Simone Weil (1909-1943) was een klokkenluider, maar haar stem werd in haar tijd niet gehoord. Haar actualiteit berust in haar voorgevoel van een mogelijke ineenstorting van de industriële, technologische en geglobaliseerde wereld. Simone Weil was ervan overtuigd dat een eindeloze groei in een eindige wereld niet mogelijk is. Ze pleitte voor grenzen aan de groei, lang voordat daar in de publieke opinie sprake van was.

(Door Johny Lenaerts Dit artikel verscheen in een licht gewijzigde vorm in De AS, nr 208, winter 2020.)

Een bewogen leven

In een zowel intelligente als poëtische levensschets, die recentelijk in Nederlandse vertaling verschenen is, onthult de Franse journaliste Ludivine Benard (°1990) het beeld van een vrouw die geleefd heeft volgens principes die haar slechts tot één doel voorbestemd hadden: de roeping van de waarheid.

Simone Weil werd in 1909, als dochter van geassimileerde Joodse ouders, te Parijs geboren. Ze was buitengewoon begaafd en maakte schitterende studies, met name op wijsgerig gebied, waarna ze aan middelbare scholen als lerares werkzaam was. Daarnaast legde ze, uit sociale bekommernis, een levendige belangstelling voor politieke en maatschappelijke vraagstukken aan de dag. Niet, zoals vele intellectuelen, alleen theoretisch: ze deelde alles wat ze bezat met anderen en leefde zelf in ascetische eenvoud. In 1934 vroeg ze verlof en werkte enige maanden lang als arbeidster, aanvankelijk aan de bankschroef in Alsthom en vervolgens aan de freesmachine in de Renaultfabriek. En in de Spaanse burgeroorlog ging ze naar het front, om de oorlog aan den lijve te voelen, zoals ze de bandarbeid had leren kennen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog week ze uit naar Groot-Brittannië en sloot ze zich aan bij ‘La France Libre’, de verzetsorganisatie van Charles de Gaulle. In 1943 stierf ze, 34 jaar oud, in een sanatorium te Ashford in Engeland.

Simone Weil is tot nu toe vooral bekend als een (zeer origineel) religieus denker, sommigen noemen haar een mystica. Toch was ze nooit tot de Kerk toegetreden: ze wilde geenszins buigen voor de dogma’s van een Kerk die in haar ogen verantwoordelijk was voor de Inquisitie, de kruistochten en de vervolging van de ketters. Het is de verdienste van Ludivine Benard ruim aandacht te besteden aan haar sociale filosofie, want, zo stelt ze, de goddelijke openbaring betekende voor Weil niet het einde van haar politiek en sociaal engagement.

In de fabriek

Zodra Simone Weil afgestudeerd was zocht ze toenadering tot de revolutionair-syndicalisten, die volgens haar het best de belangen van de arbeiders verdedigden. Na een verblijf in Duitsland aan de vooravond van de machtsovername door de nazi’s, groeit haar argwaan tegenover de politiek van de communisten en vraagt ze zich wanhopig af tot wat de vakbond in staat is in de strijd tegen het fascisme.

Ze gaat in een fabriek werken als ongeschoold arbeidster. In haar ‘Fabrieksdagboek’ brengt ze verslag uit van de moeilijkheden die dat nieuwe leven met zich meebrengt: de taken die ze moet uitvoeren, de machines die ze ontdekt, de bevelen van de opzichters. Benard: ‘De filosofe ondergaat de kwetsuren die door de machine veroorzaakt worden, een machine die niet de minste aarzeling of overhaasting tolereert; ze beleeft de intense vermoeidheid van die afmattende dagen, de vernedering van de berispingen die haar onophoudelijk verwijten niet snel genoeg te gaan.’

