tot dienstverleners en de superrijken confronteren met een inkomstenbelasting (over de top van hun inkomen) van 75 %. Eenmaal gekozen tot president gaf Hollande zich vrijwel meteen gewonnen aan de financiële wereld. Het Franse weekblad Marianne had enkele maanden later al op de cover: ‘Hollande gecapituleerd!’ (15-21 december 2012). Maar die capitulatie had zich al veel eerder voorgedaan. Michéa wijst erop dat Hollande namelijk al in 1985, onder het pseudoniem Jean-François Trans – met medewerking onder meer van Jean-Yves Le Drian (nu, onder Macron, minister van Buitenlandse zaken) – een ‘links liberaal’ manifest publiceerde. Dat draagt als titel La gauche bouge (Links beweegt) en kent bijvoorbeeld een hoofdstuk getiteld ‘Concurrentie is links’. Kortom, zegt Michéa, hoe kon iemand zelfs voor een ogenblik Hollande’s toespraak in Le Bourget serieus nemen.

Links/rechtsjean claude michea1

Zoals iedereen weet, hebben de politieke termen links/rechts een wisselende inhoud. Overlevering leert dat ze begin Franse Revolutie zijn ontstaan als ruimtelijke aanduidingen, door koppeling aan de indeling van de volksvertegenwoordigers in de vergaderzaal van de Franse Staten-Generaal. Rechts van de voorzitter zaten de voorstanders van de traditie van het Ancien Régime (de ‘reactionairen’, monarchistisch ingestelden, de ‘klerikalen’, kerkelijke leiders). Links van de voorzitter hadden zich de tegenstanders ervan verzameld, de wereldlijke liberalen, die de traditionele orde wilden doorbreken.

Socialisten hadden niets met dit stelsel en het wekt dus geen verwondering dat Michéa al vanaf het begin van zijn tekst opmerkt, dat de vroege socialisten en anarchisten niet onder de term ‘links’ hun antikapitalistische propaganda voerden en hun verzet tegen het kapitalisme manifesteerden. Michéa kan dus bij herhaling aangeven dat het ‘links’ was, dat socialistische verzet in bloed deed smoren.

Dat begon met het neerslaan van de Parijse Commune van 1871 door Adolphe Thiers (1797-1877), die nu gemeenlijk als een reactionaire conservatief wordt beschreven, maar Michéa wijst erop dat men daarbij moet beseffen, dat hij in die tijd een van de voornaamste leiders was van…liberaal links. Als Michéa in een volgende tijdsperiode over de scherpzinnige marxiste Rosa Luxemburg schrijft, citeert hij haar: ‘…wij, anderen in Duitsland, hadden nog niet de slechte gewoonte ‘radicaal extreemlinks’ te verwarren met sociaaldemocratie’. Het is vervolgens in opdracht van de dan heersende Duitse ‘linkse’ regering dat mensen als Rosa Luxemburg, Karl Liebknecht, Gustav Landauer in 1919 worden vermoord, helpt Michéa te herinneren.

Sociaaldemocraten, ‘links’ dus, hebben keurig (want parlementair) in juli 1940 maarschalk Pétain volle politieke macht bezorgd (de Assemblée was in het merendeel samengesteld uit socialistisch links en de radicale partij). En hoewel Hitler, zo vult Michéa het rijtje aan, nooit direct door het Duitse volk is gekozen (in maart 1933 kreeg zijn nazipartij 43,9% van de stemmen), werd hij wel door de Duitse rijkspresident Hinderburg – de kandidaat die Duits links had gesteund – tot rijkskanselier aangesteld. En laten we daarover klaar zijn: nooit is zelfs een liberale staatsgreep uit te sluiten, aldus Michéa. Daarvoor is de coup die Augusto Pinochet in Chili in september 1973 pleegde een te duidelijk voorbeeld. Het is een staatsgreep waarvoor een aantal jaren later Friedrich von Hayek de filosofische rechtvaardiging verschafte in een artikel verschenen in Mercurio van 12 april 1981. Met Hayek hebben we van doen met een van de grondleggers van het neoliberalisme: ‘a self-serving racket’.

