“Iedere bom die wordt afgeworpen en elke kogel die wordt afgevuurd moet ergens gemaakt worden en waar dat ook is, dat kan bestreden worden.” Leuze gebruikt door actiegroep Smash EDO en Campaign Against Arms trade, zie p. 50. Chris Rossdale’s Resisting Militarism: Direct Action and the Politics of Subversion (Edinburgh, 2019) heeft een aantrekkelijke titel voor iemand die zoals ik 35 jaar geleden begon als vredesactivist binnen de zogenaamde radicale tak (gericht op directe actie) van in de jaren tachtig omvangrijke beweging. Het boek gaat wel over de actiebeweging in Engeland tegen wapenexporten en oorlog deze eeuw (en die is veel groter dan hier).

(Door Martin Broek)

Resisting militarism haalt veel acties tegen wapenexport aan. Het begint zelfs met een actie die ik me nog goed herinner, die waar vier vrouwen met hamers gevechtsvliegtuigen voor Indonesië kapot sloegen (Seeds of Hope). Het is fijn om te lezen het stimuleert en motiveert. Er zijn acties in soorten en maten. Mij vallen acties uit de oude doos op van Spies for Peace. In de jaren zestig ontvreemden zij militaire geheimen die ze vervolgens via hun netwerk publiceerden. Het doet denken aan de Onkruit acties in Nederland van begin jaren tachtig (en Onkruit Vergaat Niet van de jaren negentig), dat o.a. Bunkerbuit uitgaf, een lijvige brochure die de oorlogsvoorbereiding tijdens de Koude Oorlog binnen de NAVO blootlegde.

Daden

Rossdale, voorstander van actie van de daad boven die van het woord, kijkt met een kritische blik naar de acties. Hoe zijn ze georganiseerd? Wie doen er aan mee? Welke verhalen versterken ze (positief en negatief)? Hij is een voorstander van het verenigen van de aard en het doel van de acties en meet daaraan veelal de waarde van de acties af. Burgerlijk ongehoorzaam is bijvoorbeeld een idee dat uitgaat van gangbare normen, waarden en wetten. Hiermee bestaat het risico dat gehoorzaamheid juist gaat prevaleren boven verzet. Soms lijkt het alsof hij op een hoge kansel gaat staan om zijn strenge boodschap uit te storten. Maar zijn visie zorgt er ook voor dat je scherper gaat kijken. Hij stelt dat directe actie meteen impact heeft. Toch zijn er voldoende acties (zowel van woord als daad) die nauwelijks een rimpel veroorzaakten of indirecte acties die meteen succes hadden. De schrijver is niettemin nogal absoluut in zijn stelling, maar voor wie goed leest staat er ook voor ieder standpunt wel een – soms hele kleine – nuance. Dat geldt ook directe actie, “ die niet noodzakelijkerwijs superieur is aan andere tactiek.” uitzending op TV of een inbreng naar politiek Londen of Den Haag evenveel betekenen. Het organiseren van tegenstand en eigen mechanismen komt niet alleen door directe actie tot stand.

Dwingen

Als wetenschapper en schrijver is hij een pleitbezorger van directe actie omdat deze de normale politieke participatie op zijn kop zet en de mogelijkheden voor gewone mensen om politiek actief te zijn vergroot en versterkt. Motivatie om voor directe actie te kiezen zijn: de weigerachtige instituties dwingen, als de overheid (Staat wordt vaak gebruikt waar overheid lijkt te worden bedoeld) niet wil luisteren; en als netwerken van tegenstanders zo dominant zijn dat andere actie wegen zijn afgesloten. Bovendien is het een middel dat een toekomstvisie in de praktijk kan brengen. Hij wijst tegelijk ook op het gevaar dat het heldenstatus kan bevorderen en betrokkenheid makkelijker is voor personen met een privilege dan voor hen die het zonder moeten stellen. Een vluchteling zonder status kan bijvoorbeeld moeilijk deelnemen aan een actie met arrestatie risico.

