Femke Halsema en ondergetekende hebben in ieder geval één ding met elkaar gemeen: beiden hebben we ons recentelijk drie volle uren kapot verveeld. Of dat mag ik toch hopen althans, want anders moet ik naast haar politieke oordeelsvermogen ook nog eens aan Halsema’s goede smaak gaan twijfelen. “The wolf of Wallstreet” is namelijk een stomvervelende, oeverloos saaie film. Inderdaad, zoals Halsema in haar recensie voor De Correspondent eerlijk toegaf, is de film “bij vlagen hilarisch”, maar “lekker” zou ik hem toch niet noemen. Na anderhalf uur grappen, grollen, drugs en ongebreidelde seks begint de kijker zich bovendien af te vragen of het nog ergens naartoe gaat met dat verhaal. Maar tevergeefs.

(Bron: doorbraak.eu)

Nu heb ik niets tegen platte films met een lege amusementswaarde. Sommige recensenten hebben zelfs geopperd dat het in dit geval juist die leegheid is – dat bijna tergende gebrek aan bodem, plot of verdieping – die “The wolf of Wallstreet” tot zo’n krachtige film maakt. Halsema lijkt daarmee in te stemmen. Want niet alleen kunnen we allemaal wel ‘smullen’ van deze uren durende parade van cocaïne, snelle auto’s en prostituees in uiteenlopende prijsklassen (het verschil wordt uitgebreid uiteengezet). Deze leegheid houdt ons bovendien een spiegel voor, zo betoogt ze: “In zijn uitzinnige decadentie geeft de film een verwrongen beeld van onze cultuur; toch is het nog steeds onze cultuur.”

In Halsema’s lezing corrigeert Scorcese op die manier het populaire beeld dat na de crisis van 2008 rond Wall Street is ontstaan. De verantwoordelijken zijn sindsdien “apart gezet als een inferieur mensentype en deel van een immorele, op zichzelf staande subcultuur.” En dat is een “gevaarlijk dwaalspoor”, zo betoogt Halsema, want “de wolf” huist wel degelijk in ons allemaal. Dat is wat deze film in haar optiek laat zien: in niets zijn we anders dan jongens als Jordan Belfort, en we zouden allemaal precies hetzelfde doen.

Moreel agnosticisme

Bij die stelling zijn de nodige vraagtekens te plaatsen. In ieder geval kan ik alleen maar instemmen met Merijn Oudenampsen, die eerder op Joop.nl betoogde dat Halsema’s interpretatie vooral getuigt van het “moreel agnosticisme” dat veel “linkse” politici tegenwoordig aan de dag leggen. Ze weigeren om te veroordelen en roepen om het hardst dat niemand vreemd is met de hebzucht en het heimelijke verlangen naar geld, roem en losbandigheid. En zo dragen ze bij aan een discours dat ons allemaal medeverantwoordelijk maakt voor de crisis. Als de wolf in ons allen huist, hoe kunnen we anderen dan verantwoordelijk houden? Als we zelf nooit hebben ingegrepen – en we er zelfs nog van mee hebben geprofiteerd – wie zijn wij dan om nu die ander te veroordelen? Als er in Halsema of Samsom al een wolf huist, dan is hij in ieder geval tandeloos.

Maar bijkomend probleem aan Halsema’s analyse is dat het ook gewoon niet klopt. Met open ogen tuint ze in Scorcese’s romantische verbeelding van de “American dream” en haar duistere, hedonistische keerzijde. “Wat vooral opvalt aan Belfort en zijn collega’s”, zo stelt Halsema vast, “is dat ze niet zoveel talenten hebben. Wat ze wel hebben, is een enorme behoefte aan geld en succes, en een nog grotere behoefte om dat te etaleren.” En het is dan ook uitsluitend die behoefte die in de film wordt geëtaleerd. Hoe Belfort precies aan zijn geld komt, waar de stap naar illegaliteit precies gemaakt wordt, hoe de zwendel en fraude precies in z’n werk gaat; van dat alles krijgt de kijker bijzonder weinig te zien. Belfort, die regelmatig het woord direct aan zijn publiek richt, begint op een of twee momenten in de film wel uit te leggen met welke uitgekookte truc hij nu weer de boel weet op te lichten. Even lijkt het zowaar interessant te worden, maar na twee zinnen kapt Belfort zijn verhaal weer af: “Ik ben jullie alweer kwijt, of niet? Doet er ook niet toe.” Waar het zowel Belfort als zijn kijkers immers wel om gaat, is hoe hij op één dag tientallen miljoenen schept (en hoe hij die vervolgens weer wegsnuift), niet hoe hij daar aan is gekomen. We zien de self-made aandelenhandelaren dan ook maar weinig werken; de vergaderingen die we als kijker mogen bijwonen, gaan uitsluitend over dwergwerpen, de prijs van prostituees of het wegsluizen van miljoenen naar Zwitserland. Niet over hoe die miljoenen dan allemaal werden “verdiend.”