Het regeringsverantwoordelijkheid dragende politieke links dat we heden ten dage kennen, is bezwangerd door het neoliberalisme. De geest van het kapitalisme waart er in rond. Het antikapitalisme, het socialisme van gewone mensen blijkt een kwestie van een heel andere orde dan de kwestie links/rechts in de politiek. Daarover het volgende ten behoeve van de herkenning van de rode draad.

Het links-liberale pad

In de jaren 1980 is door de Franse socialisten de huid verkocht aan het neoliberalisme, zo vertolkt Michéa (overigens, wie de Nederlandse situatie in ogenschouw neemt, komt een parallelle geschiedenis tegen wanneer men de ontwikkelingen binnen PvdA verband bekijkt). Eind 19de eeuw trof je nog in de gedachte van ‘links’ het socialistisch ideaal aan, maar meer en meer werd dat verdrongen door no-nonsens opvattingen, door de privilegering van verschijnselen als ‘groei’ en ‘vooruitgang’. Deze privilegering ging, aldus Michéa, ten koste van de volksklassen. Dit loopt uit op het morele, politieke en intellectuele failliet van ‘modern links’.

De socialistische president François Mitterrand (1916-1996) markeert dit punt, al was het maar met zijn goedkeuring om het actieschip van Greenpeace, de Rainbow Warrior, door de Franse geheime dienst tot zinken te laten brengen (in 1985). Overigens had diezelfde Mitterrand zich tijdens de Duitse bezetting van Frankrijk een tijdje laten betalen door de collaborerende Vichy-regering van Pétain…

Frans ‘Links’ heeft zich door het optreden van Mitterrand bevrijd van de socialistische hypotheek. Het is diep getreden in het links-liberale pad, een pad dat ook de liberale ideologie van de rechten van de mens kent om de aanwezige knechtingspotentie van de staat (welke rechten als het nodig is terzijde geplaatst kunnen worden, vergelijk Pinochet/Hayek) in die ideologie te temperen. En ja, de mensenrechten ideologie erkent de klacht tegen racisme, seksisme of homofobie, maar neen, nooit erkent ze de klacht tegen afpersing van meerwaarde (de klacht die te herkennen is in de leus van Proudhon uit 1840: Eigendom is diefstal!)

Een socialist heeft niets bij links te zoeken. Socialisme staat als ideologische entiteit op zichzelf. Bij Michéa krijgt die een libertaire uitwerking, die hij vanuit de bipolaire benadering liberale en libertaire antropologie een gezicht geeft. Ik zal dit binnenkort aan de hand van de vertaling van een aantal pagina’s uit zijn boek nader toelichten. Daarom stap ik nu over naar een ander element in die polaire benadering die bij Michéa aan de orde is en die zijn rode draad in beeld brengt.

Twee niveaus

In de 19de eeuw ontwikkelen zich twee niveaus van denken als het om socialisme gaat. Het ene niveau richt zich op het leveren van kritiek op de nieuwe sociale en economische orde die in Europa komt opzetten in het boegwater van de industriële revolutie. Hier treft men de radicale kritiek op het kapitalisme. Ten gronde bestaat daarover tussen de verschillende socialistische ‘scholen’ geen verschil van mening. Wat allen in de praktijk zien is de opkomst van een nieuwe aristocratie gekoppeld aan nieuwe vormen van onderschikking en vervreemding. Marx’s inzichten in Das Kapital werden, ruwweg genomen, gedeeld.