Machteloos

Acties maken het mogelijk om dicht bij huis grote zaken aan te pakken. Overal is wel een militair object (dat is ook in Nederland zo) en actievoeren, maakt dat je je minder machteloos voelt. Actie voeren op een manier waarbij experimenten niet geschuwd worden, is een manier om tegenstellingen binnen de antimilitaristische actiebeweging bloot te leggen en het leidt inzicht hoe militarisme werkt. Terwijl ik het lees zie ik me in juli 1988 nog bovenop de communicatietoren bij de kernwapenbasis van Havelte staan (zie illustratie). We ontweken de gewapende Amerikaanse militairen, klommen naar boven en hadden een prachtig uitzicht over het Drentse landschap. Op de reling bovenop die toren schreef ik zeker meer dan 10 varianten op “militarisme = ....” Het was mijn tot dan toe vergaarde inzicht (waarvan ik veel ook in dit boek tegen kom). De actie leidde tot krantenberichten en een proces bij de rechter in Assen. De straf was ƒ 500 boete of vijf dagen gevangenisstraf. Hij versterkte de band tussen de deelnemers. Toch werd die vervolgens door intriges van de mol Joop uit Tiel voor een deel ook afgebroken. Iets wat me misschien nog wel meer inzicht bracht in de werking van militarisme en Staat dan de acties. Joop had een oneindige loopbaan als informant en doet denken aan de in dit boek genoemde Martin Hodgebin (collega van Adrian le Chene/Franks en zijn moeder Evelyn le Chene). Martin wordt zelfs genoemd in het register van dit boek.

Definitie

Rossdale vat militarisme samen als 'de sociale en internationale relaties bedoeld voor de voorbereiding voor en uitvoering van georganiseerd politiek geweld'. Zonder vaak terug te vallen op een definitie ben ik zelf altijd uitgegaan van iets in de trend van 'het kiezen van georganiseerd geweld als oplossing voor het verdedigen of versterken van sociaal economische belangen, hetzij op nationaal als op internationaal vlak; ook als andere mogelijkheden nog niet benut zijn.' Hiermee neem ik een positie in die minder omvat. De schrijver noemt ook definities van anderen, zoals deze van Brian Maybe: 'militarisme is de aanname die bepaalde inzet van veiligheids- of militaire inzet rechtvaardigt en een speciale samenstelling van maatschappelijke krachten om de militairen heen en geïnstitutionaliseerde militaire macht'. Ook dit is weer een vergaande definitie. Een militair apparaat ingebed in een controlerende institutionele omgeving – en waar inzet van militairen proportioneel, op grond van een internationaal mandaat, en als laatste niet te vermijden keuze wordt ingezet zou ik niet als militarisme beschouwen. Je kan het niet met de militaire politiek of inrichting van de samenleving eens zijn, maar militarisme is een uitwas.

Netwerk

Als Rossdale de betrokken instituties beschrijft als een sociaaleconomisch netwerk dan volg ik hem weer wel. Hij stelt dat dit netwerk organisaties omvat zoals de militairen, ministeries (hij noemt vooral Defensie, Buitenlandse Zaken, Handel en Ontwikkeling, maar daar zouden wat mij betreft Binnenlandse Zaken en Economie ook bij horen) de militaire industrie, grensbewakingsorganisaties, politie, en privé veiligheidsorganisaties. De inlichtingendiensten worden hier niet genoemd, evenmin als grote bedrijven wiens belangen worden verdedigd door de militaire inzet (of soms geschaad worden, want het hier genoemde netwerk is geen eenheid met waar alle partijen dezelfde belangen hebben, maar wel waar ze afgewogen worden). Met acties kan je de werking van dit netwerk blootleggen. Campagnes tegen militair onderzoek op Universiteiten zetten bijvoorbeeld een deel van dat netwerk in de schijnwerpers. Dat knaagt op zijn beste aan de samenhang van het netwerk dat op verrassende plekken aanwezig blijkt (Extinction Rebellion in Nederland bijvoorbeeld ziet militairen als bondgenoot).

