Ga naar de inhoud

Zelfvoorziening goed voor mens en milieu

Een economie gebaseerd op regio's voorkomt schadelijke
effecten van globalisering: Na het Plan van de Arbeid van de jaren '30 is het nu tijd
voor een Plan van de Zinnige Arbeid dat moet aanzetten tot meer ecologische
oftewel economische wijsheid en een zinvol bestaan, betoogt Willem Hoogendijk.

 

8 min leestijd
Placeholder image

(Dit opiniestuk verscheen in NRC-Handelsblad van zaterdag 18
augustus)

Of het nu gaat om een visie op Europa en de wereld, of om
bedreigde boeren en andere ondernemers te behouden, om het platteland te
revitaliseren of om onze afhankelijkheid van import en export te verminderen –
de oplossing is regionalisering van de economie.

Die regionalisering betekent dat streken meer
zelfvoorzienend moeten worden wat betreft basisbehoeften zoals voeding, water,
energie, hergebruik en bouwmaterialen. Een basisregio in Nederland zou de
omvang kunnen hebben van Twente of de Betuwe. Voor veel voorzieningen zal de
productie met een of meer regio's kunnen plaatsvinden of in nog grotere
verbanden: nationaal, continentaal of zelfs mondiaal. Brood en melk komen van
dichtbij, recycling en aanvullende energieopwekking kunnen samen met een andere
regio of op provinciaal niveau worden uitgevoerd, de havens en de
aardgasvoorraden worden op nationaal niveau beheerd, auto's maken we samen met
een Duitse buurstaat, vliegtuigen in Europees verband en voor enkele speciale
producten is er een mondiale distributie.

Regionalisering vraagt om importvervangende bedrijvigheid
die dan meteen milieuverantwoord opgezet kan worden. Nuttige, toekomstgerichte
bedrijvigheid in een wat gekalmeerde economie met de mogelijkheid van deelname
ook voor lager opgeleiden, ouderen en gehandicapten. Een deel van de
energieslurpende mechanisering moeten vervangen worden door menskracht.

Zo'n economie zal minder last hebben van hedgefondsen of
van outsourcing die met de uitdijende globalisering maar doorgaat. Bovendien
zal zij ecologisch en sociaal gunstig uitwerken. Economen, bezig met
alternatieven voor het neoliberalisme in het werkverband 'Voor de Verandering',
beijveren zich voor het berekenen van ons nationale inkomen met langere
meetlatten. De sociale en milieuschade wordt dan realistischer ingecalculeerd
dan gebruikelijk. Soortgelijke exercities waren al ondernomen in verschillende
rijke landen, meestal op basis van het pionierswerk van de econoom Roefie
Hueting. Onze economieën groeien allang niet meer. De huidige en te voorziene
schade is veel groter dan de opbrengst. Daar waren ze bij de Vrije Universiteit
in 2000 al achter gekomen in het rapport Alternatieve berekeningen van het
duurzaam nationaal inkomen
van milieu-econoom Harmen Verbruggen e.a. Maar dit
rapport kwam bij de toenmalige minister van Economische Zaken Jorritsma in de
la 'Niet Welkom' terecht.

Voor voorstanders van een zo vrij mogelijke handel,
aangestuurd door "over de wereld stromende kapitalen op zoek naar de
hoogste opbrengst" zoals Bolkestein op 21 januari 1984 zei in een
interview in de Volkskrant, zullen regionalisering en het in rustiger vaarwater
brengen van de economie vreemde kost zijn. Maar er zijn tegenkrachten. In de
Verenigde Staten worden cursussen gegeven onder het motto 'how to go local'. In
zijn boek For the Common Good bepleit de Amerikaanse econoom Herman Daly (hoogleraar
en ex-Wereldbankmedewerker) conviviale economieën met eerlijke en evenwichtige
handel. In Frankrijk is het Institut pour la rélocalisation de l'économie
actief en wijdt het tijdschrift Entropia zich geheel aan krimp. Vanuit Engeland
circuleert wereldwijd het manifest Localization van de econoom Colin Hines. Aan
de Radboud Universiteit is regionalisering onderwerp van een breed
onderzoeksproject. Voor goed begrip: deze activiteiten zijn niet tegen handel
en mondialisering gericht, maar ter correctie ervan, ter wederzijdse
gezondmaking.

De eigen producten, lokaal, nationaal of continentaal
geproduceerd, zullen bij de wijs geworden consument enige voorrang krijgen.
Aanzetten tot regionale voedselvoorziening zijn al te vinden in De Meijerij, de
Achterhoek, rond Wageningen en Utrecht. Naast meer controle op ons voedsel ligt
hier ook een kans voor bedreigde boeren. Het mondiale samenwerkingsverband van
boerenorganisaties Via Campesina wil overal enige voedselsoevereiniteit, waar
nodig met importheffingen en quoteringen.

Vrijhandelaars gruwen van voortrekken en protectie. Maar
juist enige protectie van de eigen economie, zo blijkt bijvoorbeeld bij de
Aziatische tijgers, doet landen succesvol deelnemen aan de wereldhandel. Zolang
een eigen basis overeind blijft, gaat het goed. Zo ook in ons land: tot
ongeveer 1965 ging het goed; daarna raakten ook wij te verschraald, te
afhankelijk.

Een ecostad als Davis in Californië wist het
energieverbruik tot eenderde terug te brengen, stimuleert moestuinen en fietsgebruik,
doet veel aan hergebruik en zet het omringend landbouwgebied in voor eigen
gebruik. En dat in de rijkste staat ter wereld. Wij zouden ook in deze richting
moeten denken.