Façade

En daar zit het probleem. Scorcese pretendeert ons te laten zien hoe het er echt aan toe gaat in het New Yorkse zakendistrict. “The wolf of Wallstreet” zou ons de binnenkant tonen van een tot het bot verrotte beurswereld. Het zou ons tonen wat er werkelijk gebeurt achter de façade van designpakken, glimmende gevels en duur jargon. Het ware gezicht van het geld; de naakte wolf achter zijn schaapskleren.

Maar de ironie is dat juist dit ware gezicht zelf niet meer is dan een façade. De film biedt ons geen blik achter de schermen van de financiële wereld, maar trekt met al die ongeremde losbandigheid juist een nieuw rookgordijn op. Het suggereert dat de crisis werd veroorzaakt door een stel drugs- en seksverslaafde pubers, die geen idee hadden wat ze eigenlijk deden. Dat Wall Street wordt bevolkt door een horde onopgeleide perverselingen. (En daarnaast natuurlijk door de financiële autoriteiten, die uiteindelijk altijd orde op zaken zullen stellen. Zij zien ‘s morgens overigens geen wolf in de spiegel, want ze zijn volledig wars van corruptie of eigengereidheid – maar dat terzijde.)

Ik ben geen expert in macro-economie en ik zou niet exact kunnen uitleggen wat de recente crisis heeft veroorzaakt. Voor zover ze überhaupt overtuigend zijn, weet ik niet precies achter welke verklaring ik me nu zou moeten scharen. Maar wel meen ik vast te kunnen stellen dat wereldwijd de bestuursraden van banken, multinationals en financiële instanties worden bevolkt door mensen die donders goed weten wat ze doen. Hun neo-liberale ideologie mag dan oppervlakkig en naïef zijn. Aan de andere kant: ze hebben daarmee wel een mens- en wereldbeeld gecreëerd dat het ongeremde uitbuiten en het vergroten van de kloof tussen arm en rijk moest vergoelijken. Ze hebben bijgedragen aan het construeren van vastgoedbubbels en hypercomplexe financiële producten. Misschien konden ook zij niet precies voorspellen wat er zou gebeuren, en wellicht dat ook in hun vergaderkamers de cocaïne regelmatig werd doorgeschoven. Maar deze Harvard-alumni en Chicago-school studenten hebben wel degelijk keihard gewerkt om hun politieke agenda’s aan de man te brengen Net zoals ze nu nog altijd hard werken (en met succes) om die neo-liberale agenda nog sterker uit de crisis te laten komen. “Play hard” ging en gaat ook voor deze verwerpelijke types niet zonder “work hard”.

Spiegel

Dat is precies wat “The wolf of Wallstreet” verhult. En het verklaart ook het enthousiasme waarmee de film in Wall Street zelf is onthaald. Want wat is er erger dan het idee dat het economische systeem tot de rand van de afgrond is gebracht door een stel snuivende, rondneukende malloten? Precies: de vaststelling dat dit willens en wetens werd gedaan door mensen die wel degelijk verstand hebben van zaken. Zij wisten welke risico’s ze liepen – net zoals ze wisten dat ze het er zelf waarschijnlijk zonder al te veel kleerscheuren vanaf zouden brengen. Ze wisten welke consequenties hun gedragingen zouden kunnen hebben voor anderen. Achter de designpakken en de glanzende gevels vinden we niet alleen maar wilde orgies of hedonistische idioten, maar vooral veel grijze muizen met identieke MBA-opleidingen en een geprefabriceerd, neo-liberaal wereldbeeld. Dat is veel erger dan Scorcese’s weergave, en dus trekken deze schapen met plezier af en toe hun wolfskleren aan. Voor het publiek zijn ze liever bandeloze nihilisten dan berekenende apologeten van een zorgvuldig gespindokterde ideologie.

“The wolf of Wallstreet” houdt ons inderdaad een spiegel voor. Maar in die spiegel zien we niet de wolf die in ons huist; we zien er vooral het schaap dat zichzelf een wolfspak heeft aangemeten. Liever dan zich te realiseren dat ook deze film de ‘ware aard’ van Wall Street eerder verhult dan onthult, hoort dat schaap voor drie uurtjes even bij de roedel. Om dan weer even onwetend in de kudde terug te kunnen keren.