Diffuus

Rossdale gaat nog verder om het begrip te verbreden naar georganiseerd politiek geweld dat vrijwel overal in de maatschappij te vinden is, een opvallend quotidian proces, schrijft hij met een woord dat veel – ook Engelstalige – mensen niet zullen gebruiken, omdat er voldoende synoniemen zijn die wel gangbaar zijn, zoals daily/dagelijks. Als ik Rossdale zou volgen in zijn brede uitleg dan moet ik dit zien als het geweld van de hoger opgeleide ten opzichte van de lager opgeleide. Met acties grote zaken dichtbij brengen en de mensen in de nabijheid met woorden weer afstoten. Maar los daarvan lijkt me dit een te wazig begrip van militarisme.

Wel zorgen zijn opmerkingen ervoor dat ik de voetbalcommentators die een felle wedstrijd (een spelletje) oorlog noemen en andere oorlogsmetaforen gebruiken kan indelen onder 'banaal militarisme'. Een oorlog is een georganiseerde gewapende strijd met minimaal 1.000 doden in een jaar en geen spelletje. Oorlog te pas en vooral te onpas gebruiken, neemt de scherpte ervan niet serieus of zelfs weg van deze door mensen veroorzaakte ramp. Rossdale noemt de rode klaproos die in november alom vertegenwoordigd is in het Britse openbare leven en het militarisme ondersteunt (er is ook een alternatieve witte klaproos) als vorm van banaal militarisme. In dit kader komt hij ook met een volgende definitie van militarisme:

Neerbuigend

“het is meer en soms ook minder dan de liefde voor oorlog. Het bestrijkt ieder denkraam en waardering in samenhangende gevoelens die militaire instituties en en methoden boven burgerleven plaatsen, en zo de militaire denkwijze en methoden van handelen en beslissen in de burger samenleving brengen.” (Vagts, A history of militarism, 1959)

'Liefde voor', is een sneer, verder is het is een definitie waar je veel kanten mee opkan. Je kan het militaire bedrijf en zijn netwerk hier voorop plaatsen of de genoemde volgende processen, de wijze waarop inzet wordt georganiseerd. Rossdale gaat voor dat tweede en haalt meer mensen aan om zijn visie te onderbouwen, zoals deze dat “militarisme niet alleen oorlog is. Het is een sociale hiërarchie van opdrachtgevers en opdrachtontvangers. Het is gehoorzaamheid, dominantie en onderdanigheid. Het is de capaciteit om andere als abstracties te zien (…).” Dit brengt nieuwe onderwerpen het militarisme binnen, zoals 'ras', gender, privilege, natie, en politiek-economische omgeving. Rossdale staat vooral bij de eerste drie uitvoerig stil en gebruikt de term gemilitariseerde gender rangorde. Dat een conservatieve en neerbuigende visie op de rol van de vrouw wordt gebruikt in het legitimeren van militarisme, betekent niet dat militarisme seksisme is (zoals ik daar in Havelterberg nog wel op die reling schreef). Militarisme maakt gebruik van racisme, seksisme, klasse onderscheid en een breed spectrum sociaal onderscheid om zijn doelen te bereiken en heeft deze vaak zelfs nodig. Het is onmogelijk oorlog te voeren met soms enorme aantallen burgerslachtoffers als er geen meerderwaardigheidsgevoel zou spelen waardoor dit tot bijkomende schade kan worden bestempelt. Maar dat betekent niet dat racisme en seksisme daarmee militarisme zijn. Zelfs feminisme kan gebruikt worden om militair machtsvertoon te legitimeren, zoals daar waar de geïdealiseerde, vrije, witte Westerse vrouw als symbool wordt afgezet tegenover de onderdrukte vrouw in de Derde Wereld die eigen ontwikkelingsmogelijkheden ontbeert. Een redeneertrend die ook met mensenrechten en ontwikkelingsvraagstukken kan worden toegepast. Maar het oprekken van de definitie doet geen recht aan de onderscheiden mechanismen.