Van belang is dat het geld zoveel mogelijk in de regio
blijft, want dat is goed voor de koopkracht aldaar. Geld meer in de regio
houden betekent dat voorzieningen en bedrijvigheid overeind blijven. De
ruilkringen van burgers en de barternetwerken van bedrijven zijn er bescheiden
aanzetten toe. In Duitsland functioneren al tientallen lokale geldcircuits. De
Zwitserse WIR-ring is de kampioen van de barternetwerken met 65.000 deelnemers
en een jaaromzet van over een miljard Zwitserse franken. In Oost-Brabant kunnen
bewoners op een speciale ASN-regiorekening spaargeld plaatsen dat belegd wordt
in de streek zelf.

Ander kenmerk van de streekeconomie is de deelname eraan
van zoveel mogelijk mensen. Niet in de laatste plaats door het besef dat wie
van de aarde en de samenleving neemt – wij allemaal dus – ook wat dient terug
te geven: het nieuwe werkethos. Armoede en marginalisering kunnen ermee
bestreden worden. Werkloosheid kan een woord uit het verleden worden. De
vermenging van werken en leven kan daarbij helpen. Ouderen kunnen zolang
mogelijk erbij en zo ook 'bij' blijven. Een streekeconomie zorgt voor korte
lijnen tussen de mensen. Er zijn al zogeheten Pergola-associaties in ons land
en elders (Japan, USA, Canada) waarin boeren en consumenten samenwerken.

Waar de huidige economie een aanbodeconomie is, zal de
bovengeschetste 'thuissector' er een zijn gebaseerd op de vraag – een normale,
binnen milieugrenzen blijvende vraag. Weer, want zo is onze economie altijd
geweest voordat het grote geld zich er beslissend mee ging bemoeien.

In een aanbodeconomie, met een door de investeringen
aangedreven groei, moeten de meeste bedrijven om overeind te blijven
voortdurend en maximaal produceren. En moet er dus ook voortdurend en maximaal
verkocht en verbruikt worden. Slechts weinig ondernemers is het gegeven om
people
en planet gelijkwaardig naast profit te kunnen zetten. De Aarde kreunt
zeker al een eeuw onder dit absurde, verspillende systeem. Dit gekreun wordt
eindelijk hoorbaar.

Een economie van de vraag moet flexibel kunnen zijn.
Tijdelijk minder vraag (hoe normaal), dan ook productieverlaging met wat minder
werkers. De meesten van ons zullen dan een of enkele aanvullende banen hebben,
in de bouw, de tuinbouw, het onderwijs, de zorg. De meeste mensen kunnen veel
meer dan wat alleen in hun vaste baan van pas komt.

In een vraageconomie moet ook de investeringsbeloning
kunnen fluctueren. Minder verkocht? Dan ook minder geld naar de geldschieters.
De Zwitserse econoom H. Chr. Binswanger stelt een stichtingsstructuur voor om
investeerders en bedrijf meer met elkaar te verbinden. Het huidige systeem van
verhandelbare aandelen, waarbij eigendom en verantwoordelijkheid gescheiden
worden, werd in navolging van Keynes door zijn Noorse vakbroeder A.
Hallenstvedt betiteld als "de geïnstitutionaliseerde
onverantwoordelijkheid van het kapitaal". Beide ontwikkelingen zullen een
bevrijding voor ondernemers en de hele bedrijvigheid betekenen, een bevrijding
van de dwang om te groeien en een einde van het immer opjagen. Aldus wordt
recht gedaan aanpeople en planet.

Kan de huidige groei-economie beschreven worden als een
vliegtuig dat moet doorvliegen om niet te verongelukken, de andere economie zou
eerder een helikopter moeten worden waarmee we vooruit kunnen, maar ook, indien
nodig, achteruit of pas op de plaats kunnen maken. Een essentieel effect van
die andere economie zal zijn de drastische verkleining van onze ecologische
voetafdruk, van onze druk op de biosfeer die exorbitant en onhoudbaar groot is.
De noordelijke landen gaan driftig door met de tak waarop we zitten door te
zagen. Landen als China en India sluiten zich nu, aangespoord door de machten
achter de wereldhandel, bij die al te voortvarende houthakkersclub aan. Enige
kalmering en versobering bij ons zal het mogelijk maken voor het Zuiden om nog
enigszins, hopelijk beheerst, te groeien. Onbeheerst betekent na enige tijd:
negatieve groei, doorgezaagde tak.

Een omslag in de rijke landen naar kalmering zal ook een
belangrijk signaal kunnen zijn naar die opkomende landen – een beter, want
indirect, signaal dan het opgeheven vingertje vanuit ons soort landen die zelf
zijn rijk geworden met uitbuiting en natuurverkrachting.

In de crisistijd van de jaren '30 van de vorige eeuw schiep
men een Plan van de Arbeid voor de talloze werklozen. Het Amsterdamse bos was
er het zichtbare gevolg van. Nu is het tijd voor een Plan van de Zinnige Arbeid
dat een aanzet moet geven tot meer sociale warmte en rechtvaardigheid,
ecologische oftewel economische wijsheid en een zinvol bestaan, rijk aan
cultuur ook. In diezelfde crisistijd schreef Keynes in zijn National
Self-Sufficiency
dat goederen zoveel mogelijk thuis gemaakt moesten worden
(homespun) en hield hij zijn tijdgenoten voor: "De moeilijkheid zit hem
niet in de nieuwe ideeën maar in het ontsnappen aan de oude die tot in de
verste uithoeken van ons hoofd zitten."

Mr. Willem Hoogendijk is medewerker van Stichting
Aarde, Voor de Verandering en van de Franse 'krimp'groep Entropia.