In deze serie teksten  gaat het om een specifiek soort woorden, te weten woorden die vooral in de sfeer van het neoliberale kapitalisme in gebruik zijn en die hun invulling krijgen door hen die een machtspositie innemen. In het laatste geval wordt ook over definitiemacht gesproken. Wie heeft de macht om ze als uitgangspunt te nemen, om de inhoud ervan te bepalen, om ze op te leggen?

(Door Thom Holterman, oorspronkelijk verschenen op Libertaire Orde)

Een opleggende definitiemacht vinden we bij wetgeving: wie de meeste politiek macht weet te mobiliseren zal bepalen welke (kern)woorden er in regelingen worden opgenomen. Maar het hanteren van definitiemacht is ruimer. Bijvoorbeeld: wie heeft de macht om zijn of haar interpretatie (betekenis) van zo’n woord af te dwingen? Hieronder bespreek ik eerst de context en het gebruik van definitiemacht. Vervolgens wordt ‘de taal van het neoliberale kapitalisme’ aan de orde gesteld en tenslotte geef ik enkele voorbeeldsituaties. [ThH]

definitiemacht

definitiemacht1Wanneer de term definitiemacht in zwang geraakt is, weet ik niet. Ik ben hem zelf voor het eerst tegengekomen in 1989, in het boek van Christoph Lau en Ulrich Beck, Definitionsmacht und Grenzen angewandter Sozialwissenschaft. Ik verwees ernaar in mijn verzamelboekbespreking in de AS (nr. 90, 1990; Online). Ook zag ik de kritische Nederlandse jurist Jessurun d’Oliveira er gebruik van maken in een vluchtelingrechtelijk artikel (NJB, 1989, p. 1341). Er zijn allerlei situaties waarin definitiemacht wordt aangewend, bijvoorbeeld om met de woordformulering van een bepaling (in een contract, wet, regeling etc.) te anticiperen op een mogelijke interpretatie van deze bepaling (of juist om deze te kunnen afweren), zo schreef ik in mijn artikel ‘Mensenrechten en definitiemacht’ (in: Recht en Kritiek 17 (1991) 3, p. 360-366). Dat was dus allemaal zo’n twintig jaar geleden.

Onlangs bleek mij dat het gebruik van de term al eerder was op te merken, zoals bij Johannes Feest en Erhard Blankenburg uit 1972, getiteld Die Definitionsmacht der Polizei. In zijn recente boek (Definitionsmacht, Renitenz und Abolitionismus, Springer, Wiesbaden, 2020), gaat Feest in de inleiding (p. 2 en 3) in op zijn ambitie indertijd om aan het begrip definitiemacht te werken.

Hij wilde selectiviteit van de strafvervolging empirisch bestuderen. Al reeds bij de identificering van ‘daders’ gaat het om een definitieproces. Hier ligt de nadruk op de interpretatie en dus de heerschappij over de interpretatie van een situatie. De definitiemacht bestaat vooral uit de feitelijke macht om de interpretatie op te leggen. In de richting van Erhard Blankenburg wijst Feest dan op hun gezamenlijke tekst uit 1972 waarin de term definitiemacht een concept is, waarmee verschillende stadia van maatschappelijke productie van criminaliteit kan worden geanalyseerd. De kern van het probleem is dan: wie formuleert (‘definieert’) welke daden er in het Wetboek van Strafrecht komen. Wiens politieke macht het grootst is, diens definitiemacht overheerst en daarmee correspondeert dan de formulering van de wetsartikelen – wat mij voorkomt als iets met een normatieve lading…

defmarranca coverVreemd genoeg, zo stelt Feest vast, is de term ‘definitiemacht’ sindsdien (dus vanaf 1972) in feministische discussies terechtgekomen, zij het met een geheel andere, weer meer normatieve, betekenis. In die groef zit dan ook mijn verwerking ervan in relatie tot mensenrechten. Kortom, zo vreemd vind ik het niet dat in Duitsland het radicale feminisme eveneens gebruik is gaan maken van de term definitiemacht. Ik ben dit onder meer tegen gekomen op de site Arranca waar men een samenvatting van een brochure getiteld Definitionsmacht: Schwergemacht aantreft, uitgegeven door Mamba-Feministisches Kollektiv (Hannover). De tekst van de brochure is opgenomen in een reader samengesteld ten behoeve van de behandeling van het thema (tevens titel van de reader) 25 Jahr Schwarzer Block (mei 2005). De tekst van de reader is op internet te vinden en de brochure beslaat p. 104-116 (Online).

Terecht wordt in de brochure opgemerkt dat het begrip definitiemacht in het algemeen niet tot het bereik van het omschrijven van seksueel geweld beperkt blijkt. Het wordt dan ook in andere politieke contexten door (politiek) links ingezet. Kortweg gaat het om de kwestie wie de macht heeft iets te definiëren. ‘Links bestrijdt de macht van heersende elites om termen te definiëren of te interpreteren of om begrippen en probleemomschrijvingen vast te leggen. Omgekeerd wordt de macht om te definiëren opgeëist als een politiek middel door degenen die rechtstreeks worden getroffen vanwege hun ondergeschikte positie in overheersings- of onderdrukkingsrelaties’ (p. 107).