Pinkwashing

Wat de voorbeelden duidelijk maken is dat het tegengeluid, het antimilitarisme niet zonder antiracisme, feminisme en strijd tegen neokolonialisme kan. Overigens trekt hij de feministische kritiek door naar de antimilitaristische beweging die ook niet gevrijwaard is van onderdrukkende mechanismen en seksisme. De bekende omgangsvormen discussie. “Kijk naar mij dikke penis met wapenhandel kennis,” komt als uitspraak uit een interview dat hij houdt (overigens dubbel, zonder kennis geen actie, maar kennis om anderen te domineren doet vaak – mijn voorbehoud – meer kwaad dan goed).

De wapenindustrie en krijgsmacht komen ook via een achterdeur de actie beweging binnen als ze op praalwagens staan tijdens de Gay Pride optochten. Zo nam British Aerospace (BAe) deel aan die in Londen. Een vorm van roze kleuren (pinkwashing) stelt Rossdale. Hij heeft dan wel weer moeite met de argumentatie dat BAe hypocriet is, omdat ze leveren aan landen die homo's en hun rechten schenden. Hiermee maak je gebruikt van het argument dat de ander minder geciviliseerd is en riskeer je het Westerse liberale militarisme en het argument wie wel en wie geen wapens mogen ontvangen te versterken. Het lijkt mij vooral van belang in welke bedding dit hypocrisie argument ligt of hoeveel ruimte er is om hierover te debatteren.

Klasse

Het is wel opvallend dat identiteiten als gender, kleur, seksuele voorkeur, worden genoemd, maar klasse niet tot nauwelijks aan de orde komt. Militairen kunnen binnenlands ingezet worden, dat beseft Rossdale ook. Dat geldt grote actiebewegingen, maar ook in verzet komende arbeiders. Waar speelt de vakbond, de onderklasse een rol in zijn verhaal? Eigenlijk nergens. Sociaaleconomische vraagstukken aan de orde stellen zonder naar klasse verhoudingen te kijken is gewoon aan het worden, maar is dat niet. Bovendien betekent het je hiermee bezig houden, dat je ook stilstaat bij wat jouw verhaal betekent voor arbeiders en hoe je dat verhaal brengt. Antimilitarisme is ook de strijd tegen de onderdrukkende heersende klasse. Ook hier komt privilege om de hoek kijken.

Veiligheid

Niet altijd kan ik de schrijver volgen. Hij stelt dat de afgelopen decennia steeds meer aspecten onder het begrip veiligheid (security) zijn gaan vallen. Het is een constatering die ik deel. De Nederlandse lobby organisatie voor de militaire industrie Nederlandse Industrie voor Defensie en Veiligheid (NIDV) heeft bijvoorbeeld – om meerdere redenen – zijn naam veranderd en daarin naast Defensie ook Veiligheid opgenomen. In het Nederlands is veiligheid een begrip met verschillende betekenissen. Veiligheid door controle van mensen en migratiestromen, repressie, het monitoren en controleren van actiegroepen, het bestrijden van georganiseerde criminaliteit; maar ook voedselveiligheid, verkeersveiligheid, klimaatveiligheid en menselijke veiligheid (human security), een idee waarin een heel scala aan voor veiligheid noodzakelijke voorzieningen en middelen wordt uitgewerkt. In mijn beleving is de politie een bijzondere organisatie. Ze is belast met organisatie van verkeer, het bestrijden van criminaliteit en overlast, maar ook met repressie van politieke protest, ze is deel van de Staat en samenleving. Het is de organisatie die beide kanten van veiligheid beheerst. Het is me te gemakkelijk hier overheen te stappen, omdat ze ook activisten tegenhouden die met goede redenen een militair bedrijf willen blokkeren.