Deze pijnlijke fabriekservaring zal haar voor altijd tekenen. De crisis van de moderne arbeid schuilt volgens Weil bij de arbeiders in de scheiding tussen denken en doen. Benard: ‘Om niet te veel te lijden onder zijn toestand, om de lelijkheid van zijn dagelijks leven te vergeten, is de arbeider verplicht te stoppen met denken, dient hij het denken op te schorten, maar dient hij terzelfder tijd aandachtig te blijven voor de bewegingen die hij moet uitvoeren om het tempo bij te houden; hij wordt derhalve knel gezet tussen bewustzijn en niet-bewustzijn, hij is zowel dood als levend: dat is onverdraaglijk.’ Langzaam zet zich bij de arbeider het gevoelen door dat hij slechts een ding is. Hij wordt gereduceerd tot de toestand van arbeidsvlees: hij is een marionet in de handen van zijn werkgever en, beperkt tot micro-taken, heeft hij geen enkel idee van het globale plan. Te midden van de andere arbeiders, zo merkt Simone Weil op, is de arbeider in de fabriek alleen. De les die ze daaruit trekt is onverwacht hard: nooit zal deze onderworpen massa tot revolutie overgaan, hun arbeid, die uitgevoerd wordt zonder de aanwezigheid van de geest, berooft hen van hun vrijheid.

Regressie

Simone Weil roept op om alles te herdenken, en op de eerste plaats de marxistische postulaten. De fout van Marx bestaat er volgens Weil met name in geloofd te hebben in een vooruitgang van de geschiedenis, die zou leiden naar het einde van de onderdrukking en naar een klassenloze samenleving. Weil drijft de spot met Marx’ overtuiging dat de ontwikkeling van de productiekrachten noodzakelijkerwijs zou uitlopen op de bevrijding van de arbeiders. Ze koestert geen religieus geloof in de weldaden van de techniek; ze meent daarentegen dat de technische vooruitgang ‘bankroet lijkt te zijn, omdat ze in plaats van welzijn, voor de massa’s enkel fysieke en morele ellende gebracht heeft’. In naam van steeds méér productie heeft de grootschalige industrie de bureaucratie, de rationalisering, de doorgedreven specialisering georganiseerd. In naam van de techniek werd de arbeider onderworpen aan de machines. Daarenboven, benadrukt Weil, heeft de vooruitgang van de techniek slechts geleid naar een reusachtige machtsconcentratie, hetgeen de overheersing van bepaalde mensen over andere met zich meegebracht heeft. In tegenstelling tot Marx, die zijn hoop stelde in de haast onbegrensde ontwikkeling van de productiekrachten, is Weil ervan overtuigd dat een onbegrensde ontwikkeling in een wereld met begrensde hulpbronnen niet mogelijk is. Ze roept op het begrip ‘limiet’ te denken. Nee, men kan van de techniek geen onbegrensde ontwikkeling met een onbegrensd rendement verwachten, zo stelt ze. Zijn hoop stellen in hypothetische nieuwe energiebronnen of in automatische machines die de menselijke arbeid zouden vervangen: ‘dat is dromen’. Steeds meer menselijke middelen gebruiken om steeds schaarser wordende energiebronnen te rentabiliseren, dat is contraproductief. Steeds meer arbeid rationaliseren, dat zou betekenen dat men kosten, verspilling, parasitaire leiders creëert. Haar conclusie is duidelijk: ‘De vooruitgang wordt momenteel, op haast mathematische wijze, omgezet in regressie.’

Actueel

Het is de verdienste van Simone Weil aangetoond te hebben dat de afwijzing van de groei voor een radicale politieke kritiek absoluut noodzakelijk is en dat dit niet verenigbaar is met het voortbestaan van de kapitalistische economie.

‘Alles uit Simone Weils pen is het waard gelezen te worden,’ schreef Susan Sontag. ‘Simone Weil is de enige echt grote geest van onze tijd,’ meende Albert Camus, die haar teksten bij de vermaarde uitgeverij Gallimard uitgaf. Het is dank zij hem dat we haar momenteel nog kunnen lezen, herlezen of ontdekken. Toen enkele jaren geleden ‘Onderdrukking en vrijheid. Filosofische en politieke geschriften’ verscheen, schreef de Nederlandse krant NRC: ‘Het werk van de Franse Weil laat je voelen wat de onderdrukten voelen. Vijfenzeventig jaar na de dood van de filosofe en mystica is het actueler dan ooit.’

* Ludivine Benard, ‘De Waarheid als roeping. Het leven van Simone Weil’, Utrecht: Kelderuitgeverij, 2021.