De vraag is steeds: wie mag iets benoemen (definiëren), welke persoon, instantie, institutie, gezagsdrager, wetgever, heersende elite? En gewone mensen? Zij moeten definitiemacht opeisen, zoals bij politieke besluiten. Zij moeten zich dus niet laten ‘insluiten’ door de bestaande macht in gestelde conventies of georganiseerde ‘burgerraadplegingen’ (waarvan zoals we nog zullen zien in een ander deel, Macron een handje heeft). Duidelijk moet worden dat het afgelopen is met het ‘over ons, zonder ons’. Het opeisen en interveniëren met definitiemacht moet een bewustwording tonen, dat iets niet zal werken als het zonder onze medebeslissing tot stand is gekomen. Zit men dus in de situatie dat men buitengesloten wordt, dan zal vanaf dat moment het opeisen van definitiemacht omgezet worden in gebruiken van obstructiemacht. De verbinding die ik leg tussen definitiemacht en obstructiemacht verdient een nadere behandeling. Ik laat dit na want ik zou daarvoor moeten ingaan op subversiviteit. Ooit hoop ik dat nog eens te doen. Nu vervolg ik evenwel met het wijzen op de relatie tussen definitiemacht en de ‘taal van het neoliberale kapitalisme’.

Die taal is onderwerp van studie geweest van een Franse letterkundige. Die studie is interessant omdat er aandacht is voor een specifiek woordgebruik. Kortom, het leert iets over het overheersende karakter (de uitgestraalde macht) dat het neoliberalisme heeft, waardoor wij zijn gaan denken in woorden die bij het neoliberale kapitalisme passen. Daar zie ik de relatie tussen definitiemacht en de opgedrongen woorden die wij bezigen in de neoliberale maatschappij.

Taal van het neoliberale kapitalisme (LCN)

Allerlei ideologieën hebben door de loop van de tijd een eigen ‘taal’ ontwikkeld. In de Westerse wereld is daarvoor het neoliberalisme als een hedendaagse koploper aan te wijzen. Het heeft zodanig zijn stempel op de maatschappij kunnen zetten, dat er een eigen gebruiksterminologie is ontstaan. Dit betekent dat mensen cruciale woorden en woordbetekenissen krijgen opgedrongen. Ik noem een willekeurig aantal (niet uitputtend bedoeld): flexibiliteit, excellentie, gouvernance, efficiëntie, doelmatigheid, behendigheid, monitoren, precariteit, liquiditeit, rentabiliteit, traceerbaarheid (via smartphone of ingebrachte chip, van vuilnisbak tot dieren van een veeteler).

defmlucbertDe jonge Franse letterkundige Sandra Lucbert heeft zich toegelegd op het smeden van het concept van de Lingua Capitalismi Neoliberalis (LCN) of wel de ‘Taal van het neoliberale kapitalisme’. Zij deed dit onder verwijzing naar de Duitse taalfilosoof Victor Klemperer (1881-1960). Die een boek schreef over LTI (Lingua Tertii Imperii, de Taal van het Derde Rijk), zo legt Lucbert in een vraaggesprek uit met het Franse weekblad Marianne (van 18-24 september 2020). Over Klemperer en zijn boek publiceerde Anita de Waal een informatief artikel in Buiten de Orde 2021, nr. 3, p. 57-61.

Voor het schrijven over de taal van het neoliberale kapitalisme was Sandra Lucbert geïnspireerd geraakt door de taal die de leiding van France Télécom gebruikte. Zij analyseerde die en trof in feite een heel pakket van formuleringen aan die specifiek is voor het op de rails houden van de Westerse kapitalistische productiewijze en markt-gecentreerde optiek. De opdracht van de hoogste leiding van France Télécom was: ‘Er moet gezorgd worden dat er 22 000 vertrekken’ omdat ‘er zeven miljard aan cash-flow vrijgemaakt moet worden’. Die 22 000 sloeg op werknemers die ontslagen moesten worden. Wie niet uit zichzelf vertrok, werd weggetreiterd. Dat veroorzaakte tussen 2006-2010 tientallen zelfmoordgevallen. Uit rechtszaken tegen de directie van France Télécom was Lucbert gebleken dat die zich mede beriepen op het diagnostisch en statistisch manual (DSM). Dit handboek levert een voorbeeld van het doordringen van definitiemacht, reden om er even bij stil te staan.

Diagnostisch en statistisch manual (DSM)

De individuele mens is in de neoliberale taal weggestreept. Dat is eveneens doorgedrongen in de medische wereld. Sandra Lucbert gebruikt daar als voorbeeld voor het DSM, het diagnostisch en statistisch handboek voor psychische stoornissen. Dit handboek kent een eerste versie uit 1952. Het is opgezet onder toeziend oog van het Amerikaanse leger en de farmaceutische industrie. Daar vinden we in dit geval de definitiemacht. Het zijn die instituties die elke vorm van lijden van een individu terugbrengen tot een gebrek (een ontregeling). De advocaten van de leiding van France Télécom beriepen zich op het DSM om erop te wijzen dat werknemers die zelfmoord hadden gepleegd, dat deden als consequentie van een ‘gebrek’ bij henzelf. 