Staatsveiligheid

In dit boek lijkt veiligheid alleen te gaan over een rechtse notie van het begrip dat wordt ingezet om militaire invloed te vergroten. Sterker nog de schrijver neemt afstand van alternatieve visies op veiligheid en gaat voor fundamenteel verzet tegen de politiek en de ideeën achter veiligheid, aangezien daardoor de ideeën achter het militarisme krachtiger kunnen worden bestreden. Het komt er op neer dat veiligheid vooral een concept is dat verbonden is met de staat en die heeft niet in eerste plaats de belangen van de burgers in het oog. Veiligheidsconcepten leiden af van het ontwikkelen van een eigen praktijk die ingaat tegen de Staat. Ik mis hier een onderscheid tussen Staat en overheid. Rossdale is niet uitgesproken over zijn politieke uitgangspunten, maar komt over als een radicale min-of-meer geweldloze anarchistische vredesactivist waarbij geen woorden maar daden uitgangspunt zijn en hij is tevens wetenschapper geworteld in de 21e eeuw. Je leest zijn deelname aan acties niet alleen direct door zijn verhalen, maar ook door zijn ingedaalde verstand en gevoel van zaken en omgangsvormen in de actiebeweging. De voorgaande typering maak ik echter, omdat het voor mij zijn denken kadert. Als je de instituties van de trias politica allen tot deel van de bourgeois samenleving rekent en afserveert dan sta je in een herkenbaar paar schoenen, maar wel schoenen die maar weinigen passen. Samen activoeren tegen het newerk dat de belangen van 'de Staat' behartigt, daarin kan ik meegaan. Juist die verweven instituties zijn immers wezenlijk in een discussie over militarisme en antimilitarisme. Die Staat is geen eenheid, kent zijn eigen interne tegenstellingen en dynamiek, maar is wel het weigerachtige netwerk dat met acties ontspoort of op een ander spoor gebracht kan worden. Veiligheid als uitsluitend een Staatsconcept zien, doet geen recht aan de burger die veiligheid nodig wenst én nodig heeft. Of dat nu een dak boven zijn hoofd is, goede gezondheidszorg of een inkomen, de afwezigheid van onderdrukking etc.

Privilege

Vanuit die visie kan logischerwijs de politie geen goed doen. Met instemming verhaalt de schrijver dat de politie tijdens een actie tegen de Wapenbeurs DSEI in Londen voorstelde om een partijtje voetbal te spelen tijdens een rustige periode, maar een keihard nee op het verzoek kreeg. De politie is er immers alleen op uit om antimilitaristische actie te ondermijnen. Elders in het boek wordt gesteld dat tegen geweld zijn een geprivilegieerde positie uitstraalt, wie zijn wij om te bepalen dat mensen elders, in heel andere omstandigheden zich zouden moeten houden aan pacifistische methoden. Toen een Iraanse vriend me bezocht in de gevangenis vertelde hij me dat hij alles aangreep om contact te maken met de ondervrager om zo zo min mogelijk prijs te hoeven geven. Hij koos om tactische redenen voor contact, simpelweg de onderdrukker afwijzen is Westers privilege, wat elders tot gevaar kan leiden. Tijdens een van mijn eerste acties, maakte iemand in een blokkade contact met de politie om er voor te zorgen dat ze zachtzinnig zou worden afgevoerd. Zo kon ze haar angst de baas. Juist door zo radicaal privilege af te wijzen, maak je gebruik van die bevoorrechte positie.