Het tweede niveau van denken betreft de positieve beschrijving van de ideale maatschappij, die vroeg of laat, de kapitalistische zal opvolgen. Hier zijn verschillen van meningen te ontdekken wat de postkapitalistische maatschappij betreft. Globaal genomen zijn twee wegen aan te treffen, of ook wel twee ‘tradities’, die van Marx en Proudhon. Aan hun inzichten omtrent socialisme ontleend, is er een autoritaire pool te ontwaren (Michéa: puur, ascetisch, Lenin) en een libertaire pool (Michéa: gevoelig, open, plezier, Lafargue, Camus). Michéa spreekt ook over ‘socialisme van hoog’ en ‘socialisme van laag’. In de autoritaire pool past het socialisme van hoog. Het is de verwijzing naar de rationele, socialistische maatschappij waarin planificatie de maatschappij tot één werkplaats maakt met één bureau (de bureaucratie). Lenin omarmt in deze context niet voor niets de in de kapitalistische maatschappij ontwikkelde ‘taylorisatie’ van de arbeid (Taylorisme; F.W. Taylor, 1856-1915, Amerikaanse ingenieur). Het past precies in het ideaal van Lenin en Trotsky van de proletarische staat, merkt Michéa op.

Maar let op: het liberale denken verwerpt planificatie…ja, als het om de vrije onderneming gaat. Maar binnen die vrije onderneming heerst planning tot in het geringste element. De Amerikaanse automagnaat Henry Ford (1863-1947), die voor de productie van zijn T-Fordjes het taylorstelsel (de lopende band) in zijn fabriek toepaste, huldigde tegelijk denkbeelden die maakte, dat hij vanwege zijn steun eerst aan de nazipartij en later aan de nazi-regering zich kon laten decoreren met het Groot-Kruis van de Duitse Adelaar… Kapitalisme, fascisme en liberalisme liggen minder uit elkaar dan men in een naïeve bui zou denken.

Michéa heeft het ook over socialisme van laag. Hij verwijst daarbij naar Pierre Leroux (1797-1871). Die muntte het woord socialisme als tegendeel van individualisme. Al vanaf 1834 betreurt Leroux het, zo beschrijft Michéa, dat een bepaalde tendens binnen het socialisme zich tot een nieuw pausdom ontwikkelt, waarin het individu een beambte is en waarbij een doctrine door een Inquisitie als geloof in het spoor wordt gehouden. Daarom zet Leroux in op het antiautoritaire socialisme. In elk maatschappelijke periode ziet men daar weer in hernieuwde verpakking een terugkeer van.

Totalitaire barbarij of liberaal kapitalisme?

Het instorten van het ‘reëel bestaande socialisme’, van de ‘sovjet mythe’ raakt aldus Michéa het socialisme van laag niet. Het is dus na de van de Berlijnse Muur (1989) niet ‘totalitaire barbarij’ of ‘liberaal kapitalisme’. Het wordt dan ook tijd het overerfde werk van Proudhon te (her)lezen en het antiautoritaire socialisme te herontdekken.

Dat Michéa zich overigens niet exclusief op anarchistische auteurs verlaat, blijkt wel uit zijn herhaaldelijk teruggrijpen op inzichten van de marxistische Rosa Luxemburg (niet alleen voor haar lucide kritiek op Lenin en de Duitse sociaaldemocratie, maar ook voor haar pleidooi voor gemeentesocialisme en lokale autonomie) en natuurlijk op de politieke geschriften van George Orwell. Michéa verwijst verder bijvoorbeeld ook op de praktijk van de Mexicaanse zapatisten. In tegenstelling tot het bekende slogan van ‘There is no alternative’ (Thatcher) kan worden volgehouden: er is een alternatief te herontdekken. Dat loopt als een rode draad door het boek. Het is een getwijnde draad. Want ook door het boek loopt, dat het kapitalisme onze vijand is en dat ‘links’, door zijn ingroei in het neoliberalisme (links-liberaal), zijn betekenis voor het socialisme verloren heeft.

Thom Holterman

MICHÉA, Jean-Claude, Notre ennemi, le capital, Éditions Flammarion, Paris, 2017, 316 blz., prijs, 19 euro.