De werknemers werden dus zelfverantwoordelijk gehouden voor de toestand waarin zij waren komen te verkeren (inclusief hun zelfdestructie door zelfmoord). Door deze draai eraan te geven met het DSM in de hand, hoopten de advocaten te bereiken dat het systeem van treiterijen, gestimuleerd door de leiding en (bewezen) gedoceerd in bedrijfsmanagementcursussen voor het kader, buiten de zaak zouden blijven. Want noch de effecten van de handelwijze van het management, noch de structuren van de financiële vloeibaarheid (cash-flow!) komen naar voren als men uitsluitend vanuit het DSM redeneert. Hoewel we over Franse praktijken spreken (er zijn veroordelingen uitgesproken), is het goed om te bedenken dat DSM-5 in Nederland sinds 2017 leidend is bij het bepalen van de verzekerde zorg.  De mens is geen individu, hij is een hypostase (werkhypothese) met een al dan niet DSM-gebrek.

Aquatisch woordgebruik

De taal die als LCN ontstaat, wordt gestuurd vanuit een financieel denken over waarde, aldus Lucbert. Een begin is in Frankrijk te vinden in 1985 bij de introductie van de wet op de hervorming van de structuren van de financiering van de economie. Een van de effecten van de neoliberale taal is het vormen van legitimatie van de hedendaagse aanspraken van het kapitaal. Dat is nu op alle gebieden gevormd naar het model van de financiële ‘vloeibaarheid’ (geld moet stromen; er mogen géén blokkades zijn). Je vindt het terug in de omkeerbaarheid van alles te allen tijde: afspraken, investeringen, contracten en ook salarissen. Zo blijken er Nederlandse gasleveranciers te zijn, die vanwege de oplopende gasprijs eenzijdig een vast energiecontract met een klant opzeggen en dan dreigen geen gas meer te leveren als het nieuwe contract met de hogere gasprijs door de klant geweigerd wordt. De Autoriteit Consument & Markt (ACM) moest eraan te pas komen om dit te verhoeden. Een dergelijke contractbreuk is verboden (Online).

defmzygmBinnen het neoliberale kapitalisme behoort een dergelijke contractbreuk tot iets waarvoor het woord ‘behendigheid’ in de mond wordt gelegd, waarmee je moet kunnen omgaan. Met de nodige behendigheid is bijvoorbeeld het vloeibaar maken van beroepsbevolkingen gelukt. Daarbij heeft men het over workflow (arbeidsstroom). Alles is tot iets als water (aqua) gemaakt. Zo is er ook op het vlak van migratie sprake van ‘stromen’: migratiestromen, vluchtelingenstromen. Die stromen moeten worden ‘ingedamd’. Aldus is er al tijden terug een ‘aquatisch’ taalgebruik ontstaan.

Het aquatische taalgebruik van het neoliberale kapitalisme is geënt op het idee flexibiliteit en heeft de ‘moderne vloeibare samenleving’ opgeleverd. Dit komt niet uit de lucht vallen. Zo heeft de Pools-Engelse socioloog en filosoof Zygmunt Bauman (1925-2017) zich een groot deel van zijn leven met deze problematiek beziggehouden. In de jaren 1980 begon hij te schrijven over (post)modernisme en een wereld die voortgedreven werd door financieel gewin. De ‘vloeibaarheid’ spreekt uit menige titel bij hem, zoals Liquid Modernity (2000) en Liquid Life (2005). Wat blijkt in verloop van de tijd: de waargenomen flexibiliteit gaat, onder meer, samen met onzekerheid, in het Frans ‘précarité’ wat in het Nederlands ook geschreven kan worden als precariteit. Daarvan wordt weer afgeleid het ‘precariaat’ als vervanger voor wat voorheen het proletariaat heette. Het precariaat wordt gevormd door de massa mensen die in onzekerheid leven, zoals loonarbeiders, uitkeringsontvangers, maar ook middenstanders, zzp’ers, enz.

Een algemene opmerking over dit alles is, dat telkens ook de definitiemacht om de hoek komt kijken zoals: wie bepaalt wat er in het diagnostisch en statistisch ‘manuel’ komt? Wanneer de mens gezien wordt als een categorie die zich in een onderdanig positie bevindt, is het duidelijk dat ook in het geval van het DSM de definitiemacht bij de ‘overwinnaars’ ligt. Het kan dus niet anders dan dat we met autoritaire potenties worden geconfronteerd. Zo zal het mogelijk zijn te wijzen op het bestaan van ‘autoritair neoliberalisme’ (systemisch autoritarisme) en het woordgebruik dat erbij hoort om dat tot uitdrukking te brengen. Dat zal mede in het tweede deel van deze serie aan de orde komen.

Thom Holterman