Gewelddiscussie

Geen antimilitarisme zonder gewelddiscussie die actieveorders bindt en verdeeld. In Resisting militarism is het een belangrijk thema, juist om het onbelangrijker te maken. Die verdeling zou niet nodig zijn op dit vlak, aldus Rossdale. Maar ik merk dat ik zelf moeite heb met zijn visie op geweld, gewelddadige groepen als het zwarte blok. Kritiek op dit blok pareert hij met de visie dat de kritiek op de gevaarlijke buitenstaander een klassieker in de verhalen van de Staat en waarmee het zijn machtsontplooiing onderbouwt. Al in 1986 – net begonnen – zag ik het Zwarte Blok in de praktijk. Op een dijk achter een kerncentrale vochten ze een nacht lang een veldslag uit met de Mobiele Eenheid. De eerste slag was aan hen, maar uiteindelijk zouden ze de volgende verliezen, geheel als verwacht. Iemand in de actiegroep waar ik actief was noemde het inspirerend, een opstapje naar een revolutie. Maar het actiekamp bij de kerncentrale zou niet langer kunnen bestaan en maanden voorbereiding vielen in het water. Een slag die je niet kan winnen moet je alleen al om pragmatische redenen niet vechten en de activiteiten van anderen in gevaar brengen moet je niet willen. Zo zijn er wel meer voorbeelden te vinden. Een matpartij met de ME organiseren doe je maar op je eigen moment in zelf gecreëerde ruimte. In het Britse antimilitaristische Netwerk (AMN) konden ze over het al-dan-niet afwijzen van geweld geen overeenstemming bereiken, maar wel een modus vinden waarop samenwerking mogelijk was. Verschillen in tactiek werden geaccepteerd en respect voor het leven werd geformuleerd als principe. Wrijving bleef, maar samenwerking tussen uiteenlopende groepen werd mogelijk.

ATT

In het voorlaatste hoofdstuk gaat Rossdale uitvoerig in op het VN Wapenhandelsverdrag (ATT) en dat dit veel energie heeft weg op gesoupeerd: “tien jaar van gecoördineerde NGO inzet.” Hij is er geen voorstander van en noemt daarvoor een serie redenen. De belangrijkste is dat het verdrag verzoekt wapenhandel te stoppen en daarbij uitgaat van haalbare wensen. Hierdoor komt vooral een verbod op wapenhandel met verkeerde regimes naar voren. Verhaallijnen hebben altijd ook een betekenis die verdergaat dan wat direct wordt bedoeld en zijn niet eenduidig, zo waarschuwt hij. Door zo'n eis of verzoek maak je ruimte voor wapenhandel met goede regimes stelt hij. Die 'verkeerde regimes' of repressieve regimes benadering is opgekomen met de Arabische lente en heeft daarmee de weg geplaveid voor een liberale wapenhandel.

Geschiedenis

De start van de veranderende visie op wapenexportcontrole licht eerder. Het is niet de opkomst van de ATT en Arabische lente geweest, maar de de groeiende invloed van de mensenrechten en ontwikkelings-NGO's op dit gebied die de link wapenhandel en vrede – laat staan antimilitarisme – naar het tweede plan heeft verdreven. De Golfoorlog tussen Iran en Irak van 1980-1988 had aangetoond dat controle op wapenexporten in Europa zwak was. Beide werden van de wapens voorzien om elkaar af te maken en dat moest stoppen, zo was het gevoel in de volgende jaren en dit versterkte de roep om wapenexportcontrole. In de jaren negentig kwamen drie stromingen op om de wapenhandel te bestrijden cq. controleren: een landen benadering (Turkije, Indonesië), een verbod op typen wapens (in navolgen van anti-persoonslandmijnen, vooral de clusterwapens), en het instellen van controle regimes (zoals de Europese gedragscode wapenexportbeleid die weinig toevoegde aan wat veel landen nationaal al hadden). De grote NGO's as Amnesty International en Oxfam maakten hiervan hun werkterrein en waar de vredes- en antimilitaristische beweging lange tijd de kar had getrokken, met oog voor oorlog en vrede, verschoof niet alleen het karakter van de inzet, maar ook de inhoud van de antiwapenhandel beweging. De export controle regimes werden in de aanpak het belangrijkste.

Samen

Wapenhandel is geen handel in de normale zin van het woord. Alle export van militaire goederen gebeuren voor het overgrote deel met toestemming van overheden. Wapenexportcontroleregimes bestaan in veel landen al vele decennia. Wapenexporten die de positie van de producerende (industrie in) de Staat aantasten zullen geen toestemming krijgen, leveranties die deze versterken wel en aangezien de richtlijnen bewust multi-interpretabel zijn gehouden is er ook altijd wel een uitweg te vinden voor een levering aan een land waaraan je beter niet zou leveren. Wapenhandel is minder goed gecontroleerd dan de export van WC-papier, maar wel onderdeel van de economische en buitenlandse politiek van landen. Wapenexportcontrole die meer wil dan de uitwassen beperken zal dan ook niet geaccepteerd worden. Koren op de molen van anarchistische kritiek, maar je kan ook stellen dat om leveringen tegen te houden en brede kritiek nodig is om leveringen te problematiseren en tegen te houden. Voor- en tegenstanders van inzet voor nieuwe wapenexport beheersingsrichtlijnen kunnen elkaar hier vaak – maar niet altijd – vinden.

Zielige zeehondjes

Dat je wel tegen de levering van clusterwapens bent, maar niet tegen de levering van conventionele bommen is cynisch. Voor wie die 500-ponder op zijn huis krijgt, maakt het weinig uit waardoor hij of zij getroffen wordt. Of waarom niet tegen de levering van satellieten zijn, waarmee de vliegtuigen navigeren, hun informatie van krijgen en die cruciaal zijn in moderne oorlogen en het afvuren van projectielen? Het is het is de zielige zeehondjes benadering, die het communicatieve en haalbare tot in extremis heeft doorgetrokken. (Ook de antipersoonsmijnen zijn al vervangen door zichzelf uitschakelende antipersoonshindernissen, die door de toegepaste technologie duur zijn en niet bereikbaar voor landen met een geringer defensie budget.)

Het verkeerde regimes argument hoeft overigens niet niet het liberale Westerse model in stand te houden, zoals de schrijver stelt. Wapenhandel heeft twee kanten, dat van de leverancier die om economische en machtspolitieke reden wapens levert en dat van de ontvanger die inzet. Het is dus een middel om ook de eigen machtsbolwerken aan de orde te stellen.

Solidair

Er is weinig mis met het belemmeren van wapenleveranties aan landen, die op welke manier dan ook een bedreiging zijn voor de vrede, mensen, ontwikkeling in eigen land of regio. Dat vindt Rossdale ook. Het gaat daarbij ook nog eens niet ten koste van de behoefte van de bevolking. Bovendien is het kritiseren in daad of woord van leveringen aan Riyad, Ankara, Caïro, Jeruzalem of Mexico ook een methode om solidair te zijn met groepen daar en te laten zien dat onder het motto vrede en veiligheid, zeer autoritaire en gewelddadige bondgenoten van het Westen worden gesteund. Het is juist ook een methode om aan te tonen dat Europese landen - met alle mooie woorden - boter op hun hoofd hebben.

Leveringen aan bondgenoten binnen de NAVO moeten ook aan de orde gesteld worden. Nederlandse gevechtsvliegtuigen gooien ook bommen op onschuldige burgers (informatie daarover wordt vervolgens verborgen gehouden). Maar dergelijke protesten hebben een veel bredere politieke duiding en beweging nodig dan de wapenexportcontrole regimes. Ze gaan in tegen een onderdeel van de maatschappelijke ordening. Dat dit niet makkelijk is toont Rossdale aan doordat er nauwelijks sprake is van antimilitaristische acties die gericht zijn tegen Britse deelname aan oorlogen of bewapeningsprogramma's voor de NAVO of het eigen Britse leger. De kernwapenbasis in Schotland komt aan de orde als start voor activisten (en Greenham Common, maar dat is een vrouwen vredeskamp uit de jaren tachtig van de vorige eeuw). De brede uitleg van militarisme leidt ook bij hem niet tot een brede aanpak van het fenomeen gericht tegen het militair-industrieel-complex.

NAVO

Je hebt dubieuze, controversiële, verboden en toegestane wapens en export ervan. Als er foute wapenhandel is dan is er zeker ook goede. Rossdale past die 'de ene kant heeft ook een tegengestelde andere kant' benadering veel toe. Geen wonder dat wapenbedrijven geen bezwaar hadden tegen het verdrag (behalve die in de VS, die vrezen voor hun recht op handvuurwapens). Kritiek beperkt zich inderdaad tot het overtreden van de vastgelegde normen, de excessen. Wapenexporten naar bondgenoten, zelfs als die optreden op manieren die weinig met vrede en veiligheid te maken hebben zijn niet tot nauwelijks een probleem. Zo stelde Armin Papperger, de directeur van wapenproducent Rheinmetall onlangs dat hij niet vreest voor een Duitse regering met de Groenen; ze willen alleen wapenexporten stoppen die niet naar NAVO-landen gaan, met Turkije als uitzondering. Hier zit de zwakte van de legalistische campagnes om wapenexport te beheersen. Normen en waarden kan je vastleggen in wetten en regels, maar als het om Staatsbelang gaat dan zullen die creatief uitgelegd worden en als hoger belang gaan voor richtlijnen. Het is een principe dat in de hele internationale ordening zit. Wapenleveranties stoppen zal dan ook alleen kunnen door het effectief uitoefenen van druk.

Beschermen

Tenslotte zijn niet alle NGO en wapenhandel activisten tegen alle wapens en alle export daarvan. Er zijn wapens waarmee mijnen geruimd, visserij gronden verdedigd of burgers beschermt. Er is een spectrum aan reden waarom je tegen wapenleveringen kan zijn. Die reden zijn genoemde criteria in de ATT, nationale en Europese wapenexportrichtlijnen, maar daarnaast kunnen ook los daarvan politieke argumentaties tegen opbouw van imperialistische bondgenootschappen en oorlogsvoorbereiding ten koste van mens, natuur en milieu de argumentatie bepalen.

Ook in dit Wapenhandelverdrag deel van het boek kom ik weer een tekst tegen die ik niet begrijp: “Door Staten het mandaat te geven het risico van mensenrechtenschendingen te wegen tegen de belangen van veiligheid en vrede als ze besluiten nemen over export, wordt ze de mogelijkheid gegeven om mogelijke controversiële export te rechtvaardigen met het oogpunt van het tweede (…)”* De uitleg van het begrip veiligheid is anders daar was ik al achter, maar hier wordt ook vrede genoemd. Ergens heeft de schrijver een andere afslag genomen dan ik kan begrijpen.

Rijk

Resisting militarism is een rijk boek. Voor jonge activisten en oude rotten een boek dat veel aspecten van het antimilitaristische actievoeren (wat hier toch wel heel veel wapenexport betreft) op een rij zet en becommentarieert. Het maakte bij mij gedachten aan eigen ervaringen en gedachten los. Uiteindelijk probeert Rossdale met dit boek ruimte te creëren voor meer samenwerking tussen verschillende groepen en een bijdrage te leveren aan een antimilitaristisch netwerk dat deze verschillen niet groter maakt dan nodig en door een inclusieve houding inhoudelijk sterker en sociaal breder wordt om militarisme pootje te lichten. Een kernobservatie is dat er altijd een grens zit aan solidariteit en diversiteit. Pas als je dit constateert kan je de panelen die hier tussen verschillende groepen staan, verschuiven of er tenminste over nadenken. Door mijn kritische bespreking lijkt het alsof ik tegne heug en meug het boek heb gelezen, maar tijdens het lezen heb ik me inderdaad wel eens geërgerd, maar er ook plezier mee gehad, ervoer nagedacht, en van geleerd.